Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201935084 nr. C

35 084 Wijziging van enige wetten en het treffen van voorzieningen in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (Verzamelwet Brexit)

C VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR EUROPESE ZAKEN1

Vastgesteld 26 februari 2019

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling, maar ook met enige aarzeling, kennisgenomen van het wetsvoorstel over de aanstaande terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie. De leden van de fractie zijn van mening dat hier sprake is van een absurd proces dat niets positiefs brengt en niet alleen het Verenigd Koninkrijk zelf, maar ook de lidstaten van de Europese Unie grote schade toebrengt en opzadelt met problemen die nog lang zullen doorwerken en Europa in algemene zin een politieke en economische, en tevens een geopolitieke terugslag zal opleveren. De leden van de VVD-fractie delen de opvatting van het kabinet dat niet alleen een Brexit zonder overeenkomst, maar ook een met een sluitend stelsel van afspraken ons land ertoe noopt zich op het onverwachte voor te bereiden. In deze algemene zin steunen de leden van de fractie het wetsvoorstel. Er is geen sprake van een noodtoestand, dus zijn aangepaste maatregelen nodig, alsmede een procedure en wettelijke grondslag deze te treffen. De leden van de fractie zien dit wetsvoorstel als het resultaat van een worstelingsproces de juiste weg te vinden. De aarzeling van deze leden betreft het ten principale loslaten van het legaliteitsbeginsel. De leden van de fractie beseffen echter ook dat in urgente of zelfs acute situaties snel moet worden opgetreden en dat de factor tijd in procedures onverantwoorde schade kan opleveren. De leden van de VVD-fractie hebben nog enkele vragen over het voorliggende wetsvoorstel.

Met grote belangstelling hebben de leden van de CDA-fractie kennisgenomen van het wetsvoorstel, het advies van de Raad van State en de intensieve behandeling en wijzigingen van het voorstel in de Tweede Kamer. Het is deze leden niet ontgaan dat zowel door de Raad van State, als ook in de Tweede Kamer, veel kritiek was op zowel het instrumentarium en ook op de samenhang van de maatregelen die de regering wil aanwenden voor het opvangen van onverhoopte problemen bij een uittreding van het VK uit de EU.

De leden van de CDA-fractie hebben met genoegen kennisgenomen van de wijzigingen die door amendering en nota’s van wijzigingen zijn aangebracht in het oorspronkelijke ontwerp van wet. Met name door de inkadering van artikel X is een aantal problemen weggenomen. Dat is onder andere het geval doordat noodvoorzieningen nu slechts 6 maanden geldig zijn en de nood-«ministeriële regeling» binnen 24 uur aan de beide Kamers moet worden gestuurd. In het geval dat een dergelijke regeling geen goedkeuring krijgt moet de regering deze binnen een week intrekken. Ondanks deze ingrijpende wijzigingen hebben de leden van de CDA-fractie nog fundamentele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling en met bezorgdheid kennisgenomen van de voorstellen «Verzamelwet Brexit». De aan het woord zijnde leden hebben hierover een aantal vragen, welke met name betrekking hebben op Artikel X.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel voor de Verzamelwet Brexit (35 084). Deze leden hebben hierover nog vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Voor de leden van deze fractie bestaan zorgen dat een ordelijke Brexit en bescherming van economische belangen met het voorleggen van dit wetsvoorstel boven het constitutionele principe van het primaat van het parlement als wetgever wordt gesteld. Immers, artikel X lijkt de Minister vergaande bevoegdheden te geven om tijdelijk wetgeving aan de kant te zetten en daarvoor in de plaats een algemene maatregel van bestuur (amvb) of een ministeriële regeling te treffen. De meeste vragen die deze leden hebben gaan dan ook over de intentie en noodzaak van, de werking van, en de parlementaire controle op artikel X.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Verzamelwet Brexit. Zij betreuren het feit dat het Verenigd Koninkrijk besloten heeft de Europese Unie te verlaten. Zij zien daarmee een belangrijke partner op het Europees niveau vertrekken. Deze leden hebben met instemming kennisgenomen van het feit dat de regering zich zo goed mogelijk probeert voor te bereiden op het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, wat onder meer blijkt uit het aanhangig maken van dit wetsvoorstel. De leden van de ChristenUnie-fractie vrezen een situatie waarbij het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat zonder uittredingsovereenkomst, een zogenaamde «no-deal Brexit». Dit zou desastreuse gevolgen hebben voor grote delen van onze economie, waaronder de handel en visserij. Deze leden roepen de regering op zich zo veel mogelijk in te spannen om een dergelijke situatie te helpen voorkomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben nog een aantal vragen bij de Verzamelwet Brexit.

