Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035213 nr. D

35 213 Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong

D NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 11 februari 2020

De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van de CDA-fractie danken de regering voor de zeer uitgebreide en gedegen beantwoording van de vragen. Deze leden stellen vast, ook aan de hand van de vele commentaren die binnenkomen, dat veel burgers ernstig bezorgd zijn over de perspectieven op een zeker bestaan voor vroeg gehandicapten. Deze leden hebben derhalve nog een aantal nadere vragen.

Met veel belangstelling hebben de leden van de GroenLinks-fractie kennisgenomen van de uitvoerige beantwoording van de regering op de vele vragen die door de commissie zijn gesteld. Ook hebben deze leden met interesse de reactie van de diverse belangenorganisaties op deze memorie van antwoord gelezen. Zonder in extenso op de details in te gaan, resteren voor de leden van de GroenLinks-fractie een paar belangrijke vragen over het voorliggende wetsvoorstel. De leden van de fractie-Otten sluiten zich bij deze vragen aan.

De leden van de D66-fractie danken de regering voor de uitgebreide beantwoording van de vele vragen rondom de harmonisatie van de verschillende regimes Wajong. Deze leden hebben nog een aantal vervolgvragen.

De leden van de PvdA-fractie danken de regering voor de beantwoording van de vragen, gesteld in het voorlopig verslag en maken graag gebruik van de gelegenheid de regering naar aanleiding daarvan enkele aanvullende vragen te stellen.

De leden van de SP-fractie danken de regering voor de beantwoording en hebben nog de navolgende aanvullende vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie danken de regering voor de uitvoerige beantwoording van hun vragen. Zij willen graag een aantal aanvullende vragen stellen.

CDA-fractie:

In de voorbije jaren is er fors bezuinigd op de Wajong en is de toegang tot deze regeling voor vroeg gehandicapten drastisch beperkt, terwijl toch de nodige bestaanszekerheid voor deze groep mensen zo essentieel is. Sinds 2015 is immers de Wajong gesloten voor jong gehandicapten met arbeidsvermogen. Het laten bestaan van de Wajong als inkomensvoorziening op het sociaal minimum van een alleenstaande, zonder een vermogens- en partner inkomenstoets, blijft onaangetast. In plaats van een bezuiniging is er nu een voorgenomen intensivering – in gewone mensentaal verhoging – van de uitgaven voor de Wajong. Is de regering van plan om een publieksvoorlichting over alle misverstanden die er blijkbaar leven zo snel mogelijk op te pakken, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De bestaande regelingen voor werken met een Wajonguitkering worden geharmoniseerd, waarbij er mogelijk een groep is die er in de toekomst op achteruitgaat. Op grond van de huidige arbeidsinkomsten en arbeidsuren wordt een garantieregeling ingevoerd. Met deze garantieregeling behoudt de Wajonger zijn huidige inkomen, maar komt dit bij werkloosheid en het niet vinden van een baan na een jaar te vervallen. Onderzoek toont aan dat het snel vinden van een baan voor deze groep mensen heel lastig is, ook binnen de door de Tweede Kamer geamendeerde termijn.2

De leden van de CDA-fractie vragen de regering derhalve hierop nog eens te reflecteren en ook nog eens uiteen te zetten waarom er gekozen is voor het stramien van de WIA, respectievelijk Participatiewet, daar waar dit toch een andere doelgroep betreft. De leden van de CDA-fractie wensen het gehanteerde beginsel dat werk inderdaad moet lonen, nog eens te onderstrepen.

Een onderwerp dat niet besproken is in de schriftelijke voorbereiding is de arbeidskorting waarvoor deze groep werkenden niet in aanmerking komt. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hierop te reflecteren en zo deze stelling juist is, hoe een en ander aangepast zou kunnen worden. Kan niet vastgesteld worden dat de inzet tot werken, ook al is het voor een beperkter aantal uren, voor deze groep zwaarder is?

De leden van de CDA fractie zijn tot slot verheugd met de toezegging van de Staatssecretaris om ook voor de doelgroep Participatiewet met aanpassingen te gaan komen.

GroenLinks-fractie:

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het klopt dat het wetsvoorstel een achteruitgang in perspectief betekent voor de groep Wajongers die in het huidige regime het vooruitzicht hebben gebruik te kunnen gaan maken van de voortgezette werkregeling.

