Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935040 nr. 3

35 040 Initiatiefnota van het lid Bruins over ondernemen met een maatschappelijke missie

Nr. 3 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 april 2019

De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de initiatiefnemer over de Initiatiefnota van het lid Bruins over ondernemen met een maatschappelijke missie (Kamerstuk 35 040, nr. 2).

De vragen en opmerkingen zijn op 15 november 2018 aan de initiatiefnemer voorgelegd. Bij brief van 26 april 2019 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Diks

De adjunct-griffier van de commissie, Kruithof

Inhoudsopgave

Blz.

     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II

Antwoord / Reactie van de initiatiefnemer

13

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota van de initiatiefnemer over ondernemen met een maatschappelijke missie die onder meer een aanzet is tot invulling van de zin in het regeerakkoord 2017–2021 dat er passende regels en meer ruimte voor ondernemingen met sociale of maatschappelijke doelen met behoud van een gelijk speelveld komen. Deze leden hebben hierbij enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de door de Europese Unie (EU) gebruikte definitie van «social enterprise». Wat is de precieze definitie die de initiatiefnemer wenst te hanteren voor sociaal ondernemers en hoe wordt deze afgebakend? Deelt de initiatiefnemer de mening van deze leden dat de definitie van sociaal ondernemen niet eenduidig is? Hoe denkt de initiatiefnemer te voorkomen dat discussie ontstaat over de definitie en de eventueel daaraan te koppelen voordelen?

De leden van de VVD-fractie willen weten hoe een aldus gedefinieerde ondernemer zich verhoudt tot een familiebedrijf of lokale ondernemer die bijvoorbeeld mensen met een beperking in dienst heeft of lokale activiteiten sponsort. Wat heeft een beoogde voorrangspositie voor dergelijke ondernemers tot gevolg voor familiebedrijven en lokale ondernemers? Deze leden willen weten wat het initiatief van de initiatiefnemer gaat betekenen voor de administratieve lasten voor ondernemers. Wat verwacht de initiatiefnemer van de toepassing van de MKB-toets op de voorstellen in de initiatiefnota?

De leden van de VVD-fractie willen graag een reactie van de initiatiefnemer op de vraag of de betreffende ondernemers op deze voorstellen zitten te wachten. Deze leden vragen de initiatiefnemer om hierbij het rondetafelgesprek van het voorjaar 2018 te betrekken.

De leden van de VVD-fractie willen de initiatiefnemer vragen een inschatting te maken van het aantal door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen binnen het totaal aantal ondernemingen in Nederland. Hoeveel procent van het totaal aantal door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen heeft behoefte aan de rechtsvorm Besloten Vennootschap maatschappelijk (BVm)? Deze leden willen weten of de rechtsvorm BVm louter een vorm van erkenning zou moeten zijn van de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen. Zij willen weten welke wettelijke wijzigingen de initiatiefnemer voorziet na het opnemen van een apart gedefinieerde verschijningsvorm van een rechtspersoon. Oftewel, wat zijn de juridische vervolgstappen na de wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)?

In hoeverre is de initiatiefnemer het met de leden van de VVD-fractie eens dat heel veel bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) met een winstoogmerk ook sociaal ondernemen of actief zijn binnen het sociale domein? Deze leden willen weten of de initiatiefnemer de mening deelt dat bij ieder bedrijf geld verdienen een middel is om de missie van het bedrijf te bereiken.

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat de initiatiefnemer het volgende stelt: «Toch onderscheiden sociaal ondernemers zich van andere ondernemers. Niet omdat zij innovatiever of beter zijn, maar omdat zij de maatschappelijke missie expliciet vooropstellen. Deze ondernemers zijn koplopers in het bereiken van deze missie.» Deze leden willen graag weten met welk aandeel de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemers zich onderscheiden van ondernemers in het bereiken en vooropstellen van een maatschappelijke missie.

De leden van de VVD-fractie willen weten of de initiatiefnemer overwogen heeft de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen in aanmerking te laten komen voor een status als algemeen nut beogende instelling (ANBI), om naast marktinkomsten ook geefgeld te kunnen ontvangen?

De leden van de VVD-fractie willen van de initiatiefnemer weten hoe voorkomen wordt dat er sprake is van een ongelijk speelveld door het toekennen van een aparte rechtsvorm aan de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemers. Deze leden hebben met belangstelling de aanbevelingen van de initiatiefnemer gelezen om de kracht van de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen verder te benutten. Zij willen graag weten op welke punten de belemmeringen op het gebied van aanbesteden en financiering voor de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen zich onderscheiden van andere ondernemingen die vallen binnen het mkb en startups. Deze leden willen ook meer weten over de belemmeringen (vanuit het huidig wettelijk kader en overheidsbeleid) waar een bedrijf zoals The Colour Kitchen tegen aanloopt.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar wetgeving in EU-lidstaten en de Verenigde Staten. Deze leden willen weten of en zo nee, waarom ondersteuning en verdere ontwikkeling van de sociale sector onder de huidige wet- en regelgeving niet mogelijk wordt geacht.

De leden van de VVD-fractie willen van de initiatiefnemer weten hoe groot de huidige belemmeringen voor de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemers zijn en of zij juist vanwege hun juridische positie als sociaal ondernemer geen problemen ondervinden met het vinden van financiering. Welke praktische problemen ondervinden de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemers met het werken vanuit hun huidige juridische constructie?

De leden van de VVD-fractie hebben met de betrekking tot de lijst met mogelijke criteria enkele vragen. Is de initiatiefnemer het met deze leden eens dat het vooropstellen van een maatschappelijke missie en het inhoudelijk vastleggen van de missie in de statuten onder de huidige wet- en regelgeving al mogelijk is? Hoe wil de initiatiefnemer voorkomen dat de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemer wordt beperkt in zijn ondernemersvrijheid door het vastleggen van de betrokkenheid van stakeholders in de statuten? Daarnaast zijn deze leden benieuwd naar de wettelijk vast te leggen minimumeisen, onder meer voor wat betreft het deel van de winst die geïnvesteerd moet worden in de missie?

De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoe de initiatiefnemer denkt te voorkomen dat fiscale faciliteiten een oneigenlijk argument zouden kunnen worden voor een organisatie om te kiezen voor de specifieke rechtsvorm en welke kaders daarbij worden gesteld.

De leden van de VVD-fractie lezen dat bij de beslispunten wordt gesteld dat de Code Sociaal Ondernemen wettelijk verankerd dient te worden. In de voorafgaande paragrafen wordt gesuggereerd daar een onderzoek naar te doen. Graag ontvangen deze leden een toelichting op het beslispunt. Kan de initiatiefnemer ingaan op de meerwaarde van het wettelijk verankeren van de Code Sociaal Ondernemen?

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd of, en zo ja welke, extra maatregelen de initiatiefnemer in gedachten heeft om invulling te geven aan erkenning en herkenning van de in de nota bedoelde ondernemers die de daarbij gepercipieerde belemmeringen wegnemen.

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd of de initiatiefnemer de mening deelt dat er op dit moment al eisen kunnen worden gesteld aan aanbestedingen. Welke belemmeringen zijn er momenteel voor de door de initiatiefnemer in de nota bedoelde ondernemingen om via het concept van het «Right to Challenge» alternatieven te bedenken voor maatschappelijke uitdagingen?

De leden van de VVD-fractie willen weten welke rol het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) speelt in het koppelen van de in de door de initiatiefnemer in de nota bedoelde ondernemers aan de kaartenbakken, waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn? Ziet de initiatiefnemer hier een rol voor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het doel van de initiatiefnota. Deze leden vinden het positief dat de initiatiefnemer zoekt naar mogelijkheden om sociaal ondernemen te stimuleren. Wel hebben deze leden vragen om beter te kunnen beoordelen of de voorgestelde voorstellen de beste oplossingen zijn om dit doel te bereiken. Verder hebben zij vragen om beter te kunnen beoordelen of het wenselijk is de regering te verzoeken om een relatief groot aantal acties te laten ondernemen, waarbij vooralsnog onduidelijkheid bestaat bij deze leden welke effecten hieruit (kunnen) voortkomen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemer voorstelt om sociale ondernemingen herkenbaar te maken door een modaliteit op bestaande rechtsvormen. Deze leden vragen welke rechtsvormen hierbij worden bedoeld. De initiatiefnemer stelt voor een modaliteit in Boek 2 van het BW vast te leggen: de BVm. Wat zijn hiervan de voor- en de nadelen? Zou de initiatiefnemer een overzicht kunnen geven wat de gevolgen van deze maatregel zijn op het gebied van fiscaliteit? Is het juridisch gezien mogelijk om een BVm vast te leggen in het BW? Weet de initiatiefnemer of het een specifieke reden heeft dat het BW op dit moment geen rekening houdt met een tussenvorm? Is er bijvoorbeeld al eerder over nagedacht, maar zijn er toen nadelen geconstateerd? Indien er wordt overgegaan van een BV naar BVm, zou er dan sprake moeten zijn van een overgangsregeling om hoge administratieve kosten te voorkomen?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de Sociaal-Economische Raad (SER) in het advies «Sociale ondernemingen: een verkennend advies» uit 2015 pleit voor terughoudendheid bij het inzetten van overheidsbeleid waarvoor een harde afbakening nodig is van sociale ondernemingen als groep. Kiest de initiatiefnemer ondanks dit advies voor een harde afbakening en zo ja, waarom? Verwacht de initiatiefnemer dat indien dit voorstel werkelijkheid zou worden bedrijven een tweede tak kunnen gaan opzetten naast het reguliere bedrijf en zo ja, hoe kijkt de initiatiefnemer hier tegenaan? Deze leden hebben namelijk signalen ontvangen dat je dit eerder ook zag bij de opkomst van stichtingen om zodoende een ANBI-status te krijgen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende definities bestaan voor sociaal ondernemen, waaronder de definitie zoals geformuleerd door de EU. Deze leden vragen of zij het goed begrijpen dat de initiatiefnemer in deze initiatiefnota aan de geformuleerde definitie door de EU zelf een eigen term aan toevoegt. Zo ja, is het niet verstandiger om bij de EU definitie aan te sluiten? De SER (2015) geeft aan dat er geen natuurlijke harde grens bestaat tussen sociale ondernemingen en overige ondernemingen of niet-ondernemingen. Door middel van juridische definities zou volgens de SER een willekeurige harde grens kunnen worden getrokken met als risico’s onbedoelde neveneffecten, averechtse prikkels en hoge administratieve lasten. Is de initiatiefnemer dit met de SER eens? Deze leden vragen wat de initiatiefnemer als verschillen ziet tussen maatschappelijk verantwoord ondernemen en sociaal ondernemen.

