Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935179 nr. 5

35 179 Wijziging van de Handelsregisterwet 2007, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en enkele andere wetten in verband met de registratie van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten ter implementatie van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 29 mei 2019

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Anne Mulder

De adjunct-griffier van de commissie, Freriks

INLEIDING

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en hebben daar een aantal vragen over. Deze leden vinden het ongelukkig dat poortwachters in de financiële sector slechts beperkte toegang hebben tot relevante informatie uit het register, terwijl privacygevoelige informatie toegankelijk kan worden voor mensen met oneigenlijke bedoelingen. Zij vrezen voor de persoonlijke veiligheid van bestuurders, ondernemers en hun naasten. Dat geldt in het bijzonder voor de talloze familiebedrijven die Nederland rijk is.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Zij delen de inzet van de vierde anti-witwasrichtlijn om nog effectiever te kunnen optreden tegen witwassen en financiering van terrorisme. Gezien het internationale karakter van deze criminaliteit is het van belang dat dit internationaal wordt aangepakt. Een centraal register van uiteindelijk belanghebbenden is een belangrijk onderdeel van de aanpak van deze criminaliteit, zo menen de leden van de CDA-fractie. Daarbij willen de leden van de CDA-fractie onderstrepen dat met de introductie van een Ultimate Beneficial Owner (UBO)-register dat toegankelijk is voor bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor opsporing van witwassen en terrorismefinanciering, een goede stap wordt gezet. Echter zorgt de reikwijdte van met name de toegankelijkheid van het register in de praktijk voor problemen, zo menen de leden van de CDA-fractie. Het wetsvoorstel in haar huidige vorm zal een grote impact hebben op ondernemers en anderen die belanghebbende zijn in een juridische entiteit. De leden van de CDA-fractie hebben dan ook nog vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij kennis heeft genomen van onrust in het bedrijfsleven en bij de maatschappelijke organisaties ten aanzien van het wetsvoorstel. Welke rol ziet de Minister van Financiën voor zichzelf weggelegd ten aanzien van het informeren en faciliteren van ondernemers en anderen in het geval het wetsvoorstel in haar huidige vorm wordt ingevoerd? Hoe is men van plan de onrust weg te nemen, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie van het UBO-register. Zij hebben hierbij vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie zien belastingontduiking, witwassen van crimineel geld en het financieren van terrorisme als één van de grootste problemen van de werking van ons huidige financiële stelsel en steunen elke maatregel die de mogelijkheden hiertoe indamt, zo ook het UBO-register. Topeconomen als Piketty, Zucman en Saez benoemen het UBO-register als één van de belangrijkste manieren om de wereldwijde groei van de ongelijkheid in te dammen, samen met maatregelen als de invoering van een Centraal Aandeelhoudersregister en Country-by-Country reporting, omdat de vermogensconcentratie bij de rijkste 1% voor een belangrijk deel ontstaat door oneigenlijk gebruik van het financiële stelsel via weeffouten in de vormgeving daarvan.

De leden van de SP-fractie hechten er belang aan om bij het vormgeven van de wet tot implementatie van het UBO-register het doel ervan altijd voor ogen te houden: het voorkomen van belastingontduiking, witwassen en het financieren van terrorisme via de financiële infrastructuur van de EU. Voor deze leden is het cruciaal dat het UBO-register deze vormen van verhulling van de uiteindelijke eigenaar ondervangt. Wanneer deze leden voorzien dat het UBO-register wel een administratieve last opwerpt voor veel entiteiten in Nederland, maar onvoldoende bijdraagt aan de opsporing van de criminele miljarden die de oprichting van het register legitimeren, vrezen wij terechte maatschappelijke kritiek op een wet die een dynamiek dreigt te gaan reproduceren die we al kennen van de belastingheffing: gewone mensen en bedrijven draaien ervoor op, terwijl degenen met het geld, de macht en de connecties daartoe, de heffing kunnen ontlopen. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat een UBO-register dat zo dreigt uit te pakken, eerst aangescherpt dient te worden, alvorens geïmplementeerd.

Dit is de context waaruit de inbreng van de leden van de SP-fractie gelezen moet worden; een inbreng die tot doel heeft om de gaten die deze leden nu al zien ontstaan, zoveel mogelijk preventief te dichten.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel tot introductie van een UBO-register. Zij vrezen dat het UBO-register in de voorliggende vorm te weinig handvaten biedt in de bestrijding van belastingontduiking, terrorismefinanciering en witwassen. De toelichting op het wetsvoorstel verzuimt voorts in te gaan op de Initiatiefwet van de leden Nijboer en Alkaya om een Centraal Aandeelhoudersregister in te stellen, hetgeen een completer instrumentarium zou opleveren. Zij vragen de regering hier nader op in te gaan. De leden van de PvdA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel voortvloeit uit een Europese richtlijn. In de uitwerking kunnen keuzes gemaakt worden die het instrument effectiever maken, zij vragen de regering deze keuzes nog eens zorgvuldig te overwegen.

ALGEMEEN

§ 1. Inleiding

De leden van de PVV-fractie vragen naar een overzicht van alle lidstaatopties en vragen deze leden of Nederland voornemens is hier gebruik van te maken. Zo ja, op welke wijze?

Verder merken de leden van de PVV-fractie op dat de implementatie van de verplichting tot het houden van een centraal register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten uiterlijk op 10 januari 2020 gerealiseerd dient te zijn. De leden van de PVV-fractie vragen of deze datum haalbaar is.

§ 2. Beschrijving internationaal kader en de richtlijn

De leden van de D66-fractie begrijpen dat Nederland een van de laatste lidstaten is die het UBO-register implementeert. Zij vragen de regering op welke punten Nederland andere keuzes maakt dan de andere lidstaten. Kan de regering hiervan een overzicht maken en aangeven waarom Nederland een andere keuze maakt? Wat zijn de geleerde lessen uit de ervaringen tot nog toe van andere lidstaten? Zijn er lidstaten die afwijkende keuzes maken op gebied van openbaarheid van gegevens en privacy?