Deze leden vragen of het klopt dat er ook een achteruitgang is voor een groep Wajongers in de voortgezette werkregeling die bij wisseling van baan pas na langer dan een jaar een nieuwe functie vinden. Is de regering het met deze leden eens dat deze achteruitgang de arbeidsmobiliteit beperkt? Is de regering het met deze leden eens dat het te eenvoudig is om dit af te doen als de onzekerheid die het wisselen van baan nu eenmaal met zich meebrengt, omdat de achteruitgang aan verdienmogelijkheden niet is gelegen in de mogelijke nieuwe baan, maar in het veranderde wettelijk regime dat in dat geval van toepassing is? Deze leden herhalen in dit perspectief hun vraag waarom de regering ten stelligste ontraadt om voor een langere garantietermijn te kiezen, waarmee dit probleem niet ten principale is opgelost, maar wel aanzienlijk verzacht zou zijn.

Eén van de dragende uitgangspunten onder de voorgestelde herziening is dat werken moet lonen. De leden van de GroenLinks-fractie onderschrijven dit standpunt, maar zien tevens dat voor sommige groepen in het nieuwe regime werken minder zal lonen dan in het huidige regime. Klopt deze constatering en hoe rijmt de regering dat met het uitgangspunt van de harmonisering?

Klopt het dat toepassing van de door de belangenorganisaties aangedragen zogenaamde «alternatieve formule» de problemen van vermindering aan perspectief voor de groep mensen met een medische urenbeperking op zou lossen? De aan het woord zijnde leden begrijpen dat dit iets van de uitvoering vraagt. De regering wijst er ook op dat dit vraagt om een uitbreiding van de polis administratie. Tegelijkertijd weten wij dat de aanname van het amendement-Renkema/Gijs van Dijk3 – dat bij overname van de alternatieve formule overigens niet meer nodig zou zijn – ook een aanmerkelijke extra complexiteit voor het UWV met zich meebrengt in de uitvoering. Tegen deze achtergrond vragen de aan het woord zijnde leden de regering nogmaals indringend te overwegen de alternatieve formule in te voeren, waarmee in de ogen van deze leden de – ook door deze leden onderschreven – voordelen van de beoogde harmonisatie behaald kunnen worden zonder de nadelen die maatschappelijk tot veel beroering leiden.

De Raad van State besteedt in haar advisering aandacht aan de samenhang, respectievelijk het verschil in regime, dat ook na aanvaarding en inwerkingtreding van dit wetsontwerp bestaat tussen de Wajong, de Participatiewet en de WIA. Vanuit het uitgangspunt dat in vergelijkbare situaties vergelijkbaar gehandeld zou moeten worden, vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich af waarom de regering nu doorzet op een harmonisatie in het beperkte bereik van de Wajong en niet kiest voor een bredere benadering waarover we ook op afzienbare termijn komen te spreken. Wordt hiermee niet gekozen voor op zijn best een suboptimale oplossing?

Tot slot verbaast het de leden van de GroenLinks-fractie dat de regering ook bij nader aandringen niet bereid is geweest het wetsvoorstel ter toetsing voor te leggen aan het College voor de Rechten van de Mens. Is de regering met ons van mening dat, juist nu maatschappelijk de vraag wordt gesteld of het wetsvoorstel zich wel verdraagt met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, een dergelijke toetsing een belangrijke bouwsteen in de onderbouwing, respectievelijk een belangrijk argument ter heroverweging van het wetsvoorstel zou kunnen zijn?

D66-fractie:

De leden van de D66-fractie lezen in diverse antwoorden van de regering dat wordt verwezen naar een garantiebedrag en een overgangsregime ter compensatie van inkomstenachteruitgang door deze nieuwe wetgeving. Kan de regering uiteenzetten wanneer een Wajonger in de nieuwe regeling in aanmerking komt voor dit garantiebedrag en het overgangsregime? Wanneer stopt dit garantiebedrag? En wie kan hier nooit voor in aanmerking komen?

De leden van D66 lezen in de memorie van antwoord4 dat een van de meest voorkomende redenen van uitstroom uit de Wajong in 2017 detentie is. In de beantwoording staat dat dit 23% van de gevallen betreft, wat overeenkomt met ca. 1.403 personen. Zou de regering hier nog nadere toelichting op kunnen geven? Om wie gaat het precies en welke vormen van detentie betreft het? Is er bijvoorbeeld een bijzondere reden waardoor dit percentage zo hoog ligt?

De leden van D66 stellen het op prijs dat de regering aandacht heeft voor het belang van goede en heldere communicatie over de nieuwe situatie voor Wajongers indien deze wet wordt aangenomen.