De leden van de CDA-fractie lezen in de nota dat bij 16 Europese landen inmiddels sprake is van een bijzondere rechtsvorm voor «social enterprises». Deze leden vragen of de initiatiefnemer een overzicht kan geven welke 16 landen dit zijn en welke specifieke rechtsvorm zij hebben. Daarnaast vragen deze leden wat de ervaringen zijn in die landen bij deze specifieke rechtsvormen? Hoe kijkt de initiatiefnemer hierbij specifiek aan tegen de coöperatieve rechtsvorm, het juridische label en de vennootschapsvorm? Wat zijn de voor- en nadelen hiervan?

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de initiatiefnemer in de initiatiefnota een uitspraak aanhaalt van dr. mr. Helder. Helder geeft aan dat het uit juridisch oogpunt zonder meer mogelijk is een NV of BV op te richten met een maatschappelijk doel, waarbij eventueel de stemgerechtigden zich committeren om niet te besluiten tot uitkering van winst. Het probleem zit volgens Helder echter in de beeldvorming. De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd of juridische verankering de enige mogelijkheid is om dat probleem rond de beeldvorming op te lossen. Kan de initiatiefnemer aangeven of juridische verankering innovatie op het terrein van sociaal ondernemerschap zou kunnen belemmeren? Verder vragen deze leden wat in andere landen de ervaringen zijn van harde en zachte wettelijke criteria in de wet op het gebied van sociaal ondernemen.

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd hoe maatschappelijke impact op dit moment wordt gemeten en wat de ervaringen hierbij zijn. Zou naast intern toezicht ook extern toezicht nodig zijn en zo ja, wie zou deze rol volgens de initiatiefnemer moeten vervullen in Nederland?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer verschillende aanbevelingen doet om de kracht van sociale ondernemingen verder te benutten. Zouden volgens de initiatiefnemer alle aanbevelingen opgepakt moeten worden of is het doel van de initiatiefnemer om aan te geven wat eventuele mogelijkheden zouden kunnen zijn, om daarna nader te bezien welke het meest nuttig kunnen zijn? Kan de initiatiefnemer per aanbeveling aangeven hoe zij op deze aanbevelingen is gekomen? Kan de initiatiefnemer verder per aanbeveling aangeven in hoeverre hier steun voor is vanuit het maatschappelijke middenveld? Daarnaast zijn deze leden benieuwd of de initiatiefnemer nog een klankbordgroep met actieve bestuurders uit het maatschappelijk bedrijfsleven heeft overwogen en zo niet, of dit eventueel wat zou kunnen zijn om kennisdeling te stimuleren.

De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer specifieker zou kunnen weergeven wat het verwachte effect is om maatschappelijke modaliteit juridisch vast te leggen in het BW op de regeldruk. Kan de initiatiefnemer daarnaast nader toelichten waarom in het algemeen wordt verwacht dat de voorstellen in de initiatiefnota beperkte budgettaire gevolgen zullen hebben? Kan met deze voorstellen meer impact worden gerealiseerd op het gebied van ondernemen met een maatschappelijke missie, zonder dat hier veel meer administratieve rompslomp bij komt kijken? Kan de initiatiefnemer aangeven of bepaalde maatregelen tot oneerlijke concurrentie kunnen leiden?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer de Kamer vraagt in te stemmen om de regering te verzoeken om 16 acties te ondernemen. Deze leden vragen de initiatiefnemer of het relatief gezien niet wat veel acties zijn. Is de initiatiefnemer niet van mening dat (bepaalde) acties nader onderzocht moeten worden om te kunnen besluiten of het wel of niet verstandig is dat de regering een bepaalde actie onderneemt? Waarom stelt de initiatiefnemer voor om nu al met 16 acties in te stemmen, zonder af te wachten welk voorstel de regering op tafel legt hoe zij het regeerakkoord wil uitwerken om te komen tot «passende regels en meer ruimte voor ondernemingen met sociale of maatschappelijke doelen met behoud van een gelijk speelveld»?

De leden van de CDA-fractie lezen verder dat de initiatiefnemer voorstelt de Code Sociaal Ondernemen wettelijk te verankeren. Indien naar franchise wordt gekeken is daar juist het voornemen om de Nederlandse Franchise Code niet wettelijk te verankeren, maar om in plaats daarvan in wettelijke kaders omtrent franchise te voorzien. Zou dit voor sociaal ondernemen ook niet effectiever kunnen zijn? Ziet de initiatiefnemer ook nadelen aan het wettelijk verankeren van een code of zijn mogelijke nadelen bekend? Zo ja welke? Deze leden zijn verder benieuwd in hoeverre één loket voor sociaal ondernemers reëel is. Brengt dit extra financiële gevolgen met zich mee voor de regering? Zo ja welke? Zij lezen verder dat de initiatiefnemer gerichte toekenning van (een deel van) overheidsfondsen aan sociale ondernemingen voorstelt. Van welke andere ondernemingen zou het ten kosten gaan indien overheidsfondsen zich meer gaan richten op sociaal ondernemingen?

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de SER in haar advies (2015) aangeeft het niet wenselijk te vinden stimuleringsmaatregelen en overige ingrijpende beleidsmaatregelen uitsluitend voor sociale ondernemingen in te richten. Kan de initiatiefnemer in relatie tot dit voorstel hier op reflecteren? Zijn er eventuele alternatieven dat sociale ondernemers daadwerkelijk betere toegang kunnen krijgen tot financiers? Deze leden zijn verder benieuwd wat de gevolgen van het voorstel zijn om maatschappelijke modaliteit als eis te stellen aan ondernemingen in bepaalde sectoren van groot maatschappelijk belang, zoals de kinderopvang. Hoe kijken de sectoren en de kinderopvang zelf aan tegen dit voorstel? Deze leden vragen verder op welke wijze garantieregelingen vanuit de overheid beter in zouden kunnen worden gericht op sociale ondernemingen. De initiatiefnemer stelt tot slot voor dat de regering de uitbreiding van de succesvolle Social Impact Bonds naar meer gemeenten moet stimuleren. Kan de initiatiefnemer aangeven of het Rijk hierover gaat of dat dit een taak is van gemeenten zelf?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennis genomen van het doel van de initiatiefnota van de initiatiefnemer. Deze leden danken de initiatiefnemer voor zijn werk dat gestoken is in deze nota. Zij kijken uit naar de antwoorden op hun vragen en het overleg, waarna zij zich verder zullen buigen over de beslispunten.

De leden van de D66-fractie wensen nu de volgende vragen en opmerkingen over de initiatiefnota voor te leggen.

De leden van de D66-fractie lezen de veronderstelling dat sociaal ondernemers zich onderscheiden van stichtingen doordat zij een verdienmodel hanteren en een product of dienst verkopen. Is de initiatiefnemer bekend met de mogelijkheid die een stichting heeft om een onderneming te hebben? Deze leden wijzen erop dat ook een onderneming die gekoppeld is aan een stichting winst kan en mag maken door deel te nemen aan het economisch verkeer, waarbij de eventuele winst ten goede moet komen aan het doel. Kan de initiatiefnemer uitleggen hoe een sociaal ondernemer zich onderscheidt van een stichting met onderneming met een sociaal doel?

De leden van de D66-fractie lezen dat stichtingen «minder geschikt» zouden zijn voor ondernemers. Wat bedoelt de initiatiefnemer met deze stelling en wat is de onderbouwing?

De leden van de D66-fractie nemen kennis van het geschetste verdienmodel van een sociale ondernemer, dat zich zou onderscheiden van een BV omdat het grootste deel van de inkomsten geherinvesteerd wordt in de maatschappelijke missie. Hoe kan volgens de initiatiefnemer worden aangetoond dat het hierbij daadwerkelijk om een maatschappelijke missie gaat en niet om het doel een (bescheiden) winst te genereren of het businessmodel te versterken?

De leden van de D66-fractie delen de opvatting dat extra erkenning nodig is van sociale ondernemingen. Deze leden vragen wel of een juridische afbakening het juiste middel hier voor is. Waaruit blijkt de behoefte van ondernemers om dit via een modaliteit in het Burgerlijk Wetboek te regelen?

De leden van de D66-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomen van de keuze van de initiatiefnemer om niet de term sociaal op te nemen in de BV-modaliteit, maar de term maatschappelijk. Deze leden zouden liever zien dat er wordt aangesloten bij de definitie zoals de SER en de Europese Unie die hanteren en de initiatiefnemer dus zou kiezen voor een Besloten Vennootschap sociaal (BVs). Zij zijn van mening dat alle bedrijven op de een of andere manier bijdragen aan onze maatschappij. De modaliteit BVm zou negatief kunnen afstralen op bedrijven die vanwege bijvoorbeeld organisatorische redenen níet kiezen voor een BVm maar wel een maatschappelijke missie nastreven. Deelt de initiatiefnemer deze inschatting?

De leden van de D66-fractie lezen dat ondernemers het recht zouden moeten krijgen om samen met of in plaats van de overheid maatschappelijke doelen te halen. Kan de initiatiefnemer aangeven wat volgens hem de belemmeringen zouden zijn om dat op dit moment niet te kunnen? Deze leden wensen erop te wijzen dat er in diverse sectoren door ondernemers en overheden zeer succesvol wordt samengewerkt aan het behalen van maatschappelijke doelen.

De leden van de D66-fractie zijn verheugd met de passage uit het regeerakkoord waarin gesteld wordt dat er meer passende regels en meer ruimte komt voor ondernemingen met sociale of maatschappelijke doelen. Deze leden wensen wel te onderstrepen dat het behoud van een gelijk speelveld voorwaardelijk is. Zij zullen daar later in hun inbreng op terugkomen.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van de passage over de Code Sociaal Ondernemen. Deze leden lezen in de nota nergens waaruit de behoefte blijkt om de Code wettelijk te verankeren. Wat is de meerwaarde van een wettelijke verankering, aangezien de Code nu al niet-vrijblijvend is? Hoe draagt een wettelijke verankering bij aan de doelen van de Code: a) een betere positionering van ondernemingen en b) een basis om beleid op te voeren?