§ 2.1 Aanbevelingen Financial Action Task Force

§ 2.2 Vierde anti-witwasrichtlijn

De leden van de CDA-fractie constateren dan in de strijd tegen witwassen en financiering van terrorisme de ontwikkelingen snel elkaar opvolgen. Het UBO-register is onderdeel van de vierde anti-witwasrichtlijn en de wijzigingsrichtlijn daarop. Zij vragen de regering of zij kunnen toelichten hoe de vijfde anti-witwasrichtlijn eruit ziet en of deze nog gevolgen zal gaan hebben voor het UBO-register.

§ 2.2.1 Inleiding

§ 2.2.2 Doel van de richtlijn

§ 2.2.3 Artikel 30 van de vierde anti-witwasrichtlijn

Gezien het doel van het UBO-register om te voorzien in een accuraat en toereikend register is het ook van belang dat er uniformiteit bestaat tussen de lidstaten ten aanzien van hun UBO-registers. De leden van de CDA-fractie vragen dan ook aan de regering hoe andere lidstaten de implementatie van het UBO-register regelen. Zij vragen in het bijzonder naar het UBO-register in Duitsland. Kent men daar dezelfde voorwaarden voor het UBO-register als in dit wetsvoorstel worden voorgesteld, zo vragen deze leden. Zijn er andere lidstaten die afwijken of van plan zijn af te wijken van artikel 30 van de vierde anti-witwasrichtlijn?

De leden van de SP-fractie constateren uit de MvT dat het eerste artikel van artikel 30 van de vierde anti-witwasrichtlijn de verplichting bevat voor lidstaten om te zorgen dat de binnen hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten toereikende, accurate en actuele informatie inwinnen en bijhouden over wie hun UBO’s zijn. Om de gevolgen van de wet goed te begrijpen, leggen deze leden de volgende situaties voor, waarop graag het commentaar van de regering.

  • Een bouwer van jachten in de haven van Rotterdam, geregistreerd als UBO-plichtige vennootschap in Nederland, krijgt een order van enkele miljoenen euro’s om een jacht te bouwen in opdracht van een juridische entiteit die buiten de EU gevestigd is. Begrijpen de leden van de SP-fractie het goed dat de bouwer van jachten zelf UBO-plichtig is, maar door deze wet niet verplicht wordt de UBO van de opdrachtgevende entiteit na te gaan? Zijn er andere wettelijke verplichtingen die deze bouwer van jachten heeft tot verifiëring van de UBO achter de entiteit van de transactie?

  • Het hiervoor genoemde jacht wordt betaald via een grote Nederlandse bank, waar de bouwer van jachten een rekening heeft. Heeft deze bank volgens het UBO-register de plicht de UBO van de entiteit die dit bedrag overmaakt, te verifiëren? Hoe verhoudt het UBO-register zich in deze context tot andere wettelijke verplichtingen aan poortwachters van ons financiële stelsel, zoals de reeds bestaande meldplicht als bedoeld in artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)? Wat zijn in deze context de gevolgen van het feit dat ervoor wordt gekozen Wwft-instellingen geen toegang tot de aanvullende UBO-informatie te geven, «gelet op de bescherming van de privacy van de UBO’s» (MvT, p. 15)?

  • Is deze jachtenbouwer UBO-plichtig in de haven van Rotterdam zich registreert op het Kanaaleiland Man, of een ander overzees gebied van de EU dat niet onder de UBO-plicht valt?

  • Een Oekraïense oligarch laat in Nederland via een stroman een vennootschap oprichten met het doel die onderdeel te laten zijn van een lange en complexe route via om geld uit Oekraïne belastingvrij weg te zetten en later weer opnieuw in het land te kunnen investeren. Is de in Nederland opgerichte vennootschap UBO-plichtig? Schendt de Oekraïense oligarch de meewerkverplichting als hij zichzelf niet opgeeft als UBO? Overtreedt de Nederlandse vennootschap de wet op het moment dat de UBO ervan niet opgegeven wordt, omdat die a) naar eigen zeggen niet te vinden is, b) naar eigen zeggen geen van de UBO’s het belang van 25% haalt, c) een minderjarige als UBO opgeeft of een ander persoon met een hoog risico, en op grond daarvan afmelding uit het UBO-register bedingt?

  • Een Tweede Kamerlid is eigenaar van een vastgoedportefeuille van 18 miljoen euro en richt een Stichting Administratie Kantoor (STAK) op om deze portefeuille «op afstand te zetten.» Is deze STAK UBO-plichtig? Is de STAK UBO-plichtig als die op een overzees deel van de EU wordt geregistreerd, zoals het Kanaaleiland Man? Zal de STAK een UBO vermelden op het moment dat geen van de ultimate beneficial owners een belang van 25% of meer heeft, of er een uitzondering van vermelding in het register is toegekend op basis van een hoog risico?

  • De Commanditaire Vennootschap (CV)-Besloten Venootschap is onder voorwaarden volgens Nederland in de VS belastingplichtig en volgens de VS in Nederland. De leden van de SP-fractie vragen of een dergelijke hybride mismatch ook kan ontstaan bij de opstelling van het UBO-register voor deze rechtsvorm of bij andere rechtsvormen, waardoor de UBO-plicht via een in meerdere landen geregistreerde rechtsvorm te ontlopen is.

Verder hebben de leden van de SP-fractie een vraag over het woord «opgerichte.» Betekent dit dat een vennootschap die niet in de EU is opgericht maar later juridisch naar Nederland wordt verplaatst, niet UBO-plichtig zou zijn? Welke mogelijkheden bestaan hiertoe?

De leden van de SP-fractie willen graag dat het percentage omlaag gaat. Welke hoogtes heeft de regering overwogen en wat waren daarvan de voor- en nadelen?

§ 2.2.4 Uitwerking van het begrip «uiteindelijk belanghebbende»

§ 2.2.5 Wijzigingen ten opzichte van het voormalige artikel 30

De leden van de PVV-fractie merken op dat één van de wijzigingen van artikel 30 het op termijn koppelen van de registers van de lidstaten betreft. De leden van de PVV-fractie vragen welke termijn hiermee wordt beoogd.

§ 2.2.6 Implementatietermijn

De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe andere lidstaten gevorderd zijn met de implementatie van het UBO-register. Zijn er signalen dat bepaalde lidstaten de implementatietermijn niet zullen halen?