Kan de regering nu al een indicatie geven wie de regie krijgt op deze communicatie zodat er uniforme informatie bij Wajongers terecht komt?

PvdA-fractie:

De regering laat in de memorie van antwoord weten dat zij het niet eens is met het uitgangspunt van LCR, FNV en CNV dat het wettelijk minimumloon op maandbasis (100 procent WML) noodzakelijk is om volwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving.5 Deelt de regering met de leden van de PvdA-fractie het volgende uitgangspunt: iedereen die naar vermogen werkt, dient tenminste het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen. Zo nee, waarom niet?

Uitkeringen in onze sociale zekerheidsstelsel gaan immers uit van een lager minimaal bedrag dat iemand nodig heeft om in de kosten voor levensonderhoud te kunnen voorzien. Wajongers zijn echter een specifiek geval: in tegenstelling tot uitkeringsgerechtigden die werkloos zijn, werken zij wel, maar zullen zij door hun beperking niet (of een stuk minder goed) in staat zijn om volledig te werken en dus zelfstandig het minimum maandloon te verdienen. Hiermee staan ze op een ruime achterstand tegenover mensen zonder beperking. Is de regering het met de leden van de PvdA-fractie eens dat het wettelijk minimumloon dient te gelden voor eenieder die werkt, en dus ook voor Wajongers? Acht de regering het wenselijk om mensen die buiten hun schuld om nooit zelfstandig een volledige baan aankunnen maar wel gewoon hard werken, niet gecompenseerd worden totdat zij het wettelijk minimumloon verdienen? Zo ja, waarom?

De regering besteedt veel aandacht aan het principe dat meer werken moet lonen. Graag vragen de aan het woord zijnde leden aandacht voor de volgende vier artikelen:

  • Robins, Philip K. «A comparison of the labor supply findings from the four negative income tax experiments.» Journal of human Resources (1985): 567–582.

  • Akee, Randall KQ, et al. «Parents» incomes and children's outcomes: a quasi-experiment using transfer payments from casino profits.» American Economic Journal: Applied Economics 2.1 (2010): 86–115.

  • Martinez, Isabel Z., Emmanuel Saez, and Michael Siegenthaler. Intertemporal labor supply substitution? Evidence from the swiss income tax holidays. No. w24634. National Bureau of Economic Research, 2018.

  • Jones, Damon, and Ioana Marinescu. The labor market impacts of universal and permanent cash transfers: Evidence from the Alaska Permanent Fund. No. w24312. National Bureau of Economic Research, 2018.

Welke lessen trekt de regering uit deze artikelen waar het gaat om het effect van financiële prikkels bij het aanbieden van arbeid? En welke lessen volgen hieruit voor het voorliggende wetsvoorstel? De aan het woord zijnde leden vragen hierbij graag om een empirische, wetenschappelijke onderbouwing.

In het antwoord op vraag 27 van de leden van de PvdA-fractie over het niet toetsen van de wet door het College van de Rechten van de Mens stelt de regering dat het College voor de Rechten van de Mens momenteel werkt aan een advies over de bijdrage van verschillende regelingen aan de positie van mensen met een arbeidsbeperking op de arbeidsmarkt en de verhouding met het VN-verdrag inzake mensen met een handicap. Het gaat hierbij niet specifiek om dit wetsvoorstel, maar er mag van uitgegaan worden dat dit ook wordt meegenomen in dit onderzoek. Wanneer mogen deze leden dit advies van het College van de Rechten van de Mens verwachten? Is de regering het met deze leden eens dat het wenselijk is om op dit advies te wachten? Zo nee, waarom niet? Als uit het advies blijkt dat het voorliggende wetsvoorstel niet in goede verhouding staat met het VN-verdrag, kunnen er dan van de regering concrete maatregelen en aanpassingen verwacht worden?

Op vraag 30 van de leden van PvdA-fractie over het zicht krijgen op de aantallen die geraakt worden door het voorliggende wetsvoorstel antwoordt de regering dat niet alle benodigde gegevens op centraal niveau beschikbaar zijn, en daarom dus geen concreet antwoord kan worden geven. Als de regering geen goed beeld heeft bij het aantal gedupeerden van het voorliggende wetsvoorstel, hoe kan zij deze dan met volle overtuiging indienen? Graag vragen de aan het woord zijnde leden de regering om de gegevens op decentraal niveau te verzamelen teneinde op centraal niveau zicht te krijgen op de aantallen die geraakt worden door het voorliggende wetsvoorstel. Naast absolute aantallen ontvangen deze leden zoals gevraagd in het voorlopig verslag graag de percentages alsmede de maximale bedragen waarmee elke groep erop achteruit kan gaan. En daarbij vragen de aan het woord zijnde leden graag van de regering waarop zij de budgetten baseert die behoren bij het wetsvoorstel als zij geen zicht heeft op alle benodigde gegevens op centraal niveau.