2. Noodzaak voor nationale maatregelen in EU-context

De leden van de CDA-fractie hebben na de ingrijpende wijzigingen van het oorspronkelijke wetsvoorstel nog fundamentele vragen over het gegeven dat ook bij een inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord de regering voorziet om nationaal maatregelen te nemen. Zien deze leden het goed dan is bij een, door de aan het woord zijnde leden nog steeds gewenste afloop met een terugtrekkingsakkoord, geen enkele noodzaak om te voorzien in nationale maatregelen.

Is het niet zo dat uit de tekst van het terugtrekkingsakkoord, artikel 126 tot 132, is af te lezen dat tenminste tot 2021, met mogelijkheid dit te verlengen, het VK op alle beleidsterreinen behandeld moet worden als zijnde een EU-lidstaat. De enige uitzondering daarop is institutioneel, namelijk dat het VK geen lid meer is van de EU-instituties, alsook de al overeengekomen opt-outs van het VK. Kan de regering aangeven waarom nationale maatregelen ook bij een terugtrekkingsakkoord nodig zouden kunnen zijn?

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat bij een terugtrekking van het VK in het geval van een no deal-scenario er maatregelen nodig zijn die problemen kunnen ondervangen. Maar maatregelen bij een ordelijke terugtrekking, waarbij er een uittredingsakkoord ligt, zijn niet in het belang van Nederland en de gezamenlijkheid in de EU. Zou de regering dit punt willen verduidelijken en willen ingaan op specifieke terreinen waar deze maatregelen wel mogelijk zijn vanuit Nederlandse optiek?

In dit verband willen de leden van de CDA-fractie ook vernemen of en waarom, en op welke beleidsterreinen de zogenaamde contingency measures die door de EU zijn voorgesteld ter voorbereiding van een no deal-scenario onvoldoende zouden zijn en derhalve tot aparte Nederlandse regels noodzaken.

In de memorie van toelichting staat dat voor de toekomstige betrekkingen met het VK in veel gevallen de besluitvorming in EU-verband van doorslaggevend belang zal zijn.2 De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe dit besluitvormingsproces eruit ziet in het geval het beleidsterreinen betreft waarop de EU exclusief bevoegd is? Kan de regering dit eveneens aangeven voor het geval het beleidsterreinen betreft waar geen sprake is van een exclusieve bevoegdheid van de EU?

Uit het in artikel 4, lid 3 van het Verdrag van de Europese Unie neergelegde loyaliteitsbeginsel volgt vervolgens dat Nederland geen maatregelen mag nemen die de onderhandelingen tussen de EU en het VK kunnen verstoren, zowel die over de terugtrekking als die over de toekomstige betrekkingen. De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat dit de mogelijkheden beperkt om nu reeds vooruit te lopen op de mogelijke of denkbare situatie na de terugtrekking van het VK uit de EU. Zij vragen zich wel af hoe dit loyaliteitsbeginsel in de praktijk wordt getoetst. Vindt hierover binnen de EU afstemming plaats, en zo ja, hoe?

De regering zou het VK op bepaalde terreinen tijdelijk als EU-lidstaat kunnen behandelen. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering dit ziet. Op welke grondslag in Europese regels of verdragen heeft de regering die mogelijkheid gebaseerd? Schept het unilateraal behandelen van een niet-EU-lid als zijnde een lidstaat geen precedenten en mogelijkheden om buiten de EU om (handels)afspraken te maken die juist op grond van de EU-verdragen zijn voorbehouden aan de EU? En betreft het dan voornamelijk handelsafspraken of ook aangaande de rechtspositie van burgers, waardoor zij de facto de status van Unie-burger krijgen? En welke verdere juridische consequenties heeft een dergelijke gelijkstelling, zeker met het oog op het Europese Hof van Justitie?