§ 3. Inhoud wetsvoorstel

§ 3.1 Wijziging Handelsregisterwet 2007

§ 3.1.1 Inleiding

De leden van de D66-fractie begrijpen dat het UBO-register apart van het Centraal Aandeelhoudersregister wordt ingericht. Welke verschillen zijn er tussen deze twee registers en welke overeenkomsten? Waarom worden deze registers apart van elkaar ingericht? Zij constateren dat met het UBO-register er een veelvoud van verschillende type registers ontstaat. Hoe wordt geborgd dat ook voor kleine bedrijven duidelijk blijft welke gegevens waar geregistreerd moeten staan?

De leden van de D66-fractie vragen de regering op welke termijn de UBO-registers uit verschillende lidstaten direct aan elkaar worden gekoppeld. Betekent dit dat gegevens van Nederlandse UBO’s vrij toegankelijk worden voor alle bevoegde autoriteiten van alle lidstaten? Komt er bij een informatievraag uit een andere lidstaat een inhoudelijke of proces toets in Nederland? Zo ja, wie voert die toets uit en op basis van welke criteria?

De leden van de PvdA-fractie kunnen de keuze voor opname van de UBO in het handelsregister begrijpen. Er is momenteel geen vergelijkbaar register, zodat dit waarschijnlijk voor UBO registratie het meest voor de hand liggende register is. Zij vragen in hoeverre het handelsregister een geautomatiseerd register is, en hoe controle op fouten in het register verloopt. Voorts vragen zij hoe gegarandeerd wordt dat UBO’s niet door de Kamer van Koophandel (KvK) worden benaderd voor zaken die niets met hun registratie als UBO te maken hebben.

§ 3.1.2 Doel van het registreren van UBO-informatie

De leden van de PVV-fractie merken op dat door de openbaarheid van het register met UBO-informatie personen of organisaties beter geïnformeerd besluiten of zij zaken willen doen met de bijbehorende vennootschap of andere juridische entiteit. De leden van de PVV-fractie vragen welke gegevens aanleiding kunnen geven om de vennootschap of andere juridische entiteit niet te vertrouwen en vragen naar een voorbeeld hiervan.

Het UBO-register is gebaat bij volledigheid zo menen de leden van de CDA-fractie en zo lezen deze leden dat ook in de memorie van toelichting. Hoe beziet de regering opmerkingen vanuit de sector dat de fraudegevoeligheid van het UBO-register hoog is? In hoeverre bestaan er mogelijkheden voor diegenen die kwaad in de zin hebben om het UBO-register te ontwijken?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat overheden grote moeite hebben met het opsporen van financiële criminaliteit. Uit de verhoren van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies bleek dat verhulling van structuren een van de belangrijkste manieren is om vermogen aan het zicht van overheden te onttrekken. Er worden kerstbomen opgetuigd van binnen- en buitenlandse vennootschappen, die als doel hebben de achterliggers te verstoppen. Hoe meer schakels hoe effectiever. Het identificeren van een UBO wordt zo naast technisch ingewikkeld ook zeer tijdsintensief. Deze leden achten het voorliggende voorstel een welkome toevoeging aan de mogelijkheden om achterliggers te identificeren. Bij het opstellen van dit soort structuren zijn altijd adviseurs betrokken. Op welke wijze worden vermogensbeheerders, notarissen, belastingadviseurs enzovoorts mede verantwoordelijk gemaakt voor juiste registraties in het UBO-register? In hoeverre kunnen zij verantwoordelijk worden gehouden als zij een ondeugdelijke structuur hebben geadviseerd waarvan bovendien de UBO-registratie niet correct is?

§ 3.1.3 Definitie uiteindelijk belanghebbende

§ 3.1.4 Entiteiten waarvan UBO-informatie wordt geregistreerd

De leden van de VVD-fractie vragen zich af in hoeverre moskeeën in het kader van dit wetsvoorstel worden aangemerkt als kerkgenootschap. Uit eerdere stukken begrijpen zij dat moskeeën dikwijls ook opereren vanuit een stichting, vereniging of andere rechtspersoon. Welk regime is dan van toepassing op moskeeën? Hoe verhoudt de uitzondering van kerkgenootschappen zich tot de zorgen over moskeefinanciering, die zelfs aanleiding is voor een parlementair onderzoek? Welke risico’s ziet de regering bij de financiering van kerkgenootschappen en de bestemming van gelden van die genootschappen?

De leden van de VVD-fractie vragen zich af in hoeverre het uitsluiten van kerkgenootschappen de effectiviteit van de wet ondergraaft. Hoe wordt religieus terrorisme effectiever opgespoord en bestreden met dit wetsvoorstel als kerkgenootschappen een uitzondering hebben op de wet? Is er geen mogelijkheid om kerkgenootschappen wel onder de wet te laten vallen maar de religie zelf daarmee niet te beschrijven? Hoe verhoudt zich dit tot het streven in het regeerakkoord om de financieringsstromen van maatschappelijke en religieuze organisaties transparant te maken? Welke lessen kunnen getrokken worden uit het proces rond de Wet transparantie maatschappelijke organisaties? Hoe wordt voorkomen dat het oprichten van een kerkgenootschap of vergelijkbare organisatie een «uitvlucht» biedt wanneer kwaadwillenden aan terrorismefinanciering willen doen? Zeker gezien het feit dat de «transparantievereisten» na instelling van het UBO-register lichter zijn dan voor andere rechtsvormen. Biedt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geen uitzonderingsmogelijkheden waarbij «om redenen van zwaarwegend belang» alsnog tot registratie kan worden overgegaan, «met evenredigheid met het nagestreefde doel»? Waarom wordt ervan uitgegaan dat een UBO van een kerkgenootschap per definitie het nominale doel van het kerkgenootschap ondersteunt, zeker wanneer het kerkgenootschap feitelijk opgericht is om terrorismefinanciering te bevorderen of andere vormen van misbruik te plegen? De leden van de VVD-fractie vragen of extra onderzoek gedaan kan worden naar hoe kerkgenootschappen alsnog onder het UBO-register zouden kunnen vallen.

De leden van de PVV-fractie merken op dat kerkgenootschappen uitgezonderd zijn van de registratieverplichting. De leden van de PVV-fractie willen weten of het klopt dat moskeeën ook als kerkgenootschap geregistreerd kunnen zijn en zo ja, om hoeveel moskeeën het hier gaat.