De groep die van dit wetsvoorstel lijkt te profiteren is de groep oWajong voor wie de Maatmanwissel niet van toepassing is. Maar deze groep gaat er wel degelijk op achteruit aangezien zij allemaal nu nog kunnen overstappen naar de nWajong en alsdan terecht kunnen komen in de voortgezette werkregeling die hun inkomen aanvult tot het WML. Kan de regering dit bevestigen? Onderschrijft de regering vervolgens de stelling dat de overgrote meerderheid van de groep oWajong geen voordeel heeft van de voorgestelde harmonisering als zij nog voor 2021 overstappen naar de nWajong?

De groep in de nWajong die nu werkt maar voor een periode korter dan zeven jaar, profiteert niet van dit wetsvoorstel. Hen wordt het perspectief op WML ontnomen. Immers, in de nWajong kom je na zeven jaar in aanmerking voor de voortgezette regeling. Kan de regering dit bevestigen?

Op vraag 33 van de leden van de leden van de PvdA-fractie over het afschaffen van de voortgezette werkregeling uit de Wajong2010 voor mensen met een (medische) urenbeperking die daardoor nooit het minimumloon zullen verdienen antwoordt de regering dat dit niet klopt, want ook voor Wajongers met een urenbeperking loont meer werken en hierbij is het wettelijk minimumloon niet het maximum. Dat roept bij deze leden de volgende vragen op. Beseft de regering dat het voor mensen met een (medische) urenbeperking zeer lastig (of zelfs onmogelijk) is om meer te gaan werken? En hoe luidt het antwoord op de eerder gestelde vraag uit het voorlopig verslag voor mensen voor wie het vanwege een (medische) urenbeperking onmogelijk is om meer te gaan werken?

Het kabinet vindt dat gelijk werk gelijk moet worden beloond. Dat is het geval voor mensen die met een lagere loonwaarde werken omdat zij als gevolg van het amendement-Renkema / Gijs van Dijk inkomensondersteuning krijgen die hun loon/salaris aanvult tot het voor hen geldende functieloon. Voor mensen met een urenbeperking geldt dit evenwel niet. Bij hen wordt het lagere inkomen als gevolg van het niet volledig kunnen werken niet volledig gecompenseerd. Waarom kiest de regering ervoor om mensen met een urenbeperking geen aanvulling van hun gedwongen deeltijd inkomen tot het functieloon te geven?

Het voorliggende wetsvoorstel leidt ertoe dat – als gevolg van de motie-Renkema / Gijs van Dijk – mensen met een loonwaarde van 60% die fulltime werken met een functieloon van 130%, het voor hen geldende functieloon van 130% ontvangen (som van loon/salaris + inkomensondersteuning). Zij krijgen een volledige compensatie voor hun inkomensverlies als gevolg van hun beperking. Voor mensen met een urenbeperking die 60% kunnen werken met een volledige loonwaarde en een functieloon van 130% geldt dat niet. Mensen met een urenbeperking die niet in staat zijn het WML per maand te verdienen krijgen een inkomensaanvulling. Echter, de som van het loon/salaris plus inkomensaanvulling zal in deze situatie altijd lager zijn dan het voor hen geldende functieloon per maand. Zij ontvangen loon/salaris van 78% en een inkomensondersteuning van 39% WML. Totaal inkomen 117% WML. Kan de regering dit bevestigen?

Als mensen met een urenbeperking in deeltijd niet in staat zijn het sociaal minimum te verdienen dan krijgen zij een aanvulling uit de bijstand met een vrijlating waardoor zij maximaal 85% WML per maand ontvangen. Graag vragen de aan het woord zijnde leden hoe dit zich verhoudt tot het inkomen van jonggehandicapten die fulltime kunnen werken onder het regime van de Participatiewet.