3. Noodzaak voor voorzieningen op grond van artikel X

De leden van de VVD-fractie merken op dat in het wetsvoorstel een systematische analyse ontbreekt van de domeinen waarin zich uitzonderlijke situaties kunnen voordoen. Als gevolg hiervan valt het voorstel terug op generieke termen, die vooral duidelijk maken hoe overheersend de factor «unknown» is. Kan de regering wat nader ingaan op de specifieke velden waar sprake is van risico’s en hoe op mogelijke problemen aldaar moet worden ingegaan? Een structurele kwestie als rechtsposities is toch iets anders dan een acuut probleem met agrarische producten.

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering ook om duidelijker te maken wat zij verstaat onder de cruciale begrippen «onaanvaardbaar» en «onomkeerbaar» als kenmerkend voor de situaties waarop directe actie nodig is. Is er met voorbeelden duidelijk te maken wanneer een grens wordt overschreden? Hetzelfde geldt voor de criteria die nopen tot ingrijpen: «spoedeisend» en «noodzakelijk». Kunnen ook deze nader worden gespecificeerd?

De leden van de VVD-fractie vragen ook in welke verhouding de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van toezichthoudende, controlerende en handhavende instellingen staan tot het treffen van wettelijke voorzieningen? Gaat een voorziening in als deze instanties de grenzen van hun bevoegdheden bereiken?

Het wetsvoorstel, en met name het genoemde artikel X, voorziet in een aparte noodvoorziening voor nadat het VK uit de EU getreden is en kent op grond van de veronderstelde mogelijke nood uitzonderlijke en verregaande bevoegdheden toe aan de regering. De leden van de SP-fractie zouden de regering willen vragen om een nadere definiëring van «nood». De regering stelt in de beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer dat het bestaande staatsnoodrecht – zoals de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden – onvoldoende soelaas biedt, onder andere omdat het niet te verwachten is dat ten gevolge van de uittreding van het VK van een dergelijke nood- dat wil zeggen waarvoor het staatsnoodrecht bedoeld is – sprake zal zijn.3 De suggestie hierbij is dat de mogelijke nood van een minder ernstige aard zal zijn. Maar in welk opzicht zou er dan nog wel van nood gesproken kunnen worden? Een nood die kennelijk minder ernstig is dan waar het staatsnoodrecht in voorziet, maar toch nog zo ernstig dat er aparte voorzieningen en ministeriële bevoegdheden voor gecreëerd moeten worden?

Kan de regering, zo vragen de aan het woord zijnde leden, verduidelijken om wat voor soort nood het dan gaat en waarom deze nood – minder zwaar dan wat een echte noodtoestand zou rechtvaardigen – dan niet adequaat geadresseerd kan worden met bestaande wet- en regelgeving?

In de nota naar aanleiding van het verslag4 wordt gesproken van menselijk leed en dierenleed maar hier wordt geen specificatie van gegeven. Wel lezen deze leden in de beantwoording van vragen van de Tweede Kamer dat er bijvoorbeeld sprake zou kunnen zijn van levend vee of bederfelijk waar op de kade. Zou dat dan een situatie zijn waarin er volgens de regering sprake is van nood welke de uitzonderlijke procedures zoals voorgesteld in Artikel X zouden kunnen rechtvaardigen? De leden van de SP-fractie vragen de regering of in zo’n geval of in soortgelijke gevallen niet al adequaat opgetreden kan worden binnen de huidige wettelijke kaders en door de daartoe aangewezen instanties zoals de NVWA. De aan het woord zijnde leden verzoeken de regering dit nader toe te lichten.

Voorts, maakt de regering de vergelijking met een grote stelselwijziging als rechtvaardig voor eventuele noodmaatregelen in afwijking van bestaande wetgeving en zonder parlementaire goedkeuring vooraf. Zou de regering deze term nog nader kunnen toelichten, in casu hier een definitie van geven? In het geval van de Brexit is dit bovendien, zo merken de leden van de SP-fractie op, een «stelselwijziging» die al twee jaar geleden is aangekondigd. Kan de regering uitleggen waarom het niet in staat is geweest om zich in deze twee jaar adequaat voor te bereiden op de gevolgen van deze «stelselwijziging»? Kan men überhaupt spreken van nood bij een gebeurtenis die al twee jaar van te voren is aangekondigd? Valt dit binnen de definitie van «nood» zoals door de regering gehanteerd?