Tevens willen de leden van de PVV-fractie weten of er geen sprake is van een verhoogd risico op witwassen of financieren van terrorisme, zeker als bekend is dat er sommige moskeeën als kerkgenootschap geregistreerd staan.

De leden van de CDA-fractie constateren dat het wetsvoorstel vrijwel alle juridische entiteiten verplicht tot het opgeven van UBO-informatie voor in het register. Daarmee is er gekozen voor een grote reikwijdte, zo menen de leden van de CDA-fractie. Kan de regering aangeven of er in geen geval een uitzondering mogelijk is voor entiteiten die geen uiteindelijk belanghebbende hebben? Hoe ziet de regering de klachten van onder meer de algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) ten aanzien van dit wetsvoorstel? Kan de regering met enkele voorbeelden aangeven wie bij een ANBI de uiteindelijk belanghebbende is, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zo vragen zij de regering wie er bijvoorbeeld de UBO is van een organisatie als het Koningin Wilhelmina Fonds voor de Nederlandse Kankerbestrijding KWF? Of een sportclub als Ajax of PSV? In zijn algemeenheid vragen de leden van de CDA-fractie wie er UBO is van een vereniging? Is het niet zo dat alle leden gezamenlijk de uiteindelijke belanghebbenden zijn in een vereniging, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie of de regering kan reageren op het voorstel van onder meer de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) dat een bij de registratie van een UBO van een ANBI de notitie kan worden opgenomen dat het niet de daadwerkelijk belanghebbende is? Acht de regering dit een goed idee? Zo nee, waarom niet?

Kan de regering ingaan op welke gevolgen dit wetsvoorstel heeft voor de familiebedrijven in Nederland, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Is het voor deze groep een proportioneel wetsvoorstel en is het wenselijk dat veel informatie van UBO’s van familiebedrijven openbaar toegankelijk zijn?

De leden van de PvdA-fractie merken met betrekking tot beursgenoteerde vennootschappen op dat aan de naamstelling van met name dochtervennootschappen niet altijd duidelijk is te zien welke beursgenoteerde vennootschap de uiteindelijke moeder is. Ook beursgenoteerde vennootschappen zijn vatbaar voor constructies die leiden tot corruptie, witwassen of belastingontduiking, vaak zonder medeweten van het hoofdkantoor. Ook voldoen dochtervennootschappen van beursgenoteerde bedrijven niet altijd aan hun deponeringsverplichtingen. Dit alles beziend achten de leden van de PvdA-fractie het nuttig als dochtervennootschappen hun uiteindelijke beursgenoteerde moeder als UBO te registreren. Zij vragen de regering het wetsvoorstel op dit punt nader te motiveren en aan te passen. Voorts vragen zij wat de registratieverplichtingen zijn voor meerderheids-, maar niet 100% dochters, alsmede joint ventures.

§ 3.1.5 De in het handelsregister op te nemen UBO-informatie

De leden van de PVV-fractie willen weten hoe er voorkomen zal worden dat er foute informatie in het UBO-register terechtkomt. Hoe zal de foute informatie eruit worden gefilterd als deze eenmaal in het UBO-register terecht is gekomen?

De leden van de D66-fractie lezen dat de regering ervoor kiest om meer gegevens op te nemen in het UBO-register, bovenop de gegevens die vanuit de richtlijn opgenomen moeten worden. Kan de regering voor deze extra gegevens afzonderlijk aangeven wat nut en noodzaak is en hoe dit proportioneel is? Kan de regering aangeven waarom ervoor gekozen wordt om niet de gehele geboortedatum op te nemen in de openbare of niet-openbare informatie?

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in te gaan op de kritiek dat het UBO-register de «goeden» registreert, en de «kwaden» buiten schot laat. Deze kritiek is gestoeld op het feit dat de entiteit en de UBO zelf verantwoordelijk zijn voor registratie. Kwaadwillenden zullen dit dan niet doen. Op welke wijze wordt dit probleem ondervangen? Hoe wordt correctheid van registraties voorkomen? Hoe wordt voorkomen dat katvangers worden ingezet? Zijn er automatische herkenningsmethodes om bijvoorbeeld te registeren dat iemand van een onrealistisch aantal entiteiten UBO is? Wordt gecontroleerd of een entiteit überhaupt een UBO heeft geregistreerd? Is de regering bereid steekproefsgewijs, al dan niet risicogericht, correctheid van het register te controleren?

§ 3.1.6 Toegang tot de UBO-informatie

§ 3.1.6.1 Algemeen

§ 3.1.6.2 Beperkte en volledige toegang

Het verbaast de leden van de VVD-fractie zeer dat poortwachters in de financiële sector dezelfde gelimiteerde toegang tot gegevens krijgen als het brede publiek. Deze poortwachters verrichten hun werkzaamheden mede in het publiek belang en verdienen daarbij medewerking van de overheid. Dat geldt in het bijzonder voor de Nederlandse banken, waarmee een formele publiek-private samenwerking op het gebied van customer due diligence en transactiemonitoring in het verschiet lijkt te liggen en waarmee nu al informeel allerlei samenwerkingsvormen lopen. Voor het adequaat verrichten van hun Wwft-taken hebben deze instellingen bijvoorbeeld behoefte aan burgerservicenummers (BSN’s) en volledige geboortedata, maar zouden ook toegang willen hebben tot de basisregistratie personen. Kan de regering hierop een toelichting geven, ook in het licht van naderende initiatieven van de ministers van Financiën en Justitie & Veiligheid? Is de regering bereid bij nota van wijziging de mogelijkheid van een partnerprogramma in te voegen, waardoor gekwalificeerde poortwachters extra informatie kunnen krijgen?

De leden van de CDA-fractie constateren dat meldingsplichtige instellingen geen toegang zullen krijgen tot de aanvullende informatie in het UBO-register zoals geboortedag en BSN. De motivatie hiervoor is privacybelang en het diverse karakter van de meldingsplichtige instellingen, zo lezen de leden van de CDA-fractie. Deze leden vragen de regering of zij het wenselijk acht dat banken nu geen toegang krijgen tot enige vorm van aanvullende informatie zoals geboortedag en deze alsnog zelf moeten gaan bijhouden? Is de regering bereid te overwegen enkel banken aanvullende toegang te geven tot informatie zoals de geboortedag of het BSN in het UBO-register, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Indien de regering hiertoe niet bereid is vragen de leden van de CDA-fractie waarom niet en in het bijzonder of hier een juridische barrière aan ten grondslag ligt. Is het wetstechnisch niet mogelijk om een verder onderscheid te maken dan enkel het zwart-witte onderscheid «meldingsplichtige instelling in de zin van de Wwft» en «anderen»?

De leden van de SP-fractie constateren dat in het UBO-register geen geldbedragen zullen staan. Deze leden vragen de regering of de bevoegde autoriteiten (zoals Belastingdienst en de FIOD) beschikking hebben over andere middelen om een indicatie te krijgen van het totale vermogen onder een UBO-plichtige entiteit, of van één enkele UBO, van verschillende entiteiten.

§ 3.1.6.3 Afscherming van informatie

De leden van de VVD-fractie lezen dat afscherming van UBO-informatie volgens de richtlijn slechts aan de orde kan zijn «in uitzonderlijke omstandigheden», na «gedetailleerde beoordeling» en in gevallen van een onevenredig risico op ontvoering, afpersing en dergelijke. Kan de regering hiervan voorbeelden geven? Het komt deze leden voor dat dergelijke omstandigheden pas kunnen worden aangetoond als er eenmaal concrete dreigingen zijn en nadat de UBO-informatie is verspreid. Afscherming treft dan geen doel meer. Onderschrijft de regering die interpretatie?

De leden van de PVV-fractie merken op dat de UBO een verzoek tot afscherming van zijn UBO-informatie in kan dienen bij de KvK. De leden van de PVV-fractie willen weten of de KvK eventuele massale bezwaren aankan. Hoe zal de KvK omgaan met veel vragen en complexe administratie?

De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de mogelijke afscherming van gegevens van een UBO in het register, het economische belang niet zal worden afgeschermd omdat dit gegeven niet direct herleidbaar is tot een natuurlijk persoon. De leden van de CDA-fractie stellen dat indien er sprake is van het afschermen van gegevens van een UBO het meestal gaat om ernstige (veiligheids)risico’s voor de UBO. Deze leden vragen de regering waarom er dan toch wordt gekozen voor het inzichtelijk houden van het economische belang van een UBO. Is het niet ook een risico dat informatie indirect kan leiden tot een natuurlijk persoon zo vragen zij de regering? Wat is de meerwaarde van het behouden van de inzichtelijkheid van het economische belang van de UBO in het geval de rest wordt afgeschermd, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Omdat de UBO zal moeten aantonen dat een situatie zoals een risico op fraude, ontvoering of chantage aan de orde is, vragen de leden van de CDA-fractie hoe een UBO dat afdoende kan aantonen. Zal hiervoor een aangifte voldoende zijn of moet er bijvoorbeeld sprake zijn van een onderzoek van de politie?

De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 30 negende lid van de anti-witwasrichtlijn het mogelijk maakt om informatie van een UBO af te schermen indien de UBO minderjarig is. De leden van de CDA-fractie achten dit wenselijk. Zij vragen de regering waarom een minderjarige UBO niet standaard zal worden afgeschermd. Bij het invoeren van de gegevens zal uit de geboortedatum blijken of een UBO minderjarig is of niet, waarna het systeem automatisch de minderjarige UBO kan afschermen, zo menen de leden van de CDA-fractie. Kan de regering daarop reageren?

De leden van de D66-fractie lezen dat een UBO een verzoek tot afscherming kan indienen wanneer er, onder meer, sprake is van blootstelling van een onevenredig risico, risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterij, geweld of intimidatie. Op welke manier kan een UBO dit aantonen? Welke criteria gelden er voor een onevenredig risico? Waarom is de regering van mening dat de KvK het beste geëquipeerd is om hierover te beslissen? Welke andere opties heeft de regering hiervoor overwogen en waarom is niet voor die opties gekozen? Is er overwogen om deze beslissingsbevoegdheid neer te leggen bij een onafhankelijke rechter? Kan de regering aangeven welke maatregelen er zijn getroffen om privacy bij de KvK te garanderen sinds de KvK telefoonnummers van bij hen geregistreerden doorverkocht? De KvK heeft voor het Handelsregister de verplichting om alle informatie te verstrekken aan eenieder die dat wenst. Geldt deze verplichting straks ook voor het UBO-register? Hoe garandeert de regering dat met UBO-gegevens zorgvuldiger wordt omgegaan?

De leden van de SP-fractie lezen op pagina 17 van de MvT dat het wenselijk is dat de UBO-informatie niet openbaar is indien de UBO een bezwaar indient tot afscherming van informatie, gedurende de hele looptijd van dit bezwaar en eventueel beroep hiertegen. Deze leden vragen de regering of die kan verklaren waarom uit een aantal position papers van insprekende partijen het beeld ontstaat dat deze informatie gedurende het indienen en afhandelen van het bezwaar, toch openbaar zou zijn.

De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen dat de voorgenomen uitzondering op de toegang tot UBO-gegevens in het Handelsregisterbesluit ertoe leidt dat de effectiviteit van het register enorm afneemt. Hoe wordt geborgd dat niet iedere natuurlijk persoon in de praktijk een uitzondering bedingt? Waar is de assumptie op gebaseerd dat personen in het register onevenredig risico lopen? Voorts vrezen deze leden dat het werk van journalisten en onderzoekers onnodig wordt tegengewerkt indien het UBO-register voor hen louter onbruikbare gegevens bevat. Zij verzoeken de regering nog eens zorgvuldig te overwegen onder welke omstandigheden UBO-gegevens beperkt toegankelijk worden gemaakt. Voorts verzoeken zij de wijzigingen in het Besluit voor te leggen aan de Kamer alvorens tot wijziging wordt overgegaan.

§ 3.1.6.4 Betaling van een vergoeding en registratie van afnemers

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de bestaande KvK-accounts voldoende duidelijkheid bieden over wie UBO-informatie opvraagt. Wordt die informatie gebruikt voor criminele doeleinden, dan vergt opsporing en vervolging dat die identiteit ondubbelzinnig wordt vastgesteld. Is overwogen de toegang te binden aan unieke identificatie, bijvoorbeeld via het DigiD? Waarom is daarvoor niet gekozen? Zijn parallellen gezocht bij andere registers, zoals de basisregistratie personen, de kentekenregistratie van de RDW of medische gegevens?