De regering stelt in de memorie van antwoord in antwoord op vraag 36 dat voor Wajongers met een hoger opleidingsniveau geldt dat zij mogelijkheden hebben om een hoger functieloon te aanvaarden, net zoals mensen die niet deels arbeidsongeschikt zijn. Zij hebben daarom geen recht op extra compensatie. Uit de praktijk blijkt echter dat hoger functieloon zeer moeilijk te bereiken is voor Wajongers, ongeacht het opleidingsniveau. Hoeveel Wajongers ontvangen een hoger functieloon, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

Mensen met een hoger opleidingsniveau accepteren vaak werk dat eigenlijk onder hun niveau is en daarmee ook onder het functieloon waarvoor zij in aanmerking zouden komen indien zij geen arbeidshandicap hadden gehad. Voor hoeveel Wajongers is dit het geval, zo vragen deze leden. De algemene vraag van de aan het woord zijnde leden aan de regering is de volgende: waarom vindt de regering het een bijzondere gedachte om Wajongers met een hoger opleidingsniveau te compenseren voor het verlies aan inkomen dat zij wel hadden gekregen, indien zij geen arbeidsbeperking hadden gehad?

Graag vragen de aan het woord zijnde leden bijzondere aandacht voor zelfstandigen. De wijze waarop inkomsten van zelfstandigen worden verrekend met de uitkering is en blijft complex. Is de regering het met deze leden eens? Zo nee, waarom niet? Voor hen die op basis van «uurtje factuurtje» werken is een uurloon bekend. Kan dit uurloon op grond van de formules voor inkomensondersteuning worden verrekend met de uitkering, waarbij pas na twee jaar definitief kan worden afgerekend na de vaststelling van het inkomen door de Belastingdienst? Complexer is het voor mensen met bedrijven die producten in- en verkopen. Graag ontvangen de leden een beoordeling van de uitvoerbaarheid van het voorliggende wetsvoorstel voor deze laatste categorie.

De voorliggende harmonisatie gaat gepaard met een complexe overgangsregeling. Bovendien zijn de voorgestelde regels nog steeds complex. Immers, bij het berekenen van de inkomensondersteuning moet UWV twee formules toepassen: de «algemene» formule en de formule naar aanleiding van het amendement-Renkema / Gijs van Dijk. De formule die de hoogste inkomensondersteuning oplevert moet in een concreet geval worden toegepast. Dat is complex in de uitvoering en vraagt om fouten. Tevens is het slecht te controleren voor de betrokkenen. Dan is er nog de garantieregeling. Ook deze regeling is moeilijk te controleren voor betrokkenen en complex in de uitvoering. Graag vragen de leden van de PvdA-fractie de regering om de uitvoerbaarheid en foutgevoeligheid van het voorliggende wetsvoorstel in dit kader van een zorgvuldige analyse te voorzien.

Daarbij is de harmonisatie lastig te begrijpen voor de betrokkenen. De Klankbordgroep Banenafspraak schrijft6 dan ook: «Wat ons opvalt is dat de wet onbegrijpelijk is opgeschreven voor veel mensen met een beperking. We vinden de wet en de inkomensregels moeilijk uitlegbaar en … begrijpen we vaak niet in de uitwerking.» Acht de regering de wet ook onbegrijpelijk? Zo nee, waarom niet? Aan welke begrijpelijkheidseisen dient een wet naar het oordeel van de regering te voldoen? En hoe voldoet het voorliggende wetsvoorstel hieraan?

Graag vragen de aan het woord zijnde leden aandacht voor de eerder aangedragen alternatieve formule voor het berekenen van de hoogte van de inkomensondersteuning:

  • 1. Voor mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn geldt de formule (0, 7 x G) – (0,7 x compensatiefactor x I). De compensatiefactor is (Loonwaarde – 0,3/0,7 x Loonwaarde).

  • 2. Voor mensen die meer dan 20% WML kunnen verdienen geldt de alternatieve formule.

Hierdoor gaat niemand erop achteruit en is er geen garantieregeling nodig. Ook in de alternatieve formule geldt dat meer uren werken loont voor zover mensen een functieloon hebben dat hoger ligt dan het WML. Gezien het feit dat de meeste medewerkers niet hun werkzame leven lang het WML verdienen, geldt ook in de alternatieve formule dat meer werken loont. Is de regering het met de leden van de fractie van de PvdA eens dat dit alternatieve voorstel een verbetering vormt ten opzichte van het voorliggende wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet? En deelt de regering de beoordeling van deze leden dat het alternatieve voorstel tegemoetkomt aan een deel van de kritische argumenten van de Raad van State? Zo ja, op welke onderdelen? Zo nee, waarom niet?