De leden van de D66-fractie constateren dat sociale ondernemingen belemmeringen ervaren op het gebied van regels en beleid vanuit de overheid. Deze leden merken op dat vrijwel alle ondernemers in Nederland regeldruk ervaren vanuit de overheid. Dit is dus niet uitsluitend iets waar sociale ondernemers tegenaan lopen. De leden van de D66-fractie lopen voorop als het gaat om het wegnemen van regeldruk voor ondernemers en wensen hier met de initiatiefnemer samen in op te trekken. Kan de initiatiefnemer inzichtelijk maken hoe een juridische verankering van een BV-modaliteit bijdraagt aan het verlagen van regeldruk voor een ondernemer? Deze leden wensen hier bij op te merken dat de initiatiefnemer zelf een toename van de administratieve lasten verwacht voor ondernemers (zie financiële consequenties).

De leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer zich baseert op conclusies uit het rapport van McKinsey (2016) en de Social Enterprise Monitor (2015). Deze leden wijzen erop dat de sector sindsdien is geprofessionaliseerd, meer sociale ondernemingen winst zijn gaan maken en dus in een bloeitijd verkeren. Dit komt heel duidelijk naar voeren uit de jaarlijkse monitor van Sociale Enterprise NL die verscheen in september 2018. Daarnaast heeft de overheid sindsdien diverse (beleid)veranderingen doorgevoerd op het gebied van aanbestedingen, het mogelijk maken om kapitaal aan te trekken, et cetera. Deze leden zouden graag zien dat er gewerkt wordt met meer actuele cijfers en onderzoeken zodat aannames in het juiste perspectief kunnen worden geplaatst.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van de stelling van de initiatiefnemer dat een stichting geen of nauwelijks risicodragend kapitaal zou kunnen aantrekken. Kan de initiatiefnemer dit onderbouwen en daarbij specifiek ingaan op een onderneming die bij een stichting hoort?

De leden van de D66-fractie merken op dat de initiatiefnemer een lijst voorstelt met mogelijke criteria die opgenomen zouden moeten worden in het Burgerlijk Wetboek. Deze leden wijzen erop dat de door de initiatiefnemer voorgestelde criteria ook notarieel en statutair verankerd kunnen worden via een stichting met onderneming. Hoe komt de initiatiefnemer tot de afweging dat dit beter vastgelegd kan worden in een aparte BV-modaliteit? Waarom zou het stellen van criteria aan de statuten de invulling van het maatschappelijk belang niet stevig genoeg inkaderen? Waaruit blijkt het risico dat dit leidt tot ongewenste effecten of misbruik?

De leden van de D66-fractie constateren dat sociale ondernemingen moeite hebben om de overheid als klant te bereiken. Lokaal overheidsbeleid wordt als een van de belangrijkste hindernissen gezien voor verdere groei en ontwikkeling. Deze leden kijken dan ook heel nadrukkelijk naar gemeenten, waar op het gebied van inkoop, flexibiliteit, verkokering, financiering en kennis een grote verbeterslag valt te maken.

De leden van de D66-fractie delen de aanmoediging van de initiatiefnemer voor meer maatschappelijk verantwoord inkopen door de overheid. Deze leden wijzen hierbij op de mogelijkheden die de Aanbestedingswet 2012 (als uitvoering van EU Richtlijn 2014/24) reeds biedt. Ook is het reeds mogelijk voor aanbestedende diensten om extra criteria op te nemen naast het hoofddoel (de opdracht te gunnen aan de partij die de economisch meest voordelige inschrijving doet) om zo een nevendoel te realiseren, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie, milieu of sociaal gebied. Wat draagt een aparte modaliteit bij aan een beter aanbestedingsbeleid?

De leden van de D66-fractie nemen kennis van de aanbeveling van de initiatiefnemer om garantieregelingen vanuit de overheid beter in te richten op sociale ondernemingen en sociale innovaties en om het mandaat van regionale ontwikkelingsmaatschappijen te verruimen voor een betere toegang tot kapitaal. Kan de initiatiefnemer aangeven hoe dit zich verhoudt tot het Europees staatssteunkader?

De leden van de D66-fractie delen niet de opvatting van de initiatiefnemer dat Invest-NL specifiek sociale ondernemingen in het vizier moet hebben. Deze leden vinden dat Invest-NL zich niet moet richten op het type onderneming, maar op het type doel, het risico en de soliditeit van de businesscase.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van het voorstel van de initiatiefnemer om sociale ondernemingen te bevoordelen ten opzichte van andere ondernemers bij leningen, garanties en participaties. Deze leden vinden dit voorstel niet correct omdat dit andere ondernemers benadeeld en een ongelijk speelveld creëert, wat haaks staat op de afspraak in het regeerakkoord.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van het voorstel om een apart loket in te richten bij de overheid voor sociale ondernemers. Waarom kiest de initiatiefnemer voor een apart loket, terwijl er de afgelopen jaren – juist op verzoek van ondernemers – is toegewerkt naar één loket dat nu inmiddels bestaat en onder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) valt?

De leden van de D66-fractie nemen afstand van het voorstel van de initiatiefnemer om sociale ondernemers indirect fiscale voordelen te geven. Ten eerste vanwege dezelfde argumenten die deze leden hebben ingebracht ten aanzien van het voorstel van de initiatiefnemer om sociale ondernemingen te bevoordelen bij leningen, garanties en participaties. Ten tweede omdat dit ertoe kan leiden dat bedrijven vanwege dit oneigenlijk argument kiezen voor deze rechtsvorm, zodat zij fiscaal voordeel kunnen genieten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van GroenLinks-fractie zijn zeer verheugd om kennis te nemen van de initiatiefnota van het lid Bruins over ondernemen met een maatschappelijke missie. Deze leden zijn blij dat de initiatiefnemer de tijd heeft genomen om dit belangrijke onderwerp aan te kaarten. Deze leden vinden het belangrijk dat sociale ondernemers – zij die zich inzetten om maatschappelijke problemen creatief op te lossen – zoveel mogelijk gestimuleerd worden en dat zij extra erkenning krijgen. De leden van GroenLinks-fractie zijn daarom voorstander van het voorstel van het lid Bruins om een modaliteit aan de bestaande rechtsvorm Besloten Vennootschap (BV) toe te voegen en daarmee het BV maatschappelijk (BVm) in het BW vast te leggen.

De leden van GroenLinks-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de drie rechtsvormen die in Europa het vaakst voorkomen: de coöperatieve rechtsvorm, het juridische label en de vennootschapsvorm. Kan de initiatiefnemer toelichten wat de voor- en nadelen van deze rechtsvormen zijn? De initiatiefnemer stelt ook dat een elf procent van de sociale ondernemers kiest voor een BV met een gelieerde stichting om het maatschappelijke doel te borgen of om naast marktinkomsten geefgeld te kunnen ontvangen. Kan de initiatiefnemer nog eens duidelijk schetsen waarom veel BV’s er nog een stichting naast moeten hebben? Deze leden stellen vast dat ook het kabinet-Balkenende IV een wetsvoorstel indiende dat een rechtsvorm voor maatschappelijke ondernemingen (MO) introduceerde en dat dit later weer ingetrokken is. Kan de initiatiefnemer toelichten wat destijds de reden was om dit wetsvoorstel in te trekken?

De leden van GroenLinks-fractie vinden het een goed idee om heldere criteria aan de BVm in de wet vast te leggen, waarbij één van de mogelijke criteria is dat de maatschappelijke vennootschap het grootse deel van de winst herinvesteert in de missie. Kan de initiatiefnemer toelichten om wat voor percentage dat zou gaan en hoe dit criterium in de praktijk zal worden gecontroleerd? De initiatiefnemer stelt ook dat de modaliteit «maatschappelijk» ook op andere rechtsvormen, zoals de coöperatie, kan worden toegepast. Kan de initiatiefnemer toelichten wat de redenen zijn voor het breder toepasbaar maken van modaliteit, ook op een coöperatie?

De leden van GroenLinks-fractie zijn het met de initiatiefnemer eens dat het belangrijk is om binnen het nieuw op te richten Invest-NL ook sociale ondernemingen een belangrijke rol moeten spelen. Is de initiatiefnemer het met deze leden eens dat sociale ondernemingen zelfs voorrang zouden moeten krijgen bij het verkrijgen van financiering op grote bedrijven met een onderzoeksafdeling? Tot slot beschrijft de initiatiefnemer dat werknemers uit de «kaartenbak» moeilijk te vinden zijn door sociale ondernemingen en dat daarom gemeenten en het Ministerie van SZW betrokken moeten worden. Kan de initiatiefnemer uitleggen wat het verschil is tussen een gewoon bedrijf dat een percentage mensen met een arbeidsbeperking in dienst moet nemen en een BVm? Hoe verhouden deze zich tot elkaar?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota en danken het lid Bruins voor het genomen initiatief.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat stichtingen minder geschikt zijn voor het drijven van een sociale onderneming omdat zij onder andere moeilijk risicodragend kapitaal kunnen aantrekken. Toch lezen deze leden dat ruim twintig procent van de sociale ondernemingen kiest voor deze vorm. Zij vragen de initiatiefnemer in hoeverre de problemen met de stichtingsvorm in kaart zijn gebracht, waarom een vijfde van de sociale ondernemingen toch kiest voor de stichtingsvorm en of deze voor een andere vennootschapsvorm zou kiezen indien deze in het leven werd geroepen.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat een beperkt deel van de winst wordt uitgekeerd door sociale ondernemingen. Deze leden vragen de initiatiefnemer aan te geven welk deel van de winst van alle sociale ondernemingen momenteel wordt uitgekeerd aan eigenaars en hoe dit zich verhoudt tot reguliere bedrijven van vergelijkbare omvang. Zij vragen tevens of de initiatiefnemer van mening is dat wettelijke winstuitkeringsbeperkingen moeten worden opgelegd aan degenen die het predicaat sociale onderneming willen dragen en of de initiatiefnemer de mening van deze leden deelt dat medewerkers van de sociale onderneming hier een belangrijke stem in moeten hebben.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat sociale ondernemingen goed gebruik kunnen maken van de in het regeerakkoord opgenomen «Right to Challenge». Deze leden zijn benieuwd hoe de initiatiefnemer wil borgen dat de publieke taken die op deze manier worden belegd bij sociale ondernemingen ook gegarandeerd worden uitgevoerd, of de risico’s om dit bij sociale ondernemingen te doen in kaart zijn gebracht en hoe moet worden omgegaan met de kosten als een sociale onderneming onverhoopt de bij haar belegde taak niet kan uitvoeren.

