35 102 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het onderwijstoezicht en enkele andere wetten in verband met actualisering van de deugdelijkheidseisen, het daarmee samenhangende onderwijstoezicht en vermindering van administratieve verplichtingen in het funderend onderwijs, alsmede reparatie van wetstechnische gebreken (actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs)

Nr. 7 AMENDEMENT VAN HET LID BISSCHOP C.S.

Ontvangen 26 september 2019

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

Aan artikel IV worden vier onderdelen toegevoegd, luidende:

C

In artikel 6.1.4, eerste lid, onderdeel a, wordt «onvoldoende» vervangen door «zeer zwak».

D

Na artikel 6.1.4a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.1.4b. Zeer zwakke opleiding

  • 1. De kwaliteit van een beroepsopleiding is zeer zwak indien het studiesucces van die opleiding onvoldoende is, en het bevoegd gezag onvoldoende uitvoering geeft aan:

    • a. de zorgplicht inzake het onderwijsprogramma en de examinering, bedoeld in artikel 7.4.8,

    • b. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9, of

    • c. de regels op het gebied van veiligheid, bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel k.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het studiesucces, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeten en beoordeeld.

  • 3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

E

In artikel 6.2.2, eerste lid, onderdeel a, wordt «onvoldoende» vervangen door «zeer zwak».

F

Na artikel 6.2.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.2.2a. Zeer zwakke opleiding

  • 1. De kwaliteit van een beroepsopleiding is zeer zwak indien het studiesucces van die opleiding onvoldoende is en het bevoegd gezag onvoldoende uitvoering geeft aan:

    • a. de zorgplicht inzake het onderwijsprogramma en de examinering, bedoeld in artikel 7.4.8, of

    • b. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het studiesucces, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeten en beoordeeld.

  • 3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

II

In artikel VII wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In artikel 20, zesde lid, wordt na «het onderwijs» ingevoegd «of de opleiding» en wordt «en artikel 23a1, eerste of vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs» vervangen door «, artikel 23a1, eerste of vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en de artikelen 6.1.4b en 6.2.2a van de Wet educatie en beroepsonderwijs».

Toelichting

In tegenstelling tot het funderend onderwijs heeft het bevoegd gezag van instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs niet de mogelijkheid om bezwaar te maken en beroep aan te tekenen wanneer de inspectie een opleiding het oordeel zeer zwak geeft. Deze mogelijkheden volgen pas uit eventuele besluiten die de Minister naar aanleiding van het oordeel zeer zwak neemt en betreffen niet het oordeel als zodanig. Dit amendement voorziet ook voor het middelbaar beroepsonderwijs in de mogelijkheden van bezwaar en beroep tegen het oordeel zeer zwak.

Het amendement gaat uit van het toezichtkader 2017 voor het middelbaar beroepsonderwijs. Het toezichtkader stelt dat als zeer zwak onderwijs wordt beschouwd het onderwijs van onvoldoende kwaliteit in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs (artikelen 6.1.4 en 6.2.2). Dit amendement introduceert daarom de term zeer zwak in deze wet.

Op grond van het toezichtkader is sprake van een zeer zwakke opleiding indien het studiesucces onvoldoende is en het didactisch handelen dan wel de beroepspraktijkvorming of de veiligheid onvoldoende is. Ondergetekenden constateren dat over het toezicht op het didactisch handelen van het personeel veel discussie is geweest en dat deze norm in ieder geval niet duidelijk in de wet is te vinden. Zij sluiten daarom aan bij de wettelijke zorgplicht van het bevoegd gezag voor een goede organisatie van het onderwijs en de examinering.

Evenals bij de leerresultaten in het funderend onderwijs het geval is, zal het studiesucces bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gemeten en beoordeeld moeten worden.

Bisschop Van Meenen Rog

Naar boven