Het kabinet berekent dat de kosten 100 miljoen bedragen als de alternatieve formule voor alle werkende Wajongers geldt. De LCR, FNV, CNV en Ieder(In) beogen dat de alternatieve formule geldt voor alle Wajongers die meer dan 20% WML verdienen. Tegenover de kosten van 100 miljoen staat dat er geen compensatieregeling noodzakelijk is. Op pagina 13 van de memorie van antwoord lezen de leden van de PvdA-fractie dat deze kosten voor de compensatieregeling 47 miljoen bedragen. Het toepassen van de alternatieve formule is echter eenvoudiger in de uitvoering. Kunnen de 100 miljoen aan extra kosten gecompenseerd worden door het wegvallen van de kosten voor de garantieregeling en de lagere uitvoeringskosten? Graag vragen deze leden om een cijfermatige onderbouwing van de reactie van de regering.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het opnemen van de deeltijdfactor in de polis administratie niet in lijn is met het traject dat is ingezet om het aantal gegevens te beperken om administratieve lasten voor werkgevers te verlichten, aldus de regering. Echter, de loonwaarde is thans ook niet opgenomen in de polis administratie en dat wordt straks ook opgenomen. Het opnemen van de deeltijdfactor in de polis administratie is dan een tweede aanvulling. Wat zijn volgens de regering de administratieve lasten die samenhangen met het opnemen van de loonwaarde? En de administratieve lasten die samenhangen met de deeltijdfactor? Graag ontvangen deze leden een cijfermatige onderbouwing.

De leden van de commissie SZW hebben van de LCR, FNV, CNV en Ieder(In) middels een brief van 30 januari jl. een reactie ontvangen op de memorie van antwoord.7 De memorie van antwoord leidt voor de LCR, FNV, CNV en Ieder(In) tot de volgende vragen, waarbij de leden van de PvdA-fractie zich graag aansluiten:

  • 1. Klopt het dat de overgangsregeling niet noodzakelijk is als de alternatieve formule wordt ingevoerd?

  • 2. Klopt het dat het amendement-Renkema / Gijs Van Dijk overbodig is bij invoering van de alternatieve formule?

  • 3. Is de aanname plausibel dat de netto kosten van de alternatieve formule aanzienlijk lager zullen zijn dan de bruto genoemde 100 miljoen door lagere uitvoeringskosten?

  • 4. Klopt het dat met de formule conform de bepalingen in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap er niemand op achteruit gaat?

  • 5. Hoe worden de inkomsten verrekend voor zelfstandigen die producten in- en verkopen?

  • 6. Het bepalen van de hoogte van het garantiebedrag geschiedt op basis van het inkomen in de maanden september, oktober en november. Voor mensen met wisselende inkomsten kan dit gunstig dan wel ongunstig uitpakken. Waarom wordt er niet gekozen voor een gemiddeld jaarinkomen voor het bepalen van het garantiebedrag?

Graag vragen deze leden de regering om een afzonderlijke reactie op elk van deze vragen.

De leden van de commissie SZW hebben van de FNV middels een brief van 31 januari jl. een aanvullende reactie ontvangen op de memorie van antwoord.8 Graag vragen de leden van de PvdA-fractie de regering om de afzonderlijke vragen te beantwoorden:

  • 1. De voortgezette werkregeling gaat er vanuit dat iedereen bij maximale inspanning (deeltijd bij urenbeperking) recht moet hebben op minimaal het wettelijk minimumloon, zoals iedereen die fulltime werkt. Dit lijkt de FNV in lijn met het gelijkheidsbeginsel van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Is het afschaffen van deze regeling dan niet een verwijdering van de doelen van het VN-verdrag?

  • 2. Berekening van de aanvullende uitkering op basis van een maatmaninkomen raakt ook aan het gelijkheidsbeginsel van het VN-verdrag: voor het deel dat betrokkene door de handicap geen arbeidsvermogen heeft wordt hij/zij voor zijn/haar beperking gecompenseerd, gemeten aan het inkomen van een valide werknemer met vergelijkbaar niveau. Bij maximale inspanning (deeltijd conform urenbeperking) kan betrokkene daardoor een inkomen verwerven dat in de buurt komt van een valide werknemer. Is afschaffen van dit principe daarmee niet een verslechtering volgens het VN-verdrag?

  • 3. Hoe kan het dat de regering beweert dat niemand er op achteruitgaat, terwijl wanneer de garantietermijn verlengd wordt van twee maanden naar één jaar dit ca. 10 miljoen per jaar kost?

  • 4. In Nederland geldt voor iedereen die werkt het WML als ondergrens. Waarom geldt dat niet voor Wajongers die naar vermogen werken c.q. het maximaal aantal uren werken dat binnen hun vermogen ligt? Is het rechtvaardig dat wanneer je naar vermogen werkt en volgens het wetsvoorstel nooit een inkomen ontvangt ter hoogte van WML-niveau?