De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemer toe te lichten welke aanleiding bestaat om de Code Sociaal Ondernemen in wetgeving te verankeren. Een dergelijke verankering bestaat inderdaad reeds sinds 2004 bij de Corporate Governance Code en is enkele jaren geleden overwogen bij de Nederlandse Franchise Code. Bij de Corporate Governance Code ging hier een grote maatschappelijke roep aan vooraf na maatschappelijke ontevredenheid omtrent het gedrag van bedrijven, het gebrek aan verantwoording aan de rest van de maatschappij door bestuurders van bedrijven en het onvermogen om bestuurders aan te spreken op misstanden. De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemer daarom aan te geven welke maatschappelijke misstanden zouden worden opgelost en welke maatschappelijke noden worden gelenigd door wettelijke verankering. Tevens vragen deze leden de initiatiefnemer aan te geven in welke mate de Code Sociaal Ondernemen ondersteund wordt door de verschillende sectoren die worden geraakt door de Code en in welke mate de opstellers ervan representatief zijn voor alle belanghebbenden.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat de besloten vennootschap sociale ondernemingen te weinig ruimte zou bieden om de maatschappelijke missie te borgen en sterk de nadruk op financiële aandeelhouderswaarde legt. Toch zien zij dat bijna de helft van de sociale ondernemingen deze rechtsvorm heeft. Deze leden vernemen daarom graag van de initiatiefnemer tegen welke praktische problemen BV’s die een sociale onderneming zijn nu aanlopen, of zij in deze rechtsvorm belet worden in het nastreven van een maatschappelijke missie en of dit cijfermatig gestaafd kan worden.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat in de voorgestelde BVm terughoudend wordt omgegaan met winstuitkering en dat in andere landen een dividendklem, een vermogensklem en/of een maximering van het inkomen van de top van toepassing is. Deze leden vragen waarom de initiatiefnemer een vorm voorstelt waarbij winstuitkering onbeperkt is, maar maatschappelijk moet worden verantwoord en in hoeverre stakeholderoverleg over de winstuitkering verschilt van de praktijk onder de Corporate Governance Code. In deze code is immers vastgelegd dat bestuurders van ondernemingen hun afwegingen moeten maken in het langetermijnbelang van de onderneming en daarin de belangen moeten afwegen van alle stakeholders. Tevens vragen deze leden de initiatiefnemer of in beginsel onbegrensde winstuitkering door sociale ondernemers verenigbaar is met het doel om deze ondernemingen beter subsidiabel door decentrale overheden te maken.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota van het lid Bruins over ondernemen met een maatschappelijke missie. Er zijn al heel veel sociale ondernemingen in Nederland, die een belangrijke bijdrage leveren aan de samenleving en aan werkgelegenheid. Bij het bereiken van maatschappelijke doelen zou de overheid meer gebruik moeten maken van de meerwaarde die sociale ondernemingen hebben op bijvoorbeeld sociaal of duurzaam vlak. Deze leden onderschrijven de noodzaak om sociale ondernemingen extra erkenning en herkenning te geven en om belemmeringen weg te nemen.

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn het eens met de opmerking van de initiatiefnemer dat maatschappelijke impact genereren geen exclusieve activiteit voor sociale ondernemingen is. Ook andere bedrijven zorgen voor maatschappelijke meerwaarde, bijvoorbeeld in het creëren van arbeidsplaatsen voor mensen met een arbeidsbeperking. Hoe wil de initiatiefnemer ervoor zorgen dat de voorstellen uit de nota geen negatieve gevolgen hebben voor andere ondernemingen dan sociale ondernemingen (volgens de definitie uit de nota)?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen toelichting op de voor- en nadelen van het stellen van harde (kwantitatieve) criteria in de wet, zoals de dividend- of kapitaalklem. In het buitenland is in sommige gevallen wel gekozen voor het opnemen van kwantitatieve criteria. Wat zijn de ervaringen in het buitenland?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen toelichting op de keuze om de Code Sociaal Ondernemen wettelijk te verankeren, en naar de mogelijkheid van het koppelen aan een juridisch label. Hoe staat dit in verhouding tot het wettelijk verankeren van de modaliteit? Is het voor kleine sociale ondernemingen haalbaar om aan de Code te voldoen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre de noodzaak en de behoefte bestaat om de modaliteit ook bij andere rechtsvormen dan de BV toe te passen, zoals de coöperatie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat er gebeurt als een BVm wordt omgezet in een andere rechtsvorm of wanneer fusie, splitsing of wijziging van het maatschappelijke oogmerk plaatsvindt. Is hierbij tussenkomst van de rechter nodig? Wat is de rol van de stakeholders bij een dergelijke aanpassing?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen nadere toelichting op het toezicht op de BVm. Hoe wordt voorkomen dat het maatschappelijke oogmerk uit zicht raakt? Welke rol zou de Ondernemingskamer en/of de rechter hierbij moeten spelen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende initiatiefnota. Zij waarderen de inzet van de initiatiefnemer om sociaal en maatschappelijk ondernemerschap te stimuleren en te faciliteren. Zij hebben nog wel enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de SER in haar rapport «Sociale ondernemingen: een verkennend advies» (mei 2015) heeft gepleit voor terughoudendheid bij het inzetten van overheidsbeleid waarvoor een harde afbakening nodig is van sociale ondernemingen als groep. Het vaststellen van een harde definitie is lastig. Er is immers sprake van een continuüm van de mate waarin ondernemingen gericht zijn op het creëren van maatschappelijke waarden. De SER acht het niet wenselijk om stimuleringsmaatregelen en overige ingrijpende beleidsmaatregelen uitsluitend voor sociale ondernemingen in te richten. De SER suggereerde om in te zetten op een label of bijzonder statuut voor sociale ondernemingen, in de vorm van statutaire vastlegging door de notaris.

De leden van de SGP-fractie hebben de indruk dat de initiatiefnemer een stap verder wil gaan. Zo ja, waarom? Hoe groot acht de initiatiefnemer het risico dat de inzet van overheidsbeleid zich specifiek gaat richten op BVm-ondernemingen en dat maatschappelijk ondernemerschap door andere bedrijven minder aandacht krijgt? Hoe zou dit voorkomen kunnen worden?

II Antwoord / Reactie van de initiatiefnemer

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota van de initiatiefnemer over ondernemen met een maatschappelijke missie die onder meer een aanzet is tot invulling van de zin in het regeerakkoord 2017–2021 dat er passende regels en meer ruimte voor ondernemingen met sociale of maatschappelijke doelen met behoud van een gelijk speelveld komen. Deze leden hebben hierbij enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de door de Europese Unie (EU) gebruikte definitie van «social enterprise». Wat is de precieze definitie die de initiatiefnemer wenst te hanteren voor sociaal ondernemers en hoe wordt deze afgebakend? Deelt de initiatiefnemer de mening van deze leden dat de definitie van sociaal ondernemen niet eenduidig is? Hoe denkt de initiatiefnemer te voorkomen dat discussie ontstaat over de definitie en de eventueel daaraan te koppelen voordelen?

(1) De initiatiefnemer houdt de definitie aan zoals geformuleerd door de EU en in de Initiatiefnota staat. Deze is in Nederland overgenomen door de SER en Social Enterprise NL. Hierover bestaat weinig discussie. Voor een verdere uitwerking zie ook het recent verschenen onderzoek van de Universiteit Utrecht1(waar de sociale onderneming wordt omschreven als «een onderneming die in haar statuten tot uitdrukking brengt dat zij tot doel heeft om maatschappelijke en economische waarde te creëren door bij te dragen aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken en de met haar ondernemende en innovatieve activiteiten behaalde winst primair te investeren in de statutaire doelstelling») of bijvoorbeeld het boek «Sociaal ondernemen, grip op het begrip» van Dr. Maarten Hogenstijn.2 De OECD pleit in haar recente rapport «Boosting Social Entrepreneurship and Social Enterprise Development in The Netherlands» ook voor het gebruik van een eenduidige definitie.3

(2) De initiatiefnemer is derhalve van mening dat de definitie eenduidig is en juist ruimte schept voor ondernemers – alle ondernemers – om zich te richten op sociaal ondernemerschap. Als zodanig waarborgt de voorgestane aanpak juist een gelijk speelveld voor alle ondernemers. Deze nieuwe vorm geeft sociaal ondernemers een nieuwe keuze, het is geen verplichting voor sociaal ondernemers om deze modaliteit te gebruiken. Ondernemen vanuit een stichting, een coöperatie of een andere vorm blijft gewoon mogelijk.

(3) De initiatiefnemer is van mening dat er geen discussie ontstaat. Aan de juridische vorm worden namelijk geen directe voordelen gekoppeld; het gaat dus om de zinsnede «meer ruimte», niet om de zinsnede «passende regels» uit het regeerakkoord. Ook de Universiteit Utrecht concludeert dat er geen directe voordelen aan de BVm moeten worden gekoppeld.4

De leden van de VVD-fractie willen weten hoe een aldus gedefinieerde ondernemer zich verhoudt tot een familiebedrijf of lokale ondernemer die bijvoorbeeld mensen met een beperking in dienst heeft of lokale activiteiten sponsort. Wat heeft een beoogde voorrangspositie voor dergelijke ondernemers tot gevolg voor familiebedrijven en lokale ondernemers? Deze leden willen weten wat het initiatief van de initiatiefnemer gaat betekenen voor de administratieve lasten voor ondernemers. Wat verwacht de initiatiefnemer van de toepassing van de MKB-toets op de voorstellen in de initiatiefnota?

(4) De juridische positie staat open voor familiebedrijven of lokale ondernemers (voor wie de maatschappelijke missie voorop staat), dat zijn immers geen juridische vormen, het een sluit het ander niet uit. De initiatiefnemer beoogt geen voorrangspositie voor de BVm als zodanig, maar wil tegemoet komen aan de behoefte van ondernemers en hun stakeholders tot meer herkenning en erkenning, en voorziet dus geen negatieve gevolgen voor familiebedrijven. De initiatiefnemer wenst met de initiatiefnota geenszins het mooie werk van familiebedrijven en lokale ondernemers onder te waarderen.

