Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035207 nr. 33

35 207 China

Nr. 33 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING EN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 december 2019

Hierbij bieden wij u de reactie aan op de moties van het lid Koopmans c.s. (Kamerstuk 35 207, nr. 5) en van de leden Sjoerdsma en Van Helvert (Kamerstuk 35 207, nr. 15) over een brede internationale coalitie voor een gelijk speelveld met China respectievelijk een effectief internationaal aanbestedingsinstrument.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.A.M. Kaag

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

Motie-Koopmans c.s. over een brede internationale coalitie voor een gelijk speelveld met China (35 207, nr. 5)

Tijdens het notaoverleg over de China-notitie van 30 september 2019 (Kamerstuk 35 207, nr. 5), heeft uw Kamer de motie aangenomen inhoudende het verzoek een brede internationale coalitie te bouwen en concrete stappen te nemen in Europees dan wel WTO verband inzake oneerlijke handelspraktijken (waaronder gelijke regels voor Europese en Chinese bedrijven bij aanbestedingen en gelijke toegang voor Europese bedrijven in China).

Uw verzoek komt overeen met reeds door het kabinet ingezet beleid. Eén van de acties uit dat beleid is in EU-verband in gang gezet en houdt in dat het kabinet positief staat tegenover de besprekingen over een voorstel voor een Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten (IIO/IPI) van de Europese Commissie. Zie voor verdere details hierover de reactie op de motie van de leden Sjoerdsma en Van Helvert (Kamerstuk 35 207, nr. 15).

Motie Sjoerdsma/Van Helvert over een effectief internationaal aanbestedingsinstrument (35 207, nr. 15)

Tijdens het notaoverleg over de China-notitie van 30 september 2019 (Kamerstuk 35 207, nr. 5), heeft uw Kamer de motie aangenomen inhoudende het verzoek in Europees verband te pleiten dat er een internationaal aanbestedingsinstrument komt dat uitsluiting van bedrijven uit derde landen mogelijk maakt zolang er geen sprake is van wederkerigheid voor Europese bedrijven.

Uw verzoek komt overeen met reeds door het kabinet ingezet beleid. Zoals bekend was het kabinet in 2016, bij het uitkomen van het IPI-voorstel, daar geen voorstander van, zoals ook aangegeven in het BNC-fiche daarover (Kamerstuk 22 112, nr. 2074). In lijn met bovengenoemde China-notitie en de kabinetspositie over Europese concurrentiekracht, heeft het kabinet dit standpunt herzien. Het huidige standpunt houdt in dat het kabinet vindt dat het van belang is dat er, gezien de veranderde economische, geopolitieke - en veiligheidsaspecten van handelspolitiek, een instrument komt dat het gebrek aan wederkerigheid voor EU-bedrijven op markten voor overheidsaanbestedingen in een aantal derde landen, adresseert. Het kabinet heeft die positie ingenomen in de sinds kort heropende besprekingen in Brussel over het voorstel van de Europese Commissie voor een Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten (IIO/IPI)1. In verband daarmee lopen er gesprekken met het bedrijfsleven om ervoor te zorgen dat de Nederlandse inzet aansluit bij hun behoefte en dan met name die van MKB-bedrijven.

Het IPI-voorstel heeft als doel om een handelspolitiek signaal af te geven en om wederkerigheid af te dwingen in de toegang tot overheidsopdrachten voor EU-bedrijven in derde landen die geen aan de EU vergelijkbare markttoegang verlenen. Daarmee worden derde landen, waaronder bijvoorbeeld China, ertoe bewogen de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement (GPA)) van de WTO te ondertekenen of om bilaterale handelsovereenkomsten met de EU aan te gaan waarin afspraken over een vergelijkbare toegang tot de markt voor overheidsopdrachten worden gemaakt. Op basis van het IPI-voorstel kan de Europese Commissie een maximale (fictieve) prijsopslag van 20% opleggen op inschrijvingen van bedrijven uit een aantal derde landen op EU-aanbestedingen. Het fictieve karakter houdt in dat als de aanbieding uit een derde land, inclusief prijsopslag, toch de beste aanbieding blijkt te zijn, de prijsopslag bij gunning vervalt. Conform het voorstel zijn door de Commissie aangewezen aanbestedende diensten verplicht deze prijsopslag op te leggen bij aanbestedingen met een opdrachtwaarde boven de € 5 miljoen. Prijsopslagen gelden tevens voor inschrijvingen waarvan meer dan 50% van de totale waarde van de inschrijving uit het betreffende derde land afkomstig is. Prijsopslagen worden niet opgelegd op inschrijvingen van Europese MKB-bedrijven of van inschrijvers uit ontwikkelingslanden. Willen MKB-bedrijven onder deze uitzondering vallen, dan dienen zij zelfstandige zakelijke activiteiten te verrichten die een rechtstreekse en daadwerkelijke band hebben met de economie van ten minste één lidstaat. Het voorstel (in de huidige vorm) ontneemt lidstaten de bevoegdheid om zelfstandig restrictieve maatregelen te treffen tegen derde landen.

Het kabinet zet in de besprekingen in op een effectief instrument, dat zo weinig mogelijke administratieve lasten voor aanbestedende diensten en het bedrijfsleven met zich meebrengt en dat de bestaande bevoegdheid van lidstaten in stand laat om restrictieve maatregelen te treffen volgens de ruimte die de aanbestedingsrichtlijnen bieden. Een voorbeeld daarvan is het behoud van de mogelijkheid om inschrijvingen uit derde landen uit te sluiten in verband met nationale veiligheid. Het kabinet is niet overtuigd van de effectiviteit van het instrument van een prijsopslag van maximaal 20%. Het kabinet staat open voor alternatieve invullingen zoals verhoging van de prijsopslag. Het kabinet is verder voorstander van het verhogen van de drempelwaarde voor werken met het oog op beperking van de administratieve lasten voor aanbestedende diensten en bedrijven. Daarnaast meent het kabinet dat de lidstaten voldoende zeggenschap moeten hebben in de toepassing van het instrument gezien de grote politieke impact die het kan hebben.