  • 5. Er wordt gesteld dat niet voor iedereen de medische urenbeperking is vastgesteld. Het UWV acht de door de FNV voorgestelde formule uitvoerbaar onder de voorwaarde dat er geen verzekeringsartscapaciteit ingezet mag worden door gebrek aan artsen. Is het mogelijk dat op grond van meerdere jaren werkervaring er een uitspraak mogelijk is of iemand naar vermogen werkt? Naar de mening van de FNV moet dat heel goed mogelijk zijn.

  • 6. Klopt het dat de overheid met dit wetsvoorstel de arbeidsparticipatie wil stimuleren van Wajongers, terwijl de overheid zelf slechts 6% (namelijk 3.700 van de 60.300 werkende Wajongers) in dienst heeft genomen? Ligt het dan niet veel meer voor de hand om de overheidswerkgevers te disciplineren en niet de Wajonger aan te pakken?

  • 7. Het antwoord op vraag 45 gaat uitgebreid in op de vraag wanneer belangenorganisaties gehoord zijn. Klopt het dat de belangenorganisaties (vakbonden en LCR) al vanaf de beleidsdoorlichting forse kritiek hebben op de uitkomsten (conclusies) van de beleidsdoorlichting? Is het niet misleidend om te suggereren dat de opmerkingen van de belangenorganisaties meegenomen zijn in de verdere uitwerking en dus geleid hebben tot inhoudelijke aanpassingen?

SP-fractie:

De regering meldt dat mensen met een urenbeperking er op vooruit gaan als ze meer uren gaan werken.9 De leden van de SP-fractie vragen of de regering beseft dat jonggehandicapten met een urenbeperking niet meer uren kunnen werken omdat ze een urenbeperking hebben. Erkent de regering dat een deel van de mensen met een urenbeperking een progressieve ziekte heeft waardoor zij in de loop der tijd steeds minder uren kunnen werken? Wat zal het voorliggende wetsvoorstel voor gevolgen hebben voor het inkomen van de mensen met een dergelijke progressieve aandoening? Zijn er cijfers of onderzoeken bekend over hoeveel mensen in de Wajong een progressieve ziekte hebben? Kan de regering aangeven voor hoeveel mensen met een urenbeperking het realistisch is dat ze meer uren kunnen gaan werken? Welke cijfers zijn beschikbaar en onderzoeken zijn hiernaar gedaan? Als de regering geen cijfers en onderzoeken heeft om aan te tonen dat het realistisch is dat een substantieel aantal mensen met een urenbeperking – die nu in de voortgezette werkregeling zitten – meer uren kan gaan werken, waarom heeft de regering deze aanname dan als beleidsuitgangspunt genomen? Hoeveel mensen zitten er nu in de voortgezette werkregeling en wat is er bekend over hun arbeidsvermogen? Erkent de regering dat mensen met een medische urenbeperking nooit op of boven het minimummaandloon kunnen komen vanwege hun urenbeperking?

De leden van de SP-fractie zijn blij met de aanname van het amendement Renkema / Gijs van Dijk. Ze vragen de regering of hiermee alle groepen met een hoger functieloon geholpen zijn? Zijn er nog steeds situaties dat de oude regeling voor hen gunstiger is dan de nieuwe, en zo ja om welke aantallen gaat het en om welke orde van grootte aan bedragen?

Op grond van het voorliggende wetsvoorstel mag een jonggehandicapte 30 cent houden van elke verdiende euro. Hoe verhoudt zich dat tot de regelingen voor jonggehandicapten met werkvermogen die onder de Participatiewet vallen?

Klopt het dat veel werkgevers «extraatjes» voor hun werknemers regelen via de onkostenvergoeding (die ongespecificeerd mag zijn)? Bij de onkostenregeling mag een percentage van de in het gehele bedrijf betaalde loonsom als (onbelaste) onkosten gedeclareerd worden. Erkent de regering dat de onkostenvergoeding voor veel sociaal werkgevers en voor SW-bedrijven ongunstig uitpakt omdat zij veel werknemers voor het minimumloon in dienst hebben? Erkent de regering dat dit lastig is voor sociaal ondernemers en SW-bedrijven? Is de regering bereid om de regeling zo te veranderen dat bedrijven met veel mensen in dienst voor het minimumloon, zoals sociaal werkgevers of SW-bedrijven, in grotere mate van deze regeling kunnen profiteren?

