Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935106-(R2115) nr. 2

35 106 (R2115) Wijziging van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid in verband met enkele aanpassingen

Nr. 2 VOORSTEL VAN RIJKSWET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid op enkele onderdelen te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties» vervangen door «Onze Minister van Justitie en Veiligheid van Nederland».

2. In het eerste lid vervalt onderdeel b. De onderdelen c tot en met s worden verletterd tot b tot en met r.

3. In de aanhef van het tweede lid, wordt «het eerste lid, onderdeel f» vervangen door «het eerste lid, onderdeel e».

B

Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na «De raad kent» ingevoegd «minimaal drie en maximaal».

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Buitengewone leden kunnen op verzoek of uit eigen beweging deelnemen aan beraadslagingen van de raad, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

3. In het vierde lid wordt «, 65 en 71.» vervangen door «en 65.».

C

Artikel 7 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het vierde lid vervalt.

2. Het vijfde tot en met achtste lid worden vernummerd tot vierde tot en met zevende lid.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt «vier jaar» vervangen door «zes jaar».

4. In het zevende lid (nieuw) wordt «zevende lid» vervangen door «zesde lid»

D

In artikel 9 wordt na «regels gesteld omtrent» ingevoegd «de rechtspositie en».

E

Artikel 11 wordt gewijzigd als volgt:

1. In artikel 11, vierde lid, vervalt de laatste volzin.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Onder medewerker van het bureau wordt mede begrepen degene die anders dan krachtens een aanstelling werkzaam is bij het bureau en is belast met werkzaamheden ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 4.

F

In artikel 13, eerste lid, wordt «genoemd in artikel 11, tweede lid» vervangen door «met uitzondering van de medewerkers, bedoeld in artikel 11, zesde lid».

G

In artikel 14, derde lid, wordt «Onze Minister van Justitie» vervangen door «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties».

H

In artikel 19, eerste lid, wordt «het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties» vervangen door «het Ministerie van Justitie en Veiligheid».

I

Artikel 32 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de eerste volzin vervalt «en artikel 69, vierde lid,».

2. De zinsnede «voor zover als onderzoeker bij hun aanstelling aangewezen,» wordt vervangen door «belast met het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 4, de algemeen secretaris,».

J

In artikel 40, tweede lid, wordt «Onze Minister van Justitie» vervangen door «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties».

K

In artikel 48, tweede lid, onderdeel d, wordt «Onze Minister van Justitie» vervangen door «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties».

L

In artikel 57, eerste lid, onderdeel d, wordt «paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens» vervangen door «de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming».

M

Artikel 69 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onder vervanging van de punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel f, door een komma wordt een zinsdeel toegevoegd luidende «of in opdracht van de Raad door derden opgestelde documenten».

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De raad, de medewerkers van het bureau, de algemeen secretaris en de op grond van artikel 14, eerste lid, aangewezen deskundigen worden ter zake van een onderzoek waarbij zij betrokken zijn of zijn geweest, niet als getuige of deskundige opgeroepen.

N

Artikel 70 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de aanhef wordt de zinsnede «en de overige onderzoekers» vervangen door «en de op grond van artikel 14, eerste lid, aangewezen deskundigen».

2. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. de artikelen 2:132 tot en met 2:135 en 2:137 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba;

3. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. de artikelen 2:132 tot en met 2:135 en 2:137 van het Wetboek van Curaçao;

4. Onderdeel e komt te luiden:

  • e. de artikelen 2:132 tot en met 2:135 en 2:137 van het Wetboek van Sint Maarten.

O

Aan artikel 73 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien op een aanbeveling artikel 18 van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG (PbEU 2010, L 295) van toepassing is, bepaalt het bestuursorgaan waartoe de aanbeveling zich richt, binnen 90 dagen na de dag waarop het betrokken rapport is vastgesteld, zijn standpunt daaromtrent. De mogelijkheid om de termijn te verlengen, bedoeld in het eerste lid, is in dat geval niet van toepassing.

P

Aan artikel 74 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien op een aanbeveling artikel 18 van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG (PbEU 2010, L 295) van toepassing is, deelt de ontvanger van de aanbeveling binnen 90 dagen na de dag waarop het betrokken rapport is vastgesteld, aan Onze Minister die het aangaat, mee op welke wijze hij gevolg aan de aanbeveling zal geven en zendt hij een afschrift van deze mededeling aan de raad.

Q

Na artikel 80 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 80a

De artikelen 32 tot en met 40, 59, vijfde lid, en 69 zijn van toepassing indien de raad of een vertegenwoordiger van de raad deelneemt of bijstand verleent aan een onderzoek dat door een andere staat of door Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt ingesteld.

Qa

«In artikel 81, eerste lid, wordt de laatste zinsnede «een geldboete van ten hoogste AWG 7.400, onderscheidenlijk ANG 7.400» vervangen door «een geldboete van de derde categorie ingevolge artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, onderscheidenlijk artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao, onderscheidenlijk artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten».

R

Artikel 82 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en tweede lid vervalt de zinsnede «en Onze Minister van Justitie».

2. In het derde lid wordt de zinsnede «de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao en de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten» vervangen door «de artikelen 2:132 tot en met 2:135 en 2:137 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, de artikelen 2:132 tot en met 2:135 en 2:137 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao en de artikelen 2:132 tot en met 2:135 en 2:137 van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten».

S

De artikelen 85 tot en met 95 en 97 vervallen.

ARTIKEL II

De zittingsperiode van het lid dat op de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet deel uitmaakt van de raad, wordt van rechtswege met twee jaar verlengd.

ARTIKEL III

Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie en Veiligheid,