(5) Sociale ondernemingen die hun maatschappelijke missie goed willen vastleggen hebben daar nu geen goede instrumenten voor, daarom worden er allerlei ingewikkelde en kostbare constructies opgezet (denk aan verschillende vormen van stichting – BV combinaties). Sociaal Ondernemers moeten steeds uitleggen wie zij zijn en wat zij doen. Door de introductie van de BVm worden de administratieve lasten voor veel sociale ondernemingen juist verlaagd, omdat ze geen ingewikkelde juridische constructies hoeven in te stellen. Het verlagen van transactiekosten voor sociale ondernemingen noemt ook de Universiteit Utrecht als belangrijke overweging om de BVm in te voeren.5

(6) De initiatiefnemer verwacht derhalve een positieve uitkomst van de MKB-toets.

De leden van de VVD-fractie willen graag een reactie van de initiatiefnemer op de vraag of de betreffende ondernemers op deze voorstellen zitten te wachten. Deze leden vragen de initiatiefnemer om hierbij het rondetafelgesprek van het voorjaar 2018 te betrekken.

(7) Uit meerdere onderzoeken blijkt dat herkenning en erkenning van de sociale onderneming een van de grootste behoeften is, dit kwam ook veelvuldig ter sprake tijdens de Rondetafel over sociale ondernemingen op 25 april 2018. Uit de Social Enterprise Monitor 2015 blijkt dat 79% een nieuwe juridische positie zou aannemen indien deze zou bestaan.6 De SER onderkent in haar onderzoek van 2015 de behoefte eveneens, en adviseerde een «juridisch label» of een bijzonder statuut. Tegelijkertijd, zo beveelt het recente rapport van de Universiteit Utrecht aan, is onderzoek naar de omvang van het aantal ondernemingen dat zich maatschappelijk (wil) profileren wenselijk. Anders dan in andere Europese landen is in Nederland beperkt zicht op deze zich sterk ontwikkelende groep ondernemingen.

De leden van de VVD-fractie willen de initiatiefnemer vragen een inschatting te maken van het aantal door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen binnen het totaal aantal ondernemingen in Nederland. Hoeveel procent van het totaal aantal door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen heeft behoefte aan de rechtsvorm Besloten Vennootschap maatschappelijk (BVm)? Deze leden willen weten of de rechtsvorm BVm louter een vorm van erkenning zou moeten zijn van de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen. Zij willen weten welke wettelijke wijzigingen de initiatiefnemer voorziet na het opnemen van een apart gedefinieerde verschijningsvorm van een rechtspersoon. Oftewel, wat zijn de juridische vervolgstappen na de wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)?

(8) Momenteel zijn er naar schatting 6000 sociale ondernemingen in Nederland (McKinsey 2016), de sector groeit zo’n 10 procent per jaar.7 Welk deel van deze groep voor deze juridische positie kiest hangt mede af van de precieze invulling die wij daar aan geven. Mogelijk belangrijker dan voldoen aan de behoefte van een groot deel van de huidige groep en haar stakeholders is de aanzuigende werking op toekomstige ondernemers, of op ondernemers die dicht bij sociaal ondernemen staan en daartoe worden aangetrokken. Opname in het BW2 is gebaseerd op een beeld voor de lange termijn. Ook de WRR stelt in haar onderzoek «Filantropie op de grens van overheid en markt» dat veel sociale ondernemingen knelpunten ervaren en pleit daarom voor verder onderzoek naar de BVm.8 De Universiteit Utrecht sluit zich aan bij de aanbeveling en bepleit het doen van onderzoek naar de omvang en samenstelling van ondernemingen met een sociale en maatschappelijke doelstelling. Beter inzicht in de doelgroep is nodig om duidelijk aan te tonen dat het wettelijk regelen van de BVm in een maatschappelijke behoefte voorziet.

(9) De instelling van deze juridische vorm behoeft in principe geen verdere wettelijke wijzigingen en kan meteen door allerlei stakeholders worden benut. Op dit moment bestaat er al beleid waar aan ondernemers wordt gevraagd te laten zien dat hun maatschappelijke missie voorop staat. Denk aan Europese financieringsregelingen of bepaalde richtlijnen binnen de Aanbestedingswet.

In hoeverre is de initiatiefnemer het met de leden van de VVD-fractie eens dat heel veel bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) met een winstoogmerk ook sociaal ondernemen of actief zijn binnen het sociale domein? Deze leden willen weten of de initiatiefnemer de mening deelt dat bij ieder bedrijf geld verdienen een middel is om de missie van het bedrijf te bereiken.

(10) Veel bedrijven ondernemen op een zeer maatschappelijk verantwoorde manier en zij stellen daarbij steeds concretere maatschappelijke doelen, en dat is een positieve ontwikkeling. Deze bedrijven hebben geen maatschappelijke missie in de zin zoals hier bedoeld, en conformeren zich niet aan de principes van de BVm. Daarbij is het goed te beseffen dat sociale ondernemingen onderdeel zijn van een «continuüm» van organisaties die een maatschappelijke bijdrage leveren, allen zijn nodig om onze huidige maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, zie SER 2015.9

(11) Het maken van winst is voor ondernemingen met een sociale of maatschappelijke doelstelling geen doel op zichzelf. Wel is een duurzame bedrijfsvoering vereist om de doelstellingen van de onderneming te realiseren. Dat zal in de praktijk betekenen dat wel (een bescheiden) winst wordt gemaakt, juist ook om de groei van de onderneming en daarmee de realisatie van de sociale doelen mogelijk te maken. Voor veel andere bedrijven is geld verdienen het hoofddoel (het creëren van aandeelhouderswaarde), ook als het management dat op een zeer duurzame manier wil invullen (zoals we recent bij Unilever hebben gezien). Familiebedrijven zijn van nature vaak meer op de lange termijn georiënteerd, daar is het gezond veiligstellen van het bedrijf voor toekomstige generaties het hoofddoel. Maar ook familiebedrijven gaan steeds vaker in zee met private equity, investeerders, deze staan niet bekend om hun lange termijn focus.10

(12) De BVm kan een plek innemen in het sociaal domein, juist daar is bijvoorbeeld de eis van transparantie aantrekkelijk voor de overheid (zodat zichtbaar is wie de aandeelhouders zijn en welke maatschappelijke meerwaarde wordt geclaimd). Voor allerlei (met name ook grotere) bedrijven kan het interessant zijn om samen te werken met sociale ondernemingen die vaak specifieke competenties hebben op de verschillende maatschappelijke thema’s.

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat de initiatiefnemer het volgende stelt: «Toch onderscheiden sociaal ondernemers zich van andere ondernemers. Niet omdat zij innovatiever of beter zijn, maar omdat zij de maatschappelijke missie expliciet vooropstellen. Deze ondernemers zijn koplopers in het bereiken van deze missie.» Deze leden willen graag weten met welk aandeel de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemers zich onderscheiden van ondernemers in het bereiken en vooropstellen van een maatschappelijke missie.

(13) De initiatiefnemer vraagt zich af wat de vragensteller precies bedoelt met het woord «aandeel». De initiatiefnemer merkt evenwel op dat niet op voorhand is aan te geven wat de maatschappelijke bijdrage is van reguliere ondernemingen. Anders dan de sociale onderneming is hun primaire focus niet gericht op het creëren van sociale of maatschappelijke waarde, maar veelal op financiële waarde (winst). Maatschappelijke waardecreatie wordt daarmee vaak tot een (overigens zeer wenselijk) bijproduct of effect.

De leden van de VVD-fractie willen weten of de initiatiefnemer overwogen heeft de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen in aanmerking te laten komen voor een status als algemeen nut beogende instelling (ANBI), om naast marktinkomsten ook geefgeld te kunnen ontvangen?

(14) De initiatiefnemer beoogt geen fiscaal instrument te introduceren. De ANBI-status geeft donateurs aan stichtingen de gelegenheid om deze af te trekken van inkomstenbelasting of aan bedrijven om de donatie vrij te stellen van dividendbelasting (check) en is dus wel een fiscaal instrument. Het overgrote deel van de sociale ondernemingen werkt vanuit een BV, de ANBI-status is momenteel niet toepasbaar op BV’s.

De leden van de VVD-fractie willen van de initiatiefnemer weten hoe voorkomen wordt dat er sprake is van een ongelijk speelveld door het toekennen van een aparte rechtsvorm aan de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemers. Deze leden hebben met belangstelling de aanbevelingen van de initiatiefnemer gelezen om de kracht van de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen verder te benutten. Zij willen graag weten op welke punten de belemmeringen op het gebied van aanbesteden en financiering voor de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemingen zich onderscheiden van andere ondernemingen die vallen binnen het mkb en startups. Deze leden willen ook meer weten over de belemmeringen (vanuit het huidig wettelijk kader en overheidsbeleid) waar een bedrijf zoals The Colour Kitchen tegen aanloopt.

(15) De initiatiefnemer pleit niet voor een nieuwe rechtsvorm maar voor een modaliteit op de BV, deze staat in principe open voor iedere ondernemer die zich aan de regels van deze modaliteit wil en kan houden. Het is een open keuzemogelijkheid. Het gaat in eerste instantie om her- en erkenning op grond waarvan stakeholders zich tot de onderneming kunnen verhouden. Dit komt overeen met de onderzoek van de UU, zij bepleiten een «lichte» invulling van de modaliteit, en het rapport van de WRR.11

(16) Aan de modaliteit zijn geen directe (bijvoorbeeld fiscale) voordelen gekoppeld. Het gaat hier dus «meer ruimte», niet om «passende regels». Het instellen van louter deze modaliteit kan dan ook geen ongelijk speelveld veroorzaken.