Wederom in de context van het begrip «nood» hebben de leden van de SP-fractie er zich over verbaasd dat er in de wet en in de toelichting geen duidelijk onderscheid is gemaakt tussen een no deal-scenario en een scenario waarin er wel een uittredingsakkoord zal zijn vóór 30 maart. Klopt het dat in dat laatste geval het VK nog voor het allergrootste gedeelte onder het acquis zal vallen en de regels van bijvoorbeeld de interne markt gewoon van kracht blijven in het verkeer met het VK? Klopt het dat dit akkoord is gesloten juist om ongewenste gevolgen op korte termijn van de Brexit tegen te gaan? Meent de regering dat er dan nog steeds sprake zou kunnen zijn van noodsituaties welke de uitzonderlijke bevoegdheden zoals voorgesteld in artikel X rechtvaardigen? Acht de regering het risico op noodsituaties ten gevolge van een uittreding van het VK op basis van het akkoord groter dan de risico’s op noodsituaties welke sowieso al bestaan? Er kunnen zich immers altijd rampen en andere onvoorziene gebeurtenissen voordoen.

Ook de leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering heeft overwogen om mogelijke noodscenario’s te ondervangen met behulp van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden? Waarom wel of waarom niet? En zo nee, waarom is deze wet niet toepasbaar inzake noodgevallen na de Brexit. De Minister krijgt in het wetsvoorstel de mogelijkheid om eigenhandig zonder constitutioneelrechtelijke garantie, zonder het horen van de Raad van State, terstond regels te maken waarmee afgeweken kan worden van allerlei hogere regelgeving. Is de regering het met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat de huidige wet verder gaat dan dat de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden toestaat?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen tevens of aan het besluit om artikel X in deze vorm op te nemen in de verzamelwet Brexit een risicoanalyse ten grondslag ligt bij een no deal-scenario, naast de in memorie van toelichting genoemde effectrapportage? Zo ja, welke risicoanalyse betreft dit en gaat deze specifiek in op de noodzaak van een artikel zoals artikel X?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering een analyse heeft gemaakt van de EU-Withdrawal Act van het Britse parlement en de mogelijke betekenis van die vangnetten en schokdempers voor de noodzaak van artikel X in de huidige wet? Welke inhoudelijke criteria zijn er om artikel X in te roepen? Wanneer is iets nood en wanneer is iets een vitaal economisch belang? Is dit gedefinieerd?

De leden van de ChristenUnie-fractie zien in dat de onvoorspelbaarheid rond de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie noopt tot noodmaatregelen. Deze leden vragen zich evengoed wel af of de bevoegdheden zoals deze gecreëerd worden in de Verzamelwet Brexit proportioneel zijn en vragen de regering hierop te reflecteren.

De leden van de ChristenUnie-fractie spreken de wens en hoop uit dat de regering zich niet genoodzaakt ziet van artikel X gebruik te maken. Zij vragen de regering in hoeverre zij zich hiervoor wil inspannen en van welke andere maatregelen zij denkt gebruik te kunnen maken alvorens zich tot artikel X te wenden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke alternatieve maatregelen door de regering overwogen zijn om snel te kunnen acteren op onvoorziene omstandigheden na de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, anders dan die in het wetsvoorstel naar voren komen, en welke argumentatie ten grondslag ligt aan het feit dat deze niet ten uitvoer gebracht worden.

4. Delegatiegrondslag en primaat van de wetgever

Is de regering het eens met de GroenLinks-fractie dat de delegatiegrondslag in artikel X het primaat van de wetgever aantast? De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de Raad van State een machtiging om bij ministeriële regeling van de wet in formele zin af te wijken, zeker als de wetten waarvan afgeweken kan worden niet bepaald zijn, hoogst ongebruikelijk noemt en, gelet op het primaat van de wetgever, zeer onwenselijk. Hoe verhoudt artikel X zich tot de motie-Jurgens5 inzake het niet toelaten van het afwijken van de wet door de regering bij het maken van lagere regelgeving? De Brexit is weliswaar een unieke gebeurtenis, maar niet een onvoorziene gebeurtenis. We weten immers al een paar jaar dat de Brexit er aankomt. Waarom is de regering van mening dat de Brexit zodanig onvoorzienbaar is dat het nodig is om met de delegatiegrondslag af te wijken van het primaat van de wetgever?

Anders dan bij eerdere precedenten het geval was, vormt het huidige voorgestelde artikel X in feite de kern van het wetsvoorstel en is de afwijkingsbevoegdheid niet beperkt tot een vooraf afgebakende lijst van wet- en regelgeving. Heeft de regering intussen wel een poging gedaan tot aanzet van een mogelijke lijst? En zo nee, gaat zij dit nog doen of gaat zij anderszins trachten meer helderheid te scheppen over een mogelijke lijst van wetten.

