Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035223 nr. D

35 223 Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, de Wet versnelling stapsgewijze verhoging AOW-leeftijd en de Wet tegemoetkomingen loondomein in verband met temporisering van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd)

D BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 september 2019

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel temporisering verhoging AOW-leeftijd op 2 juli jl. heb ik naar aanleiding van vragen van het lid Crone (PvdA), het lid Schalk (SGP) en het lid Van Rooijen (50PLUS) uw Kamer toegezegd een overzicht toe te zenden met cijfers over de ontwikkeling van de AOW-leeftijd op lange termijn (T02781).

Bijgaand treft u het overzicht aan, dat ook gepubliceerd is op de website van de rijksoverheid.1

In het overzicht is de ontwikkeling van de AOW-leeftijd op lange termijn weergegeven op basis van de huidige wetgeving en op basis van de afspraken uit het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel. Deze afspraak uit het pensioenakkoord over de matiging van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting zal t.z.t. met een wetsvoorstel aan uw Kamer worden voorgelegd.

Met betrekking tot dit overzicht is voorts van belang dat de AOW-leeftijd voor mensen die vanaf 2025 met pensioen gaan, afhangt van de levensverwachting. De levensverwachting zal nog veranderen. Daarom is de in dit overzicht aangegeven AOW-leeftijd een verwachting op basis van de huidige door het CBS geraamde levensverwachting.

Naar aanleiding van de vragen van het lid Crone (PvdA), het lid Schalk (SGP) en het lid Van Rooijen (50PLUS) heb ik tevens toegezegd uw Kamer te informeren over de gevolgen van de gematigde koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting, zoals beschreven in het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel, voor de ontwikkeling van de beroepsbevolking op lange termijn.

De gematigde koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting leidt ertoe dat de AOW-leeftijd in de toekomst minder snel zal stijgen, dan zonder de afspraken uit het akkoord het geval zou zijn. Dit impliceert dat ook de verhouding tussen de potentiële beroepsbevolking en de pensioengerechtigde bevolking anders zal uitpakken.

Op dit moment behoren circa 11,5 mln. mensen in Nederland tot de potentiële beroepsbevolking (personen tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd) en wonen er in Nederland circa 3,1 miljoen mensen die de AOW-gerechtigde leeftijd gepasseerd zijn. Tegenover elke pensioengerechtigde in Nederland behoren 3,7 mensen tot de potentiële beroepsbevolking.2

In 2040 (op het hoogtepunt van de vergrijzing) zullen, uitgaande van de huidige prognoses omtrent de ontwikkeling van de levensverwachting en de 2/3 koppeling conform de afspraken uit het pensioenakkoord, circa 11,24 mln. mensen in Nederland tot de potentiele beroepsbevolking behoren en wonen er circa 4,19 mln. AOW-gerechtigden in Nederland (zie bijlage). Tegenover elke AOW-gerechtigde in Nederland behoren dan 2,7 mensen tot de potentiele beroepsbevolking.

Bij het basispad voor het pensioenakkoord (sneller ingroeipad AOW-leeftijd naar 67 en een 1 op 1-koppeling) zouden in 2040 op basis van de huidige prognoses omtrent de ontwikkeling van de levensverwachting in 2040 circa 11,46 miljoen mensen tot de potentiele beroepsbevolking behoren en circa 3,96 miljoen mensen AOW-gerechtigd zijn. Tegenover elke AOW-gerechtigde in Nederland zouden dan 2,9 mensen tot de potentiële beroepsbevolking behoren. In onderstaande grafiek is dit weergegeven.

De afspraken uit het pensioenakkoord impliceren derhalve dat de omvang van de potentiële beroepsbevolking op het hoogtepunt van de vergrijzing in 2040 met circa 230.000 personen lager uitvalt.

Niet alle personen uit de beroepsbevolking werken echter. Ongeveer twee derde heeft betaald werk. Zij vormen de werkzame beroepsbevolking. Bijna de helft daarvan werkt in deeltijd, dat wil zeggen minder dan 35 uur per week. Een deel van de beroepsbevolking werkt niet omdat zij bijvoorbeeld nog in opleiding zijn, werkloos of arbeidsongeschikt zijn of vervroegd zijn uitgetreden. Ook zijn er ouderen die niet meer tot de potentiele beroepsbevolking horen, maar nog wel werken.

De cijfers over de ontwikkeling van de potentiele beroepsbevolking en de werkzame bevolking ondersteunen de urgentie van de afspraken uit het pensioenakkoord over de verbetering van duurzame inzetbaarheid. Immers is het minder snel verhogen van de AOW-leeftijd, in het licht van deze cijfers over toekomstige ontwikkelingen, alleen verantwoord indien kabinet en sociale partners samen werk maken van de afspraken die ervoor moeten zorgen dat werkenden in Nederland gezond de eindstreep kunnen halen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Bijlage I:

In onderstaande grafieken zijn de ontwikkeling van de beroepsbevolking en het AOW-volume op lange termijn weergegeven op basis van de huidige wetgeving en op basis van de afspraken uit het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel. Hierbij is uitgegaan van de huidige door het CBS geraamde levensverwachting.


X Noot
1

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/pensioen/documenten/publicaties/2019/06/05/tabel-aow-leeftijden-obv-principeakkoord; ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 164499.10.

X Noot
2

Circa 10% van de AOW-gerechtigden woont niet in Nederland. Deze pensioengerechtigden zijn hier niet mee genomen.