(17) Door de maatschappelijke meerwaarde voorop te stellen hebben deze ondernemingen vaak een (zelfgekozen) kostennadeel. The Colour Kitchen heeft, zeker in de beginjaren, moeite gehad haar maatschappelijke missie als commercieel bedrijf over te brengen naar gemeenten. Dat heeft tot veel administratielasten en kosten geleid. Uiteindelijk kan TCK niet draaien met klanten die de allerlaagste prijs ambiëren, ook zij moeten bereid zijn om een betrokken en redelijke klant te zijn ten behoeve van de maatschappelijke meerwaarde die gezamenlijk wordt gecreëerd. Wellicht ten overvloede, de overheid is de grootste beneficiant van de meerwaarde.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar wetgeving in EU-lidstaten en de Verenigde Staten. Deze leden willen weten of en zo nee, waarom ondersteuning en verdere ontwikkeling van de sociale sector onder de huidige wet- en regelgeving niet mogelijk wordt geacht.

(18) De voorgestelde modaliteit is niet bedoeld voor «de sociale sector» maar is een breed instrument ten behoeve van bedrijven met een maatschappelijke missie, die deze missie ook voorop stellen en willen borgen.

Verdere ontwikkeling van de beweging van sociaal ondernemers onder de huidige wet- en regelgeving is mogelijk, maar de potentie zal niet ten volle benut worden, omdat ondernemers en hun stakeholders geen goede instrumenten hebben om de maatschappelijke missie van de onderneming vast te leggen. Dit is ook de conclusie van het rapport van de Universiteit Utrecht.12 Zie ook antwoord 4.

De leden van de VVD-fractie willen van de initiatiefnemer weten hoe groot de huidige belemmeringen voor de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemers zijn en of zij juist vanwege hun juridische positie als sociaal ondernemer geen problemen ondervinden met het vinden van financiering. Welke praktische problemen ondervinden de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemers met het werken vanuit hun huidige juridische constructie?

(19) Sociale ondernemingen ondervinden verschillende belemmeringen, van het aantrekken van financiering tot het vinden van grote klanten. Een deel van deze belemmeringen hangt samen met de juridische positie. Denk aan klanten of financiers die zeker willen weten dat de maatschappelijke missie van onderneming voorop staat.

De huidige ondernemingen gebruiken verschillende juridische constructies, maar het leeuwendeel werkt vanuit een (gewone) BV. De initiatiefnemer wil tegemoet komen aan de behoefte van de ondernemers en de stakeholders die zich tot hen willen verhouden, met name impact investeerders, lokale overheden en (grote) klanten. Een behoefte die wordt onderschreven door de WRR en de Universiteit Utrecht.

De leden van de VVD-fractie hebben met de betrekking tot de lijst met mogelijke criteria enkele vragen. Is de initiatiefnemer het met deze leden eens dat het vooropstellen van een maatschappelijke missie en het inhoudelijk vastleggen van de missie in de statuten onder de huidige wet- en regelgeving al mogelijk is? Hoe wil de initiatiefnemer voorkomen dat de door de initiatiefnemer gedefinieerde ondernemer wordt beperkt in zijn ondernemersvrijheid door het vastleggen van de betrokkenheid van stakeholders in de statuten? Daarnaast zijn deze leden benieuwd naar de wettelijk vast te leggen minimumeisen, onder meer voor wat betreft het deel van de winst die geïnvesteerd moet worden in de missie?

(20) Het vastleggen van de missie en van financiële randvoorwaarden ten opzichte van deze missie in de statuten is al mogelijk en zou wat betreft de indiener een noodzakelijke voorwaarde zijn, evenals het rapporteren over de mate waarin de sociale of maatschappelijke doelen worden bereikt. Statuten zijn echter eenvoudig te wijzigen en de aanspreekbaarheid van bestuurders op deze aspecten is zeer beperkt. Zie ook het recente artikel «De sociale onderneming: een kat die een hond wil zijn» van M.J.S. Spanjersberg in het Tijdschrift voor vennootschapsrecht, rechtspersonenrecht en ondernemingsbestuur.13

(21) De modaliteit kan gezien worden als een beperking van de vrijheid van aandeelhouders om wijzigingen aan te brengen in de missie van de onderneming en deze bij een eenvoudige meerderheid van stemmen om te zetten naar een reguliere onderneming (bv). Hier kiezen zij dus bewust en vrijwillig voor (niemand is verplicht om deze vorm te hanteren). Zij doen dat omdat deze aansluit op hun visie dat het bedrijf een maatschappelijke missie heeft, en niet een instrument overwegend gericht op het belang van de aandeelhouders. Dat impliceert een bepaald evenwicht tussen de stakeholders, waarbij de aandeelhouder een van de stakeholdergroepen is. De ondernemer is overigens lang niet altijd de grootaandeelhouder. De BVm kan hiermee ook zijn of haar lange-termijn positie versterken ten opzichte van externe financiers.

(22) Het is aan de ondernemer om vast te stellen hoeveel zij of hij wenst te herinvesteren in de missie en hoeveel rendement naar de aandeelhouders zou mogen vloeien. Wel is het zo dat dan van de onderneming verwacht mag worden dat deze zich verantwoordt voor de keuze ten overstaan van de relevante stakeholders.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoe de initiatiefnemer denkt te voorkomen dat fiscale faciliteiten een oneigenlijk argument zouden kunnen worden voor een organisatie om te kiezen voor de specifieke rechtsvorm en welke kaders daarbij worden gesteld.

(23) De initiatiefnemer is geen voorstander van fiscale voordelen gekoppeld aan deze modaliteit. Zie het uitgebreide antwoord bij (34)

De leden van de VVD-fractie lezen dat bij de beslispunten wordt gesteld dat de Code Sociaal Ondernemen wettelijk verankerd dient te worden. In de voorafgaande paragrafen wordt gesuggereerd daar een onderzoek naar te doen. Graag ontvangen deze leden een toelichting op het beslispunt. Kan de initiatiefnemer ingaan op de meerwaarde van het wettelijk verankeren van de Code Sociaal Ondernemen?

(24) Het wettelijk verankeren van codes onder een kader in het BW is in Nederland een bewezen manier om de balans te vinden tussen wettelijkheid, gedragenheid en flexibiliteit. De codes corporate governance, zorg, en cultuur werken op een vergelijkbare manier. Nader onderzoek is nodig om de wenselijkheid van wettelijke verankering vast te stellen. De Code kan een bijdrage leveren aan de discussie over de ontwikkeling en implementatie van sociaal ondernemerschap in Nederland, bijv. als het gaat om het bevragen van bedrijven op de mate waarin en de wijze waarop zij hun sociale en maatschappelijke doelen realiseren, omgaan met de belangen van stakeholders en rapporteren over de uitkomsten en effecten van hun handelen op de doelgroepen en doelen die zij willen bevorderen. Tegelijk moet worden bezien of wettelijke verankering de sector niet teveel inperkt en de maatschappelijk gewenste beweging zou hinderen. Graag voeg ik hier aan toe dat als het nodig of wenselijk wordt geacht om een code wettelijk te verankeren die code zou moeten gaan over het bevorderen van ondernemerschap in het licht van het oplossen van maatschappelijke vraagstukken en het behoud van een gelijk speelveld. Dat betekent dat voorkomen moet worden dat de code van een select gezelschap sociale ondernemers en hun belangenvertegenwoordiger algemeen verbindend wordt verklaard. Dan dient de code breder gedragen te worden en vereist de totstandkoming ervan de betrokkenheid van een bredere groep stakeholders.

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd of, en zo ja welke, extra maatregelen de initiatiefnemer in gedachten heeft om invulling te geven aan erkenning en herkenning van de in de nota bedoelde ondernemers die de daarbij gepercipieerde belemmeringen wegnemen.

(25) De initiatiefnota voorziet niet in «extra maatregelen».

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd of de initiatiefnemer de mening deelt dat er op dit moment al eisen kunnen worden gesteld aan aanbestedingen. Welke belemmeringen zijn er momenteel voor de door de initiatiefnemer in de nota bedoelde ondernemingen om via het concept van het «Right to Challenge» alternatieven te bedenken voor maatschappelijke uitdagingen?

(26) Ja, op dit moment kunnen al eisen worden gesteld aan aanbestedingen. Dat gaat dat niet over de rechtsvorm, maar over specifieke eisen – bijv. in het realiseren van een social return of bijv. het in dienst hebben van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De recente introductie van het Right to Challenge ziet de initiatiefnemer als een positieve ontwikkeling die betrokken burgers en overheden ruimte geeft tot gerichte samenwerkingen. Mogelijk kan de BVm hier een bijdrage aan leveren. Daar waar een BV de beste rechtsvorm vorm is voor ondernemende burgers (bijvoorbeeld waar er grotere investeringen worden gedaan zoals bij zorginitiatieven, energieopwekking, buurthuizen, openbare ruimte of sportfaciliteiten), kan de overheid de modaliteit vragen, waardoor de bestuurders gehouden zijn aan het voorop (blijven) stellen van de maatschappelijke waarde en hier transparantie over betrachten.14 Als zodanig kan de BVm publiek-private samenwerking en ondernemerschap in het semipublieke domein faciliteren.

De leden van de VVD-fractie willen weten welke rol het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) speelt in het koppelen van de in de door de initiatiefnemer in de nota bedoelde ondernemers aan de kaartenbakken, waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn? Ziet de initiatiefnemer hier een rol voor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)?

(27) De modaliteit zal gemeenten de gelegenheid geven om zich tot deze type ondernemers te verhouden, die ook zijn gehouden aan transparantie over de behaalde maatschappelijke resultaten, zoals de ontwikkeling van kwetsbare medewerkers als dat het doel is. Nu beperken gemeenten re-integratietrajecten soms tot stichtingen, omdat ze zeker willen zijn dat de maatschappelijke missie is geborgd. Zij zouden ervoor kunnen kiezen om dit uit te breiden tot BVm’s. Maar dat is een keus die iedere gemeente zelf kan maken, het ligt als zodanig niet besloten in de opzet van de modaliteit. Het ministerie en de VNG kunnen hier een rol in nemen als zij dat wensen. De initiatiefnemer zal dat te zijner tijd met belangstelling volgen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het doel van de initiatiefnota. Deze leden vinden het positief dat de initiatiefnemer zoekt naar mogelijkheden om sociaal ondernemen te stimuleren. Wel hebben deze leden vragen om beter te kunnen beoordelen of de voorgestelde voorstellen de beste oplossingen zijn om dit doel te bereiken. Verder hebben zij vragen om beter te kunnen beoordelen of het wenselijk is de regering te verzoeken om een relatief groot aantal acties te laten ondernemen, waarbij vooralsnog onduidelijkheid bestaat bij deze leden welke effecten hieruit (kunnen) voortkomen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemer voorstelt om sociale ondernemingen herkenbaar te maken door een modaliteit op bestaande rechtsvormen. Deze leden vragen welke rechtsvormen hierbij worden bedoeld. De initiatiefnemer stelt voor een modaliteit in Boek 2 van het BW vast te leggen: de BVm. Wat zijn hiervan de voor- en de nadelen? Zou de initiatiefnemer een overzicht kunnen geven wat de gevolgen van deze maatregel zijn op het gebied van fiscaliteit? Is het juridisch gezien mogelijk om een BVm vast te leggen in het BW? Weet de initiatiefnemer of het een specifieke reden heeft dat het BW op dit moment geen rekening houdt met een tussenvorm? Is er bijvoorbeeld al eerder over nagedacht, maar zijn er toen nadelen geconstateerd? Indien er wordt overgegaan van een BV naar BVm, zou er dan sprake moeten zijn van een overgangsregeling om hoge administratieve kosten te voorkomen?