In eerdere debatten heeft de regering aangegeven geen voorbeelden kunnen geven van wanneer het ministeriële regelingen nodig denkt te hebben omdat bestaande wettelijke kaders niet zouden voorzien en daarbij zo nodig af te wijken van de wet in formele zin. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering inmiddels wel voorbeelden kan geven van mogelijke scenario’s waarbij dit opportuun zou kunnen zijn? Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer werd er gesproken over het mogelijk voorkomen van mensen- of dierenleed. Waaraan denkt de regering dan? Kan de regering specificeren en een aantal scenario’s uitwerken waarbij er mogelijk sprake kan zijn van mensen- of dierenleed waarvoor binnen de huidige wet- en regelgeving geen grondslag is om handelend op te kunnen treden? En kan het in die scenario’s uitwerken hoe een ministeriële regeling, als het ware een ministerieel decreet, soelaas zou kunnen bieden en proportioneel is? De Minister noemde eerder het voorbeeld van hongerig vee aan de grens. Mogelijk sterven deze dieren door hitte, honger of anderszins. Ziet de regering artikel X als oplossing om een dergelijk probleem op te lossen? Acht de regering dergelijk dierenleed onacceptabel en daarom bij een dergelijke geval artikel X proportioneel? Of gaat het bijvoorbeeld over dieren die vaststaan aan de Britse grens en mogelijk als gevolg hiervan komen te overlijden en middels een ministeriële regeling wel in Nederland terecht zouden kunnen in tegenstelling tot andere lidstaten?

De leden van de GroenLinks-fractie zijn zich bewust van het hypothetische karakter van bovenstaande vragen, maar achten een poging tot het helder krijgen van mogelijk onbekende scenario’s waarvoor een ministeriële regeling noodzakelijk is, een nuttige exercitie omdat het hier immers over een aantasting gaat van de bevoegdheid tot delegatie zoals die voortvloeit uit de Nederlandse Grondwet en verregaande aantasting van het primaat van de wetgever. Deelt de regering dit standpunt? Kan de regering in de hierboven gevraagde hypothetische scenario’s schetsen hoe een ministeriële regeling effectiever is dan een amvb met terugwerkende kracht, die binnen 36 uur wordt voorgehangen bij het parlement met snelle toetsing van de Raad van State?

5. Parlementaire controle

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven wat zij, op grond van het voorliggende wetsvoorstel, gaat doen wanneer de één van beide Kamers zich bij meerderheid uitspreekt tegen een getroffen algemene maatregel van bestuur dan wel ministeriële regeling?

De leden van de PvdA-fractie vragen ook of de regering kan aangeven wat zij, op grond van het voorliggende wetsvoorstel, gaat doen wanneer één van beide Kamers zich bij meerderheid uitspreekt tegen een wetsvoorstel dat voorziet in het wijzigen van de wet zodanig dat de met een middels algemene maatregel van bestuur dan wel ministeriële regeling getroffen voorziening niet langer noodzakelijk is? Wat is in een dergelijke situatie de status van betreffende algemene maatregel van bestuur dan wel ministeriële regeling?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat het wetsvoorstel de regering bevoegdheden geeft snel te handelen op onverwachte gebeurtenissen na uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. Zij vragen zich af op welke wijze de regering rekening heeft gehouden met de parlementaire controle en vragen tevens op welke wijze de regering deze controle wenst te faciliteren in geval van gebruik van artikel X.

De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat als gevolg van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie een groot aantal wetten aangepast zal moeten worden. Zij vragen de regering op welke wijze en termijn zij deze wetswijzigingen aan het parlement ter goedkeuring denkt aan te bieden.

6. Gevolgen van voorzieningen voor burgers en bedrijven

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel spreekt van individuele burgers en bedrijven die met de gevolgen van de Brexit worden geconfronteerd. De leden van de VVD-fractie vragen of het denkbaar is dat de gevolgen ook individuele gevallen kunnen betreffen die een voorziening vragen? Zo ja, kan dit leiden tot een uitermate groot aantal correcties in de wettelijke sfeer en dus tot overbelasting van het wetgevend proces? Wil de regering hierover haar gedachten laten gaan?

In artikel X is geregeld dat het parlement het laatste woord heeft inzake het treffen van voorzieningen, waaronder op grond van de ministeriële regeling. Wat gebeurt er met de gevallen die reeds zijn afgewikkeld onder zo’n voorziening, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Worden de maatregelen dan ongedaan gemaakt en gecorrigeerd, of wordt er een nieuwe voorziening getroffen voor volgende gevallen in dezelfde categorie?

7. Zes maanden-termijn

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom het in eerste instantie koos voor een termijn van een jaar ná de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie voor het kunnen treffen van voorzieningen onder artikel X voordat dit werd gewijzigd naar zes maanden tijdens de behandeling in de Tweede Kamer. Kan de regering aangeven of de bekorting van de termijn naar zes maanden hierin wijziging brengt? Kan de regering tot slot aangeven of het verschil zou maken wanneer de termijn niet zes maanden, zoals nu het geval is, maar drie maanden zou zijn? Acht zij het mogelijk opportuun om deze termijn nog verder te verkorten? En zo niet, kan de regering motiveren waarom niet? Kan de regering dan ook motiveren waarom de termijn van een half jaar wel acceptabel was?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering tevens voor welke gevolgen zij zich gesteld weet nu de termijn waarbinnen dit artikel gebruikt kan worden per amendement is teruggebracht tot zes maanden.

8. Vergelijking met andere lidstaten

Tot slot willen de leden van de CDA-fractie graag vernemen hoe andere landen met grote economische relaties met het VK (zoals Duitsland, Frankrijk en België) omgaan met het EU Contingency pakket? Welke maatregelen nemen zij of is het EU Contingency pakket voor deze landen afdoende?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering een vergelijkend onderzoek heeft gedaan in andere Europese lidstaten aangaande deze verstrekkende inperking van de parlementaire macht? Mocht dit niet het geval zijn, is de regering dit bereid alsnog te doen en de Kamers daarover te informeren? Zo niet, wat is daar dan de reden van?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering eveneens hoe andere EU-landen zich voorbereiden op de uittreding van het VK uit de Europese Unie en hoe de Verzamelwet Brexit zich verhoudt tot deze inspanningen van andere landen?

9. Artikel VII

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de inspanningen die geleverd zijn om ongewenste situaties op het gebied van de sociale zekerheid bij een no-deal Brexit te voorkomen. Deze leden vragen of er andere situaties te verwachten zijn, anders dan die in de memorie van toelichting genoemd, waarbij de sociale zekerheid van Nederlandse staatsburgers weg kan vallen, met grote risico’s op financieel of geneeskundig gebied, en hoe hiermee rekening wordt gehouden.

10. Artikel XI

Ten aanzien van de terugwerkendekrachtbepaling (tot en met 30 maart 2019) stelt de regering in de toelichting op artikel XI dat daarmee slechts beoogd wordt terugwerkende kracht te geven aan artikelen van het wetsvoorstel indien dit nodig is om vooruitlopend op de inwerkingtreding getroffen voorzieningen met een neutrale of begunstigend karakter van een wettelijke basis te voorzien. Kan de regering aangeven hoe zij waarborgt dat dit neutrale of begunstigende karakter inderdaad voor alle betrokkenen geldt, aldus vragen de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 1 maart 2019.

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Van Apeldoorn

De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken, Bergman


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Duthler (VVD), Ten Hoeve (OSF), Van Kappen (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Schaap (VVD), Strik (GL), Backer (D66), Faber-van de Klashorst (PVV), Martens (CDA), Postema (PvdA),(vice-voorzitter), Vlietstra (PvdA), Vac. (PVV), Van Apeldoorn (SP) (voorzitter), Dercksen (PVV), D.J.H. van Dijk (SGP), Knapen (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Stienen (D66), Van de Ven (VVD), Overbeek (SP),Sini (PvdA), Baay-Timmerman (50PLUS), Aardema (PVV), Andriessen (D66)

X Noot
2

Kamerstukken II, 2018–2019, 35 084, nr. 3, p. 2.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2018–2019, 35 084, nr. 9, p. 5–6.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2018–2019, 35 084, nr. 9, p. 11.

X Noot
5

Motie-Jurgens (PvdA) c.s. inzake het niet toelaten van het afwijken van de wet door de regering bij het maken van lagere regelgeving, Kamerstukken I, 2005–2006, 21.109, A.