De leden van de SP-fractie willen graag weten hoe extraatjes worden verrekend bij de WIA en WAO. Klopt het dat jonggehandicapten in de Participatiewet bonussen en extraatjes volledig moeten inleveren?

De leden van de SP-fractie zien graag dat de nieuwe studieregeling vóór 1 juli wordt ingevoerd. Wat gebeurt er voor jonggehandicapten in de Participatiewet die naar school willen blijven gaan of willen studeren?

Hoeveel van de mensen in de voortgezette werkregeling komt lager uit met de nieuwe regeling (na het verstrijken van de garantietermijn)? Zijn er ook mensen in de voortgezette werkregeling die er niet op achteruitgaan bij de nieuwe regeling (na het verstrijken van de garantietermijn)? Zo ja, kan de regering specificeren welke groepen dat betreft? Hoeveel kan een persoon in de voortgezette werkregeling er maximaal op achteruitgaan bij de nieuwe regeling (na het verstrijken van de garantietermijn) ten opzichte van de oude regeling?

De instroom uit het jaar 2014 (Wajong2010) komt als enige grote groep net niet in aanmerking voor de voortgezette werkregeling als het inkomensdeel van het wetsvoorstel per 1 januari 2021 in werking treedt; de groep daarna viel onder Wajong2015. Dit terwijl hen dit wel voorgespiegeld is de afgelopen jaren. Kan de regering deze groep alsnog onder de oude voortgezette werkregeling laten vallen of kan deze groep alsnog anderszins tegemoet worden gekomen?

ChristenUnie-fractie:

De leden van de ChristenUnie-fractie concluderen dat het wetsvoorstel geen bezuinigingsoogmerk heeft maar zich primair richt op het verminderen van de complexiteit van de huidige drie Wajong-regimes. In antwoord op vragen van deze leden geeft de regering aan dat het UWV in de eerste maand van dit jaar de toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de in de Tweede Kamer aangenomen amendementen rond inkomensondersteuning gereed te hebben. Graag vernemen de leden van de ChristenUnie-fractie tot welk oordeel het UWV is gekomen.

Het wetsvoorstel geeft weinig specifieke aandacht aan Wajongers die in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) werkzaam zijn. Kan de regering aangeven of hier sprake is van bijzondere omstandigheden of condities die voor het wetsvoorstel van belang zijn?

De aan het woord zijnde leden lezen in de antwoorden op hun vragen dat Wajongers die van baan wisselen of hun baan verliezen aanspraak kunnen maken op het garantiebedrag. Kan de regering een kwantitatief beeld schetsen van de (trends in de) omvang van beide groepen?

Monitoring en evaluatie van de effecten van dit wetsvoorstel is geboden, zo betogen de leden van de ChristenUnie-fractie. Kan de regering in meer precieze mate schetsen hoe dit vorm gegeven gaat worden en welke indicatoren daarbij gebruikt gaan worden? Hoe spoort dat met de maatregelen rond het Breed Offensief?

De kwetsbaarheid van de doelgroep vereist sensitieve communicatie over de wetswijziging, zowel wat betreft de aanleiding als wat de gevolgen voor Wajongers betreft. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben veel reacties gekregen op het wetsvoorstel. Een groot aantal reacties kwamen van ouders van Wajongers. Om deze reden vragen de aan het woord zijnde leden om ouders nadrukkelijk te betrekken in het communicatietraject. Is daarin voorzien?

De leden van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien met belangstelling uit naar de antwoorden.

De voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Sent

De griffier van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Essers (CDA), Koffeman (PvdD), Ester (CU), Sent (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), N.J.J. van Kesteren (CDA), Nooren (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Wever (VVD) (ondervoorzitter), Ballekom (VVD), Dessing (FVD), Geerdink (VVD), Gerbrandy (OSF), Van Gurp (GL), Van der Linden (FVD), Moonen (D66), Nanninga (FVD), Otten (Fractie-Otten), Pouw-Verweij (FVD), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL),

X Noot
2

Amendement-Stoffer en Baudet, Kamerstukken II 2019/2020, 35 213, nr. 27.

X Noot
3

Kamerstukken II 2019/2020, 35 213, nr. 28.

X Noot
4

Kamerstukken I 2019/2020, 35 213, C, p.44.

X Noot
5

Kamerstukken I 2019/2020, 35 213, C, p.3–4.

X Noot
6

Griffienummer 165946.34.

X Noot
7

Griffienummer 165946.36.

X Noot
8

Griffienummer 165946.39.

X Noot
9

Kamerstukken I 2019/2020, 35.213, C, p.3