Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935074 nr. 66

35 074 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten om de balans tussen vaste en flexibele arbeidsovereenkomsten te verbeteren (Wet arbeidsmarkt in balans)

Nr. 66 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juni 2019

Op 5 februari jl. heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) aangenomen (Kamerstuk 35 074; Handelingen II 2018/19, nr. 49, item 12). De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel op 28 mei jl. aangenomen (Handelingen I 2018/19, nr. 32, item 12). Onderdeel van deze wet is de introductie van WW-premiedifferentiatie naar de aard van het contract. Met deze brief informeer ik u over de aanstaande vaststelling en publicatie van het Besluit tot wijziging van het Besluit Wfsv in verband met de introductie van die maatregel per 2020 en de aanpassingen daarin naar aanleiding van het advies van de Raad van State.

In het genoemde besluit wordt onder andere het vaste verschil tussen de hoge en de lage WW-premie vastgesteld op vijf procentpunten en worden vier situaties bepaald waarin met terugwerkende kracht de lage WW-premie wordt herzien («herzieningssituaties»). Beide elementen zijn reeds aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wab.1 De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geadviseerd de invoering van de voorgestelde regeling te heroverwegen (dictum C). In haar advies vraagt de Afdeling met name aandacht voor de – in haar ogen – beperkte uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het besluit.

Het advies van de Afdeling is voor het kabinet aanleiding geweest om de balans tussen uitvoerbaarheid, complexiteit en handhaafbaarheid opnieuw te bezien. Alles overwegende heeft het kabinet geconcludeerd dat het wenselijk is om op het moment van invoering te kiezen voor een minder complexe en eenvoudiger uitvoerbare regeling. Daarom zullen de herzieningssituaties getrapt worden ingevoerd: per 1 januari 2020 zullen slechts twee van de vier herzieningssituaties in werking treden. Daarmee accepteert het kabinet, omwille van betere uitvoerbaarheid, in eerste instantie een hoger risico op omzeiling. Dat risico wordt op zijn beurt beheerst door extra in te zetten op monitoring en in 2021 te bezien of inwerkingtreding van de twee resterende herzieningssituaties alsnog aan de orde moet komen.

De twee herzieningssituaties die niet per 2020 in werking treden, zijn de situaties waarin de werkgever de lage premie moet herzien naar aanleiding van het toekennen van een WW-uitkering.2 Het zijn met name deze herzieningssituaties die de complexiteit van de regeling vergroten en vooral voor het UWV uitvoeringslast veroorzaken. Dat komt doordat werkgevers niet zelf kunnen onderkennen dat er sprake is van een herzieningssituatie, maar afhankelijk zijn van een kopie van een WW-beschikking van het UWV. Het UWV heeft in zijn uitvoeringstoets aangegeven het versturen van kopieën van beschikkingen niet in alle gevallen foutloos te kunnen uitvoeren. Vooral op het moment van invoering leidt dit tot een stapeling van complexiteit: vanaf 2020 zullen uitvoeringsorganisaties, werkgevers en softwareontwikkelaars de nieuwe systematiek moeten inregelen – op zichzelf al een omvangrijke klus die van alle partijen veel aandacht en capaciteit opeisen – en met name de aan de WW gerelateerde herzieningssituaties voegen daar veel complexiteit aan toe. Daarnaast wordt het risico op fouten direct na invoering vergroot doordat het UWV op dat moment nog niet beschikt over de correcte loonaangiften van de eerste maanden waarin de gegevens zijn opgenomen die werkgevers per 2020 moeten doorgeven aan de Belastingdienst.

Het bovenstaande is, gelet op het advies van de Afdeling, voor het kabinet reden om te kiezen voor een getrapte inwerkingtreding van de herzieningssituaties. Concreet betekent dit dat de aan de WW gerelateerde herzieningssituaties niet per 2020 in werking zullen treden, dat het UWV voor deze situaties nog geen kopieën van WW-beschikkingen zal gaan versturen, en dat werkgevers in deze situaties de lage premie niet hoeven te herzien. Deze getrapte invoering betekent voor 2020 een aanmerkelijke vereenvoudiging die het UWV, de Belastingdienst, en werkgevers in staat stelt om te focussen op de invoering van de hoofdregel van de premiesystematiek en de twee herzieningssituaties die door werkgevers zelf te onderkennen zijn. Op deze manier worden de uitvoeringsrisico’s op het moment van invoering beperkt.

Uiteraard staat daar het risico op omzeiling van de hoge premie tegenover. Het kabinet acht dit aanvaardbaar omdat naar verwachting de risico’s verbonden aan deze twee herzieningssituaties beperkter zijn dan de risico’s verbonden aan de andere twee herzieningssituaties die wel in werking treden, terwijl de uitvoeringslasten en -risico’s die aan de WW gerelateerde herzieningssituaties zijn verbonden juist groot zijn. Latere invoering geeft ook de mogelijkheid om de omvang van de risico’s op omzeiling in kaart te brengen. Ik zal dan ook extra gaan inzetten op het monitoren van mogelijke ontwijking van de hoge premie en hier specifiek onderzoek naar laten verrichten. Dat onderzoek zal begin 2021 plaatsvinden omdat vanaf dat moment de eerste ervaringen met de nieuwe systematiek bekend zijn. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek zal ik bezien of, en zo ja wanneer, inwerkingtreding van de betreffende herzieningssituaties alsnog nodig is. Ik zal uw Kamer te zijner tijd informeren over de resultaten van dit onderzoek en de conclusies die ik daaraan verbind.

Het integrale advies van de Afdeling en het nader rapport zullen zo snel mogelijk worden gepubliceerd in de Staatscourant.

Een afschrift van deze brief heb ik heden aan de Voorzitter van de Eerste Kamer gezonden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstuk 35 074, nr. 3.

X Noot
2

Het betreft herzieningssituaties 3 en 4 zoals beschreven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wab.