(28) Het voordeel van een modaliteit op de bestaande rechtsvorm (de BV) is dat dit een stuk minder complex is dan de introductie van een compleet nieuwe rechtsvorm terwijl wel het beoogde doel wordt bereikt. Daarnaast past dit bij de huidige groep van sociale ondernemingen omdat het overgrote deel al opereert vanuit een BV. Ook het recente onderzoek van de Universiteit Utrecht ziet een modaliteit als beste variant.15 De BVm valt onder de bestaande fiscale regimes voor de BV, een aanpassing daarvan is voor een modaliteit dus niet nodig. Er worden geen fiscale maatregelen voorgesteld gekoppeld aan het voeren van de modaliteit.

(29) Het is juridisch mogelijk een modaliteit vast te leggen in het BW, dat is geen nieuwe manier van werken. De coöperatie kent bijvoorbeeld de modaliteit ua (uitgesloten aansprakelijkheid).

(30) De initiatiefnemer is op de hoogte van de lange discussie bij de modernisering van het ondernemingsrecht, inclusief het voorstel voor de Maatschappelijke Onderneming (MO). De MO had een andere doelgroep dan de BVm, feitelijk de semipublieke sector van zorginstellingen en woningcorporaties. De BVm is bedoeld voor de private sector, veelal MKB’ers. Uit de MO is wel veel lering te trekken. Een belangrijke factor was het onvoldoende draagvlak in de sectoren van het maatschappelijk middenveld. Voor een analyse verwijzen we graag naar het rapport «Het CDA en de Maatschappelijke Onderneming» van het wetenschappelijk instituut van het CDA uit 2013.16 Een breed draagvlak onder ondernemers is een belangrijke randvoorwaarde voor het indienen van een wetsvoorstel voor de invoering van de BVm. De bereidheid van private organisaties om zich als ondernemer te richten op maatschappelijke vraagstukken en zich in die doelstelling te laten normeren binnen het wettelijke kader van de modaliteit moet naar het oordeel van de initiatiefnemer positief tegemoet getreden worden, zie ook het onderzoek van de Universiteit Utrecht en het WRR-rapport.17

(31) De introductie van de BVm zou met beperkte administratieve kosten voor de ondernemer gepaard moeten gaan, een overgangsregeling lijkt niet nodig. Zie ook punt (2). Afhankelijk van hoe de BVm wordt ingevuld kunnen de administratieve lasten van veel sociale ondernemingen juist omlaag.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de Sociaal-Economische Raad (SER) in het advies «Sociale ondernemingen: een verkennend advies» uit 2015 pleit voor terughoudendheid bij het inzetten van overheidsbeleid waarvoor een harde afbakening nodig is van sociale ondernemingen als groep. Kiest de initiatiefnemer ondanks dit advies voor een harde afbakening en zo ja, waarom? Verwacht de initiatiefnemer dat indien dit voorstel werkelijkheid zou worden bedrijven een tweede tak kunnen gaan opzetten naast het reguliere bedrijf en zo ja, hoe kijkt de initiatiefnemer hier tegenaan? Deze leden hebben namelijk signalen ontvangen dat je dit eerder ook zag bij de opkomst van stichtingen om zodoende een ANBI-status te krijgen.

(32) De SER adviseerde in 2015 «De raad ziet vooral een rol voor de overheid bij het agenderen van het onderwerp, bij het faciliteren van sociale ondernemingen onder andere door het wegnemen van onnodige belemmeringen, het vergroten van kennis, het bieden van ondersteuning bij impact meting en bij het kritisch kijken naar de eigen rol als inkoper. » Sindsdien heeft sociaal ondernemen een grote vlucht genomen. Veel maatschappelijke organisaties zoeken naar meer ondernemende oplossingen. Inmiddels hebben alle G4 steden beleid ontwikkeld voor sociale ondernemingen en heeft de G40 sociaal ondernemerschap tot speerpunt benoemd. Volgens onderzoek van PwC hebben 41% van de gemeenten beleid ontwikkeld voor sociaal ondernemerschap.18 Sociale ondernemingen worden genoemd in het MKB Actieplan ende OECD adviseert de Nederlandse overheid een eenduidige definitie te hanteren.19

(33) De initiatiefnemer wil voor de leden van de bedoelde groep en haar stakeholders een nieuwe ruimte creëren en daarmee een flinke impuls geven aan deze wijze van ondernemen. Het aannemen van deze modaliteit is voor niemand verplicht. Ongeacht welke inrichtingskeuzes worden gemaakt zal de modaliteit niet door elke ondernemer als passend worden ervaren. In die zin is het dan ook geen «harde afbakening» als bedoeld in het SER rapport. Dat hier behoefte aan bestaat concludeerde de SER ook al: «Klanten en investeerders willen erop vertrouwen dat de sociale onderneming daadwerkelijk de maatschappelijke impact centraal stelt en dat de missie ook na verloop van tijd niet uit beeld raakt.» Ook de WRR en de Universiteit Utrecht concluderen dat de BVm hiertoe van toegevoegde waarde kan zijn.20

(34) In principe kan een groot bedrijf (bijvoorbeeld een NV, een Coöperatie of een BV) kiezen om een dochter-BV van de modaliteit te voorzien. De initiatiefnemer ziet daar geen bezwaar in als de eisen voor toekenning aan deze dochter helder zijn gedefinieerd en gecontroleerd. In welke mate dit gaat optreden kan de initiatiefnemer niet voorzien. Indien de onderneming een stichting opzet voor het ondernemen van haar op sociale en maatschappelijke waarde gerichte activiteiten dan kan zij daarmee opteren voor de ANBI-status. De ANBI-status brengt een fiscaal voordeel met zich mee en is vanuit dat perspectief aantrekkelijk. Daarmee zet men echter geen BVm op, waarvoor de fiscale voordelen niet zullen gelden. Het is aan de onderneming om te kiezen voor de gewenste rechtsvorm, al lijkt het voor een groot bedrijf voor de hand te liggen om eerder een BVm dan een stichting op te richten.

De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende definities bestaan voor sociaal ondernemen, waaronder de definitie zoals geformuleerd door de EU. Deze leden vragen of zij het goed begrijpen dat de initiatiefnemer in deze initiatiefnota aan de geformuleerde definitie door de EU zelf een eigen term aan toevoegt. Zo ja, is het niet verstandiger om bij de EU definitie aan te sluiten? De SER (2015) geeft aan dat er geen natuurlijke harde grens bestaat tussen sociale ondernemingen en overige ondernemingen of niet-ondernemingen. Door middel van juridische definities zou volgens de SER een willekeurige harde grens kunnen worden getrokken met als risico’s onbedoelde neveneffecten, averechtse prikkels en hoge administratieve lasten. Is de initiatiefnemer dit met de SER eens? Deze leden vragen wat de initiatiefnemer als verschillen ziet tussen maatschappelijk verantwoord ondernemen en sociaal ondernemen.

(35) Zie antwoorden 1 t/m 4.

De leden van de CDA-fractie lezen in de nota dat bij 16 Europese landen inmiddels sprake is van een bijzondere rechtsvorm voor «social enterprises». Deze leden vragen of de initiatiefnemer een overzicht kan geven welke 16 landen dit zijn en welke specifieke rechtsvorm zij hebben. Daarnaast vragen deze leden wat de ervaringen zijn in die landen bij deze specifieke rechtsvormen? Hoe kijkt de initiatiefnemer hierbij specifiek aan tegen de coöperatieve rechtsvorm, het juridische label en de vennootschapsvorm? Wat zijn de voor- en nadelen hiervan?

(36) Het overzicht van de 16 lidstaten is te vinden via deze studie van de Europese Commissie: «A map of social enterprises and their ecosystems in Europe» (2015)

De ervaringen verschillen per land. De CIC in het VK is een succes en wordt veel gebruikt door sociale ondernemingen die actief zijn in het zorg en welzijn domein. Zie voor ervaringen uit andere landen ook het onderzoek van de Universiteit Utrecht «Versnelling en verbreding van sociaal ondernemerschap».21

(37) De modaliteit zou ook kunnen worden toegevoegd aan de rechtsvorm coöperatieve vereniging. Deze kent al een modaliteit (ua; uitgesloten aansprakelijkheid) welke een eventuele toevoeging van een modaliteit «m» niet in de weg staat, in principe zouden deze samen kunnen worden gekozen. Vraag is wel wat de kwalificatie «m» toevoegt aan een coöperatieve vereniging, omdat zij nooit een op winst gerichte entiteit is terwijl dat voor de reguliere BV wel het geval is. De behoefte lijkt vooral te bestaan aan het mogelijk maken van de BVm.

(38) De behoefte aan «iets juridisch ter herkenning» werd door de SER in 2014 al onderkend en men heeft destijds gekozen voor het woord «label» als indicatie, waarbij een nieuwe rechtsvorm naast de BV of de coöperatie als te vergaand werd beschouwd. Het vigerende inzicht is (nog steeds) dat zo’n nieuwe rechtsvorm te vergaand is, wij kiezen voor een modaliteit op bestaande rechtsvormen. De SER heeft destijds geen nader onderzoek gedaan naar welke invullingen het begrip «label» zou kunnen krijgen. Een label biedt de mogelijkheid voor belanghebbenden de BVm aan te spreken op, en ter verantwoording te roepen over, haar maatschappelijke doelstellingen. Nadere invulling is echter nodig om te komen een wettelijk functionerend verantwoordingsmechanisme.