De leden van de D66-fractie lezen dat toegang gegeven wordt via een betaalmuur en registratie van afnemers. Zij lezen voorts dat er abonnementen beschikbaar zijn voor levering van gegevens of mutaties van openbare informatie. Hoe ziet zo’n abonnement er in praktijk uit? Kan een particuliere afnemer ook vragen om datasets met alle openbare gegevens van alle UBO’s in een bepaalde sector, om alle UBO’s die een belang hebben in de hoogste bandbreedte, of op alle bedrijven waar een individuele UBO een belang heeft?

Hoe waardeert de regering het risico zoals door Transparency International en de Open State Foundation is verwoord, dat er achterhaalde schaduw-datasets ontstaan die door commerciële partijen worden samengesteld? Kan de regering voorts reflecteren op de gevolgen van registratie van afnemers voor onafhankelijke onderzoeksjournalistiek?

§ 3.1.6.5 Toegang Financiële inlichtingen eenheid en bevoegde autoriteiten

De leden van de D66-fractie begrijpen dat gekozen wordt voor verschillende regimes, waarbij alleen die gegevens openbaar toegankelijk zijn waar dit verplicht is vanuit de richtlijn. Deze leden lezen dat bevoegde autoriteiten wel toegang krijgen tot alle gegevens uit het UBO-register. Hoe wordt bijgehouden welke medewerkers toegang hebben gevraagd tot het UBO-register en of dit noodzakelijk en proportioneel was? Hoe wordt daarbij bepaald of deze toegang proportioneel was?

De aan het woord zijnde leden vragen voorts of de regering zo precies mogelijk kan aangeven wat de Financiële inlichtingen eenheid en de bevoegde autoriteiten nu niet kunnen en straks met de UBO-gegevens wel, en hoe dit precies bijdraagt aan de opsporing van financiering van terrorisme en witwassen. Kan de regering per bevoegde autoriteit aangeven waarom de toegang tot UBO-informatie noodzakelijk is om dat doel te bereiken en ook proportioneel is met oog op dat doel? Kan de regering voorts het voorstel van Nederlandse Vereniging van Banken waarderen om financiële instellingen ook inzicht te geven in het UBO register?

§ 3.1.6.6 Terugmeldplicht voor bevoegde autoriteiten

De leden van de D66-fractie lezen dat er een terugmeldplicht bestaat voor verschillende entiteiten. Waarom geldt voor Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) niet de terugmeldplicht?

§ 3.2 Wijziging Wwft

De leden van de SP-fractie vragen of het UBO-register in deze vorm aanleiding zou geven tot een verzwaring van de strafmaat in het geval van de falende controle van de ING op witwassen, in de zaak waarvoor met de bank geschikt is voor 775 miljoen euro.

De leden van de SP-fractie vragen of het UBO-register in deze vorm aanleiding zou geven tot een verzwaring van de strafmaat in het geval van de zaak Troika Laundromat.

§ 3.2.1 Inleiding

§ 3.2.2 UBO-definitie

De leden van de VVD-fractie lezen dat bij ANBI’s, in afwezigheid van een daadwerkelijke UBO, de directeur of bestuurder aangemerkt zal worden als UBO. De regering geeft hierbij aan dat geen verschil gemaakt kan worden tussen juridische entiteiten die wel of niet een algemeen nut beogen. Aldus ontstaat een systeem met «pseudo-UBO’s», van wie de onjuiste indruk kan ontstaan dat zij persoonlijk zeer vermogend zijn. Is de regering bereid deze groep apart en herkenbaar te administreren?

De leden van de D66-fractie lezen dat de regering in lijn met de motie Schouten van mening is dat ANBI’s geen UBO kennen. Desalniettemin moeten ANBI’s wel een UBO opgeven wanneer zij de vorm hebben van een vennootschap of een andere juridische entiteit. Is de regering van mening dat dit ook wenselijk was geweest wanneer dit niet voortvloeide uit de richtlijn? Welke andere oplossingen heeft de regering overwogen zodat ANBI’s niet een fictieve UBO hoeven op te geven? Waarom is niet voor deze optie gekozen? Acht de regering het mogelijk en wenselijk om voor ANBI’s uit te gaan van hetzelfde regime als voor een UBO met een hoger risico, zonder openbare vermelding van persoonsgegevens? De aan het woord zijnde leden vragen de regering voorts een nadere onderbouwing voor de percentagegroepen. Waarom is er voor vier groepen gekozen en niet voor bijvoorbeeld meer of minder dan 50%?

§ 3.2.3 Verplichting voor vennootschappen en andere juridische entiteiten

De leden van de CDA-fractie lezen dat dat vrijwel alle juridische entiteiten verplicht zullen worden tot het bijhouden van UBO-informatie. Hoe beoordeelt de regering de gevolgen die dat zal hebben voor ondernemers waarvan veel informatie nu publiekelijk toegankelijk zal worden? In hoeverre is er een subsidiariteitstoets uitgevoerd op dit wetsvoorstel zo vragen de leden van de CDA-fractie?

§ 3.2.4 Meewerkverplichting uiteindelijk belanghebbende

§ 3.2.5 Terugmeldplicht

De leden van de CDA-fractie vragen naar de ratio achter het feit dat de verplichting voor het melden van ontdekte discrepanties niet geldt voor de FIU-Nederland. Ook vragen de leden van de CDA-fractie naar de mogelijkheid dat natuurlijke personen die ook als meldingsplichtige instelling worden aangemeld weg zullen blijven uit het UBO-register vanuit de vrees dat zij beboet zullen worden indien zij discrepanties niet melden. Heeft de regering hier signalen over ontvangen, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

§ 3.2.6 Wwft-instellingen en UBO-onderzoek

De leden van de VVD-fractie vragen de regering te reflecteren op het pleidooi van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie om naast het UBO-register ook een (verplicht) centraal aandeelhoudersregister aan te houden. Is zo’n register, met mogelijke dubbelingen, wenselijk? Zouden beide registers op een of andere wijze kunnen worden gecombineerd of zijn ze apart van elkaar waardevoller?

