Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202135079 nr. D

35 079 Voorstel van wet van de leden Kuiken, Van Toorenburg, Van Wijngaarden, Van der Graaf en Van der Staaij houdende regels over het bestuursrechtelijk verbieden van organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden (Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties)

D BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 februari 201

Namens de regering dank ik de leden van de fracties van de ChristenUnie en PvdA voor de vragen die zij hebben gesteld aan de regering in het voorlopig verslag van 30 oktober 2020 over het initiatiefvoorstel van de leden Kuiken, Van Toorenburg, Van Wijngaarden, Van der Graaf en Van der Staaij houdende regels over het bestuursrechtelijk verbieden van organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden (Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties).1 In het navolgende wordt hierop ingegaan.

De leden van de fractie van de ChristenUnie zien dat organisaties waar structureel en in georganiseerd verband zware criminaliteit voorkomt meestal niet uitsluitend binnen onze landsgrenzen opereren. Zij vragen de regering om inzicht te geven in welke middelen de Minister voor Rechtsbescherming nu (en vervolgens met dit wetsvoorstel) heeft om in internationaal verband en in het bijzonder met buurlanden op te trekken tegen deze vormen van criminaliteit. Zij vragen welke samenwerking er momenteel is, met welke landen dit vooral noodzakelijk is en of daar versterking nodig is. Zij vragen de regering ook om inzicht te geven of er nu materieel dezelfde maatregelen kunnen worden genomen door Nederland en de buurlanden. Deze leden vragen dit met het oog op een onbedoeld waterbedeffect.

Nederland werkt nauw samen met België, Duitsland en de Scandinavische landen in de aanpak van georganiseerde criminaliteit. De politie werkt in de grensstreken dagelijks operationeel samen met de omliggende landen. Naast de operationele samenwerking wordt in diverse gremia regelmatig afgestemd over de aanpak.2 Verder is in 2019 naast de bekende overlegvormen intensief contact geweest met Spanje en de Scandinavische landen in verband met de activiteiten van een aantal Nederlandse motorbendes in die landen.

Om grensoverschrijdende criminaliteit aan te pakken zijn diverse instrumenten beschikbaar zoals informatie-uitwisseling, het Europees aanhoudings- of onderzoeksbevel en confiscatie. Voorts worden gezamenlijke opsporingsteams opgezet. Europol heeft in sommige gevallen een coördinerende rol; veel informatie komt daar samen. Daarnaast ondersteunt Eurojust de samenwerking tussen de gerechtelijke autoriteiten in de Europese Unie in de strijd tegen grensoverschrijdende zware criminaliteit.

Niet alle landen kennen een verbodsmogelijkheid. Duitsland kent wel een bestuurlijk verbod («Vereinsgesetz») en past dat regelmatig toe op outlaw motorcycle gangs, zowel op deelstaat- als op bondsniveau. Nederland heeft Duitsland, Denemarken, Groot-Brittannië en België geïnformeerd over de inhoud en systematiek van de Nederlandse civiele procedure, de voor- en nadelen van deze procedure en de mogelijke introductie van het bestuurlijk verbod in Nederland. Deze informatie-uitwisseling was gericht op de samenwerking in de aanpak van outlaw motorcycle gangs, maar ook om deze landen in staat te stellen om (daar waar dat nog niet bestaat) de invoering van eenzelfde instrument te overwegen.

De leden van de PvdA-fractie vragen aan de regering of zij het daar willen brengen dat het College van procureurs-generaal bij het uitbrengen zijn advies aan de Minister gemotiveerd wil betrekken of dit college de voorkeur geeft aan de bestuurlijke route, dan wel aan de civiele, dan wel aan beide en indien de laatste twee voorkeuren het geval zijn, aangeven of en binnen welke termijn de officier van justitie een vordering bij de civiele rechter zal indienen?

Artikel 2, tweede lid, van de voorgestelde wet bepaalt dat de Minister het College van procureurs-generaal hoort voordat hij een verbodsbesluit neemt. Daarmee is verzekerd dat de Minister met een verbod niet onbedoeld een strafrechtelijk onderzoek doorkruist. Bij het horen zal ook naar voren komen of het Openbaar Ministerie ten aanzien van diezelfde te verbieden organisatie reeds voornemens is om bij de rechtbank een verzoek te doen tot verbodenverklaring of zelfs vergevorderd is met de voorbereidingen van een dergelijk verzoek. Het ligt in de rede dat na de invoering van het bestuurlijk verbod het OM en de Minister voor Rechtsbescherming werkafspraken zullen maken om te voorkomen dat een bestuursrechtelijk traject en een civielrechtelijk traject elkaar doorkruisen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie lezen dat dit instrument naast de civielrechtelijke mogelijkheid van artikel 2:20 BW zal functioneren.3 Zij vragen de regering te verhelderen op welk moment de Minister voor Rechtsbescherming zal kiezen voor de inzet van de Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties en wanneer het civielrechtelijke spoor zal worden doorlopen. Zij vragen de regering daarbij tevens in te gaan op de bezwaar- en beroepsmogelijkheden van het voorliggende wetsvoorstel en te preciseren welke eisen dit stelt aan het besluit.

