Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935175 nr. 4

35 175 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht

Nr. 4 NADER RAPPORT1

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt / uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State)

Hieronder is opgenomen het nader rapport d.d. 26 maart 2019, aangeboden aan de Koning door de Minister voor Rechtsbescherming.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 15 maart 2019, nr. 2019000527, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 20 maart 2019, nr. W16.19.0071/II, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

De redactionele opmerking van de Afdeling advisering van de Raad van State is niet overgenomen. De Raad van State adviseert om artikel 88, tweede lid, uit te uitzonderen van de overeenkomstige toepassing zoals bepaald in het voorgestelde artikel 279, zesde lid, omdat deze bepaling van bewijsrecht minder goed past in verzoekschriftprocedures. In reactie hierop wordt opgemerkt dat met de tenzij-clausule («tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet») in het voorgestelde artikel 279, zesde lid, voor verzoekschriftprocedures al wordt voorzien in het uitzonderen van de bepalingen over de mondelinge behandeling, waaronder de bepaling over de beperkte bewijskracht van een partijverklaring in artikel 88, tweede lid. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in de artikelen 164, tweede lid, en 179, vierde lid. Op grond van artikel 284, eerste lid, zijn deze bepalingen als onderdeel van het bewijsrecht ook in verzoekschriftprocedures van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Het ligt daarom niet in de rede om in het voorgestelde artikel 279, zesde lid, af te wijken van artikel 284, eerste lid.

Aan het wetsvoorstel is in artikel II onderdeel A toegevoegd. Het betreft een technische wijziging in het artikel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat ziet op de procedure voor de Netherlands Commercial Court. Daarin staat een verwijzing naar een artikel uit Rv dat niet in werking is getreden; het wordt vervangen door het gelijkluidende, wel van toepassing zijnde artikel in Rv.

Verder is in de wijzigingsopdracht in de aanhef van artikel II van het wetsvoorstel een foutieve verwijzing naar een inwerkingtredingsbesluit vervangen door de juiste verwijzing.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer