35 086 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafrecht in verband met strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag en verhoging van de strafmaxima van enkele ernstige verkeersdelicten met het oog op versterking van de verkeershandhaving (aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten)

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 29 mei 2019

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel A, wordt het voorgestelde artikel 5a als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef, eerste zin, wordt een komma geplaatst na «geschonden» en wordt «waardoor» vervangen door «indien».

2. In de aanhef, tweede zin, vervalt «onder meer».

3. Onderdeel k komt te luiden:

k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden;

4. Onderdeel m komt te luiden:

m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd.

B

In artikel I, onderdeel D, subonderdeel 2, vervalt «, achtste».

C

In artikel I, onderdeel E , subonderdeel 2, vervalt «, «9, achtste lid»».

D

Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IIA

Aan artikel 67, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering wordt «artikel 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;» vervangen door «de artikelen 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b en 176, tweede lid, voor zover dit betreft artikel 7, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wegenverkeerswet 1994;».

Toelichting

A

Artikel I, onderdeel A

1. In de eerste zin van de aanhef van artikel 5a wordt de zinsnede «waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is» gewijzigd in «indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is». Met het voorwaardelijke voegwoord «indien» wordt beter uitgedrukt dat sprake is van een bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid en wordt aangesloten bij de formulering van de zogenoemde gemeengevaarlijke delicten in het Wetboek van Strafrecht, bijvoorbeeld artikel 157 Sr.

2. Door in de aanhef van artikel 5a de woorden «onder meer» te schrappen wordt een doublure opgeheven. De opsomming van gedragingen in dit artikel is niet limitatief. Uit onderdeel m blijkt dat ook andere overtredingen van verkeersregels een soortgelijke ernstige mate van schending van de verkeersregels kunnen opleveren als de onder a tot en met l opgesomde gedragingen.

3. Voor artikel 5a, onderdeel k, is aangesloten bij de terminologie van artikel 61a van het RVV. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat en ik hebben bij brief van 8 februari 2019 voorgesteld het bestaande verbod van het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het besturen van een motorvoertuig, bromfiets of gehandicaptenvoertuig uit te breiden naar bestuurders van alle voertuigen en om het verbod van het vasthouden van een mobiele telefoon uit te breiden naar het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden (Kamerstukken II 2018/19, 29 398, nr. 670). Met deze wijziging sluit de in artikel 5a, onderdeel k, opgenomen gedraging aan op die gekozen formulering.

4. Door de formulering van onderdeel m te wijzigen in «overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang» wordt beter tot uitdrukking gebracht dat als gedragingen in de zin van dit artikel overtredingen van verkeersregels kunnen worden aangemerkt die een soortgelijke ernstige mate van schending van de verkeersregels kunnen opleveren als de onder a tot en met l opgesomde gedragingen. Het gaat dus om overtredingen die van soortgelijk belang zijn, oftewel waarmee een soortgelijke ernstige inbreuk op de verkeersveiligheid wordt gemaakt, indien zij opzettelijk worden begaan en daarvan het in het artikel omschreven gevaar te duchten is. Onderdeel m maakt duidelijk dat de opsomming van gedragingen in dit artikel niet limitatief is.

B en C

Artikel I, onderdelen D en E

Met deze wijziging wordt een onjuiste aanpassing hersteld. Artikel 9, achtste lid, WVW 1994 betreft het verbod een motorrijtuig te besturen nadat het rijbewijs op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften is gevorderd of ingenomen. Dit betreft een als overtreding strafbaar gestelde norm met een strafbedreiging van twee maanden hechtenis. Het is niet bedoeling overschrijding van deze norm als misdrijf aan te merken en onder de voorgestelde strafverhoging te laten vallen. Vordering of inneming van het rijbewijs op grond van die wet vormt een dwangmiddel met het oog op het verhaal van de opgelegde administratieve sanctie en het verbod om na vordering of inneming een motorrijtuig te besturen dient ter bekrachtiging van dat dwangmiddel. De ratio van dat verbod is een andere dan de verboden die in de overige leden van artikel 9 zijn opgenomen; deze dienen de verkeersveiligheid, ter bescherming waarvan de strafverhoging van drie maanden naar een jaar gevangenisstraf wordt voorgesteld.

D

Artikel IIA (nieuw)

De maximaal op te leggen gevangenisstraf voor het misdrijf doorrijden na ongeval wordt in het wetsvoorstel verhoogd van drie maanden naar een jaar, zoals toegelicht in de memorie van toelichting (p. 9 en 16). In mijn brief van 20 juli 2017 (Kamerstukken 2016/17, 29 398, nr. 567) heb ik aangegeven ten aanzien van ernstige gevallen van doorrijden na een ongeval te willen voorzien in meer opsporingsbevoegdheden. Het huidige noch het voorgestelde strafmaximum op doorrijden na een ongeval brengt met zich dat bepaalde bevoegdheden tot opsporing bij verdenking van dit misdrijf door opsporingsambtenaren zonder meer kunnen worden toegepast. Het gaat dan bijvoorbeeld om bevoegdheden zoals aanhouden buiten heterdaad, inbeslagneming buiten heterdaad en het vorderen van camera-beelden. Door opneming in artikel 67, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van artikel 7, eerste lid, onderdelen a of c van de Wegenverkeerswet 1994, zoals gewijzigd ten gevolge van dit wetsvoorstel, wordt overtreding van dit artikel aangemerkt als een misdrijf bij verdenking waarvan een bevel voorlopige hechtenis kan worden gegeven. Dit maakt de toepassing van enkele opsporingsbevoegdheden en het aanhouden en ophouden voor onderzoek van een verdachte van dit misdrijf buiten heterdaad mogelijk. De uitoefening van deze bevoegdheden strekt in de kern tot opheldering van de verdenking dat iemand is doorgereden terwijl hij bij een verkeersongeval was betrokken of dit heeft veroorzaakt en is gerechtvaardigd indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat bij dat ongeval een ander is gedood of aan een ander letsel is toegebracht (artikel 7, eerste lid, onderdeel a, WVW) dan wel daardoor een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten (artikel 7, eerste lid, onderdeel c, WVW).

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Naar boven