Het bestuurlijk verbod onderscheidt zich van het civiel verbod doordat het bestuurlijk verbod alleen kan worden toegepast op organisaties wier werkzaamheid een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden, een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van de Nederlandse rechtsorde en (delen van) de Nederlandse samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. Indien de betreffende organisatie ook een politieke partij, kerkgenootschap of vakbond is in de zin van het voorgestelde artikel 3, dan is een bestuurlijk verbod niet mogelijk. Ook niet als het gaat om een outlaw motorcycle gang. Zoals gesteld op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA ligt het in de rede dat het OM en de Minister voor Rechtsbescherming te zijner tijd werkafspraken zullen maken om te voorkomen dat een civiele procedure en bestuursrechtelijke procedure elkaar in de weg zitten.

Met de voorgestelde wet kan de Minister voor Rechtsbescherming een organisatie bij beschikking verbieden. Dit betreft een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verbodsbesluit moet voldoen aan de in de Awb opgenomen vereisten over besluiten. Zo moet de Minister op grond van artikel 3:2 Awb bij de voorbereiding van het verbodsbesluit de nodige kennis vergaren over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Voorts dient de Minister op grond van artikel 3:4, eerste lid, Awb de bij het verbodsbesluit betrokken belangen rechtstreeks af te wegen, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Verder behoort het verbodsbesluit op grond van artikel 3:46 Awb te berusten op een deugdelijke motivering. Ook moet de Minister op grond van artikel 4:8 Awb de organisatie in de gelegenheid stellen om haar zienswijze naar voren te brengen, zij het dat op deze verplichting om vooraf te horen uitzonderingen mogelijk zijn, zie artikel 4:11 Awb. Daarnaast moet de Minister bij de besluitvorming de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) in acht nemen.

Tegen het verbodsbesluit staat bezwaar open bij de Minister, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voorts kan aan de voorzieningenrechter tijdens de behandeling van het bezwaar of beroep worden verzocht om een voorlopige voorziening ter schorsing van de werking van het verbodsbesluit.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben in de afgelopen jaren steeds meer gezien hoe de positie van de burgemeester onder druk komt te staan als hij ingrijpt bij een cultuur van wetteloosheid die zich in zijn gemeente nestelt. Zij onderstrepen het belang van stevige en goede ondersteuning van bestuurders die hierin moedig in de frontline optreden. Veel burgemeesters hebben juist daarom gevraagd om een uitbreiding van de mogelijkheden om de groeiende overlast van bendes aan te pakken. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering om expliciet de positie van de burgemeester en zijn mogelijkheden om lokaal op te treden te betrekken bij de evaluatie van deze wet.

Burgemeesters hebben een belangrijke rol in de aanpak van ondermijnende organisaties en beschikken daartoe over een breed instrumentarium in de Gemeentewet en de in hun gemeente geldende verordeningen. Zo kunnen zij al dan niet tijdelijk panden (clublocaties) sluiten, voorwaarden verbinden aan evenementen, evenementen verbieden en gebiedsverboden inzetten. Het is voorstelbaar dat de Minister in de praktijk een verbod op een organisatie overweegt op verzoek van of op basis van signalen van een burgemeester. Daarnaast zijn gemeenten via de Regionale Informatie- en Expertisecentra veelal reeds betrokken bij het vergaren van informatie voor een verbodsdossier.

De evaluatie zal zien op de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Om dat te onderzoeken, zal de gehele context waarin het bestuurlijk verbod wordt toegepast, worden bezien. In dat kader zullen ook andere instrumenten en de rol van de burgemeesters worden betrokken.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/19, 2019/20 en 2020/21, 35 079.

X Noot
2

Het Landeskriminalamt van Noordrijn-Westfalen sluit periodiek aan bij het landelijke afstemmingsoverleg opsporing motorclubs in Nederland.

X Noot
3

Kamerstukken II 2019/20, nr. 29.