§ 4. Rechtsbescherming

§ 5. Handhaving

§ 6. Bescherming persoonsgegevens

De leden van de VVD-fractie memoreren dat tijdens de rondetafelbijeenkomst over dit wetsvoorstel de mogelijke strijdigheid met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Verdrag van Lissabon aan de orde is gekomen. Op dit punt werd een vergelijking gemaakt met de uitspraak over de Dataretentierichtlijn (EHvJ 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15). Kan de regering hierop reageren? Is het denkbaar dat de onderhavige richtlijn op grond van de persoonlijke levenssfeer ingetrokken zou kunnen worden? Deze bezwaren klemmen in de ogen van de VVD-fractie des te meer omdat openbaarheid van het register voor een breed publiek geen doelbinding heeft.

De leden van de CDA-fractie constateren dat kerkgenootschappen zijn uitgezonderd van UBO-registratieverplichtingen omdat de centrale registratie van natuurlijke personen als UBO van een kerkgenootschap in een openbaar register een indirecte registratie door de overheid is van religie. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of dit niet ook geldt voor andere stichtingen of verenigingen waaruit blijkt wat iemands geloofsovertuiging is? Hoe wordt bepaald dat er sprake is van een indirecte registratie? Is de overtuiging van de UBO van bijvoorbeeld een Joodse of Christelijke koepelvereniging of -stichting niet ook indirect af te leiden uit het zijn of haar UBO-status? Acht de regering dit wenselijk, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de positie van de European Data Protection Supervisor, dat het opnemen van UBO-gegevens niet in lijn is met het EU-recht en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Kan de regering hier haar waardering over geven?

§ 6.1 Verwerking persoonsgegevens

§ 6.2 Verplichte openbaarheid

§ 6.3 Afscherming van gegevens

§ 6.4 Algemene verordening gegevensbescherming

§ 6.5 Advies Autoriteit Persoonsgegevens

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft in haar advies aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen zo constateren de leden van de CDA-fractie. In het rondetafelgesprek van 22 mei jl. over het wetsvoorstel gaf de Autoriteit Persoonsgegevens aan dat zij onder meer geadviseerd heeft over het wetsvoorstel voor een centraal aandeelhoudersregister en dat dit advies ook betrekking heeft op het UBO-register. De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reageren op dat advies van de Autoriteit Persoonsgegevens in het licht van onderhavig wetsvoorstel.

§ 7. Uitvoering en handhaving

De leden van de D66-fractie lezen dat entiteiten achtien maanden de tijd krijgen om hun informatie aan te leveren. Hoe worden zij ervan op de hoogte gebracht dat zij dit moeten doen en op welke manier?

§ 8. Financiële gevolgen en regeldruk

§ 8.1 Kosten die voortvloeien uit informatieverplichtingen

De leden van de VVD-fractie vragen een toelichting op de door de regering gehanteerde uurtarieven. Kan de regering ook maar één voorbeeld geven van een Nederlandse belastingadviseur of accountant die ingezet kan worden tegen een uurtarief van € 60 per uur? Zo niet, waarom worden dergelijke bedragen dan gehanteerd in het Handboek Meten Regeldruk?

§ 8.2 Kosten rijksoverheid en bestuurslasten

De leden van de CDA-fractie constateren dat er vanwege de omvang van het project gevraagd is om advies aan het Bureau ICT-toetsing (BIT). Daarom vragen de leden van de CDA-fractie hoe er is geadviseerd door het BIT.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie vragen hoe de jaarlijkse kosten voor het Bureau Economische Handhaving voor de handhaving van de verplichting tot het opgeven en inschrijven van UBO-informatie precies tot stand zijn gekomen? Kunnen deze kosten worden uitgesplitst? Wat gebeurt er als de opgave complexer blijkt te zijn dan van tevoren verwacht en het Bureau Economische Handhaving hogere kosten zal maken, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

§ 9. Consultatie

§ 9.1 Consultatie

De leden van de VVD-fractie lezen in de Uitvoeringstoets van de Belastingdienst dat zij hebben bemerkt dat handhaving beperkt effectief zal zijn en het voorstel fraudegevoelig is. In hoeverre is de aanname van de Belastingdienst dat UBO’s een prikkel hebben om uit te wijken naar rechtsfiguren die niet onder de verplichting vallen aannemelijk?

§ 9.2 Definitie UBO

§ 9.3 Entiteiten

§ 9.4 Op te nemen UBO-informatie

§ 9.5 Openbaarheid en privacy

De leden van de CDA-fractie lezen dat in de opinie van de European Data Protection Supervisor vraagtekens worden geplaatst bij de evenredigheid van het UBO-register zoals bedoeld in de anti-witwasrichtlijn. Er wordt gesteld dat er sprake is van een inbreuk op het doelbeginsel van gegevensbescherming, zo lezen de leden van de CDA-fractie. Dit heeft niet geleid tot een aanpassing van het wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of er signalen bekend zijn dat er rechtszaken worden voorbereid tegen het UBO-register in één van de Europese lidstaten? In hoeverre is het waarschijnlijk dat de vierde anti-witwasrichtlijn onderdeel wordt van een rechtszaak waar men stelt dat er sprake is van een inbreuk op de AVG of artikel 8 van het EVRM, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

§ 9.7 Handhaving

§ 9.6 Terugmeldplicht

§ 9.8 Lastenverzwaring

§ 10. Transponeringstabel

ARTIKELSGEWIJS

ARTIKEL III en IV

De leden van de VVD-fractie lezen in de voorgestelde artikelen 2:289 BW en 2:51 BW BES de verplichting om het register «regelmatig» bij te houden. Waarom is gekozen voor deze weinig specifieke bepaling? Had het niet meer voor de hand gelegen hier op te nemen dat het register voortdurend op orde moet zijn?

BIJLAGE: Uitvoeringstoets UBO-register

In haar Uitvoeringstoets noemt de Belastingdienst het wetsvoorstel «uitvoerbaar, echter in de handhaving naar verwachting beperkt effectief.» De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe die de belangrijkste bezwaren van de Belastingdienst meent te ondervangen, zijnde:

  • het zal in de praktijk ingewikkeld en zelfs onmogelijk blijken om relevante informatie uit het buitenland te krijgen;

  • niet in alle gevallen zal het mogelijk blijken door te dringen in bewust opgezette niet-transparante constructies, waardoor de vraag blijft of de ultimate beneficial owner wel of niet in beeld is;

  • doordat de verplichting alleen geldt voor de in het voorstel genoemde rechtsvormen ontstaat een prikkel ui te wijken naar rechtsfiguren die niet onder de verplichting vallen.

In deze context vragen de leden van de SP-fractie mede welke toets er gegeven zal worden aan de vraag of UBO betrouwbaar is en of er geen gebruik gemaakt wordt van een stroman.

Ook vragen de leden van de SP-fractie of er sinds de vorige consultatieperiode een antwoord is gevonden op het gebruik van het Fonds voor Gemene Rekening om de UBO-plicht te ontlopen. De leden van de SP-fractie vragen hoeveel Fondsen voor Gemene Rekening er sinds de aankondiging van het UBO-register (2017) zijn opgericht, en hoeveel van deze fondsen er nu in Nederland staan geregistreerd.

De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij het goed begrijpen dat registratie in het UBO-register feitelijk en geheel legaal te voorkomen is door als uiteindelijk belanghebbende van een vennootschap minstens vijf personen te registeren met een aandeel van minder dan 25%. Deze leden vragen de regering welke gevolgen dit kan hebben voor de effectiviteit van het UBO-register om de meest vermogende UBO’s in kaart brengen die gebruik maken van het Nederlandse financiële systeem.

BIJLAGE: Advies Autoriteit Persoonsgegevens

OVERIG

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de richtlijn in andere landen wordt geïmplementeerd. Welke keuzes maken andere EU-landen in het al dan niet openstellen van het UBO-register en hoe verhouden die keuzes zich tot Nederland.

De leden van de SP-fractie maken in deze context graag van de gelegenheid gebruik, te vragen naar het resultaat tot nu toe van eerdere wetsvoorstellen met hetzelfde doel. Deze leden vinden een UBO-register in de huidige vorm beter dan geen UBO, maar willen niet de illusie koesteren dat het UBO-register in deze vorm effect gaat hebben wanneer eerdere wetswijzigingen van dezelfde strekking in de praktijk weinig effect hebben opgeleverd.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel sancties er zijn opgelegd aan juridische entiteiten en natuurlijke personen als gevolg van het overtreden van artikel 17a van de Wet Toezicht Trustkantoren, voortvloeiend uit het amendement van het lid Leijten1, waarin is bepaald dat het een trustkantoor met zetel in Nederland verboden is om trustdiensten te verlenen indien hierbij verboden structuren betrokken zijn.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel nieuwe agressieve constructies er tot nu toe gemeld zijn, als gevolg van de meldplicht hiervan die is opgenomen in de Wet Toezicht Trustkantoren.

De leden van de SP-fractie vragen welke uitvoering er deze zin is gegeven aan de motie Leijten c.s.2, die de regering verzoekt in de uitwerking van het UBO-register onmogelijk te maken dat personeel van een trustkantoor gebruikt kan worden om de uiteindelijke belanghebbende uit het zicht van de fiscus of justitie te houden.

De leden van de SP-fractie suggereren een toepassing van artikel 17a uit de Wet Toezicht Trustkantoren 2018 in het UBO-register, met als doel dat structuren die kwetsbaar zijn voor misbruik en/of anonimiserend werken, alleen toegang krijgen tot financiële dienstverlening in Nederland indien zij zelf hun UBO correct en overtuigend vaststellen. Deze leden suggereren dat beperkingen in de huidige vormgeving van het UBO-register, als het ontbreken van deze plicht buiten de EU en het ontbreken van deze plicht bij een belang van minder dan 25%, niet bepalend mogen zijn om zonder opgave van UBO toch financiële diensten aan genoemde structuren te leveren. Graag krijgen zij hierop een duidelijke reactie omdat de leden een amendement overwegen op dit onderwerp.

De leden van de SP-fractie vragen het commentaar van de regering op de breed gedeelde constatering in de hoorzitting, dat een UBO-register in de praktijk veel beter zou werken in combinatie met een Centraal Aandeelhoudersregister.

De leden van de SP-fractie maken graag van de mogelijkheid gebruik de regering te vragen of en wanneer zij voornemens is de Kamer te informeren over het centraal aandeelhoudersregister.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de mening van deze leden deelt dat bij het opstellen van wetgeving die tot doel heeft belastingontwijking en misbruik van het financiële stelsel aan te pakken, de voornaamste tegenkrachten tegen die wetgeving bestaan uit de lobby hen van de bestaande constructies hun verdienmodel hebben gemaakt. Deze leden vragen de regering of die, gezien de ernst van de omvang waarmee Nederland belastingontwijking en witwassen faciliteert, bereid is om bij het opstellen van dit wetsvoorstel deze lobby eens wat minder invloed te geven.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de toelichting op het wetsvoorstel verzuimt in te gaan op de initiatiefwet Nijboer/Alkaya aangaande het instellen van een centraal aandeelhoudersregister De leden van de PvdA-fractie stellen dat wetsvoorstel complementair en een noodzakelijke toevoeging is aan het UBO-register. Zij vragen de regering op de volgende punten in te gaan:

Kan de regering ingaan op de opmerkingen van de Financial Intelligence Unit en de FIOD dat zij de combinatie van beide registers zeer wenselijk vinden? Kan de regering bevestigen dat een aandeelhoudersregister een aanvullend beeld van een structuur biedt, omdat ook tussenliggende schakels worden geïdentificeerd? Deelt de regering de analyse dat het centraal aandeelhoudersregister veel minder vatbaar is voor fouten, nu wijzigingen worden geregistreerd door notarissen, en aandelen aan toonder vrijwel niet meer voorkomen? Kan de regering voorts haar analyse geven op de opmerkingen van Authoriteit Persoonsgegevens over de privacyaspecten van het centraal aandeelhoudersregister, en daarbij haar eigen overwegingen in dit wetsvoorstel betrekken?


X Noot
1

Kamerstukken II, vergaderjaar 2017–2018, 34 910, nr. 14.

X Noot
2

Kamerstukken II, vergaderjaar 2017–2018, 34 808, nr. 14.