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de initiatiefnemer in de initiatiefnota een uitspraak aanhaalt van dr. mr. Helder. Helder geeft aan dat het uit juridisch oogpunt zonder meer mogelijk is een NV of BV op te richten met een maatschappelijk doel, waarbij eventueel de stemgerechtigden zich committeren om niet te besluiten tot uitkering van winst. Het probleem zit volgens Helder echter in de beeldvorming. De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd of juridische verankering de enige mogelijkheid is om dat probleem rond de beeldvorming op te lossen. Kan de initiatiefnemer aangeven of juridische verankering innovatie op het terrein van sociaal ondernemerschap zou kunnen belemmeren? Verder vragen deze leden wat in andere landen de ervaringen zijn van harde en zachte wettelijke criteria in de wet op het gebied van sociaal ondernemen.

(39) De uitspraak van de heer Helder klopt, maar hierbij moet worden toegevoegd dat een meerderheid van de AvA dit altijd kan wijzigen, dit geeft stakeholders dus geen zekerheid, zie ook Spanjersberg (2019).22 De BVm biedt deze wel. Het UU rapport wijst er expliciet op dat de BVm een (wettelijk) functionerend verantwoordingsmechanisme kan bieden, de onderneming uitdaagt haar prestaties te verbeteren gericht op de maatschappelijke doelrealisatie (en daarover te rapporteren) en bescherming biedt tegen misbruik van de sociale profilering voor winstoptimalisatie op een wijze dat markt- en bestuursgedreven codes en keurmerken niet kunnen.

Dit geeft het noodzakelijke vertrouwen aan opdrachtgevers en belanghebbenden dat nu en bij opvolgend aandeelhouder- en bestuurderschap (primair) inhoud wordt gegeven aan de maatschappelijke doelstellingen van de sociale onderneming. Deze «lading» van de sociale onderneming is nodig in een tijd, waarin begrippen als duurzaam, groen, sociaal, en verantwoord door gebruik als marketingmiddel («greenwashing») vervagen.»

(40) Internationaal zijn er keurmerken voor sociaal ondernemen en in Nederland wordt een code sociale ondernemingen gelanceerd. Daarmee wordt een stap in de goede richting gezet. Dergelijke vormen zijn echter zeer eenvoudig «afwerpbaar» en de aanspreekbaarheid van bestuurders is zeer beperkt. Zij geven stakeholders dus relatief weinig houvast en zekerheid. Een belemmering van innovatie ziet de initiatiefnemer niet, het staat sociaal ondernemers vrij om deze modaliteit aan te nemen of niet. Ingeval een ondernemer te grote nadelen ervaart zal hij of zij er geen gebruik van maken. Een overzicht van de gevraagde ervaringen in andere landen verwijzen we graag naar de volgende publicaties.23

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd hoe maatschappelijke impact op dit moment wordt gemeten en wat de ervaringen hierbij zijn. Zou naast intern toezicht ook extern toezicht nodig zijn en zo ja, wie zou deze rol volgens de initiatiefnemer moeten vervullen in Nederland?

(41) Uit de laatste Social Enterprise Monitor blijkt dat 60% van de sociale ondernemingen aangeeft hun impact te meten. Hierbij moet worden aangegeven dat het verschilt hoe stevig de impactmeting is.24

Impact (maatschappelijke meerwaarde) meten is niet los te zien van de maatschappelijke missie van sociale ondernemingen, het is een onlosmakelijk onderdeel van de strategie en het business model. Impact meten is een jonge discipline en voor kleine ondernemers is een diepgaande meting vaak te complex en te kostbaar. De SER adviseerde in het advies van 2015 dan ook dat de overheid een rol heeft om deze ontwikkeling te faciliteren. Als gevolg daarvan is ook een stapje gezet en is een subsidie (van circa € 100.000,–) toegekend en het Impactpad (www.impactpad.nl) ontwikkeld dat afgelopen half jaar meer dan 6.000 bezoekers heeft mogen verwelkomen; de belangstelling is dus groot. Ultiem zou controle op de geclaimde impact onder extern toezicht (bijvoorbeeld van de accountant) kunnen komen, al zal dit vooral gelden voor kwantitatieve doelstellingen die objectief kunnen worden geverifieerd. Veel impact is echter van kwalitatieve aard, waarover accountants geen verklaringen kunnen of willen afgeven. Op dit moment is dat een eis waar nog maar zeer weinig ondernemers aan zouden kunnen voldoen en ook zijn accountants daar niet toe geëquipeerd.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer verschillende aanbevelingen doet om de kracht van sociale ondernemingen verder te benutten. Zouden volgens de initiatiefnemer alle aanbevelingen opgepakt moeten worden of is het doel van de initiatiefnemer om aan te geven wat eventuele mogelijkheden zouden kunnen zijn, om daarna nader te bezien welke het meest nuttig kunnen zijn? Kan de initiatiefnemer per aanbeveling aangeven hoe zij op deze aanbevelingen is gekomen? Kan de initiatiefnemer verder per aanbeveling aangeven in hoeverre hier steun voor is vanuit het maatschappelijke middenveld? Daarnaast zijn deze leden benieuwd of de initiatiefnemer nog een klankbordgroep met actieve bestuurders uit het maatschappelijk bedrijfsleven heeft overwogen en zo niet, of dit eventueel wat zou kunnen zijn om kennisdeling te stimuleren.

(41b) De aanbevelingen kunnen in principe allen opgepakt worden. Alle aanbevelingen zijn tot stand gekomen door gesprekken met sociaal ondernemers, wethouders, hoogleraren en het team van Social Enterprise NL. Bij het tot stand komen van deze initiatiefnota is de initiatiefnemer bovendien begeleid door een expertgroep. Tegelijk is de initiatiefnota ook bedoeld als discussiestuk in de politieke arena. Het politiek debat en de mate van draagvlak bepalen uiteindelijk het tempo en de mate waarin aanbevelingen ook tot daadwerkelijk beleid zullen komen. De maatschappelijke ontwikkelingen rondom sociaal ondernemen gaan snel en het is goed dat de landelijke overheid daarbij aansluit, en nu de eerste stappen neemt die leiden tot herkenning en erkennen van sociale ondernemingen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer specifieker zou kunnen weergeven wat het verwachte effect is om maatschappelijke modaliteit juridisch vast te leggen in het BW op de regeldruk. Kan de initiatiefnemer daarnaast nader toelichten waarom in het algemeen wordt verwacht dat de voorstellen in de initiatiefnota beperkte budgettaire gevolgen zullen hebben? Kan met deze voorstellen meer impact worden gerealiseerd op het gebied van ondernemen met een maatschappelijke missie, zonder dat hier veel meer administratieve rompslomp bij komt kijken? Kan de initiatiefnemer aangeven of bepaalde maatregelen tot oneerlijke concurrentie kunnen leiden?

(42) Zie antwoorden 4 t/m 6.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer de Kamer vraagt in te stemmen om de regering te verzoeken om 16 acties te ondernemen. Deze leden vragen de initiatiefnemer of het relatief gezien niet wat veel acties zijn. Is de initiatiefnemer niet van mening dat (bepaalde) acties nader onderzocht moeten worden om te kunnen besluiten of het wel of niet verstandig is dat de regering een bepaalde actie onderneemt? Waarom stelt de initiatiefnemer voor om nu al met 16 acties in te stemmen, zonder af te wachten welk voorstel de regering op tafel legt hoe zij het regeerakkoord wil uitwerken om te komen tot «passende regels en meer ruimte voor ondernemingen met sociale of maatschappelijke doelen met behoud van een gelijk speelveld»?

(43) Met het creëren van een modaliteit binnen het BW wordt de basis gelegd voor het herkennen en erkennen van ondernemen met een maatschappelijke missie. Deze actie vormt dan ook de kern van deze initiatiefnota. De andere acties dragen bij aan bewustwording, zorgen ervoor dat eventuele drempels worden weggenomen of richten zich op een optimaal gebruik van de nieuwe modaliteit. Er zit dus een zekere volgtijdelijkheid in de acties, waarbij ook al vooruit gekeken wordt naar de situatie waarbij een modaliteit is gerealiseerd. Wel is het zo dat acties rondom bewustwording, drempels en cultuur ook nu al genomen kunnen worden om ondernemen met een maatschappelijke missie sterker op de kaart te zetten. Sommige acties kunnen gebundeld worden en in een enkel geval kan ook voorafgaand onderzoek naar hoe een actie het meest effectief wordt vormgegeven, behulpzaam zijn. De initiatiefnemer ziet bovendien uit naar de reactie van de regering.

De leden van de CDA-fractie lezen verder dat de initiatiefnemer voorstelt de Code Sociaal Ondernemen wettelijk te verankeren. Indien naar franchise wordt gekeken is daar juist het voornemen om de Nederlandse Franchise Code niet wettelijk te verankeren, maar om in plaats daarvan in wettelijke kaders omtrent franchise te voorzien. Zou dit voor sociaal ondernemen ook niet effectiever kunnen zijn? Ziet de initiatiefnemer ook nadelen aan het wettelijk verankeren van een code of zijn mogelijke nadelen bekend? Zo ja welke? Deze leden zijn verder benieuwd in hoeverre één loket voor sociaal ondernemers reëel is. Brengt dit extra financiële gevolgen met zich mee voor de regering? Zo ja welke? Zij lezen verder dat de initiatiefnemer gerichte toekenning van (een deel van) overheidsfondsen aan sociale ondernemingen voorstelt. Van welke andere ondernemingen zou het ten kosten gaan indien overheidsfondsen zich meer gaan richten op sociaal ondernemingen?

(44) Zie antwoord 24 (Code) en 60 (loket). Verder wijst de initiatiefnemer naar de antwoorden waarin wordt gesteld dat er geen fiscale of andere financiële voordelen worden verbonden aan de BVm als modaliteit van de BV (23 en 34).

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de SER in haar advies (2015) aangeeft het niet wenselijk te vinden stimuleringsmaatregelen en overige ingrijpende beleidsmaatregelen uitsluitend voor sociale ondernemingen in te richten. Kan de initiatiefnemer in relatie tot dit voorstel hier op reflecteren? Zijn er eventuele alternatieven dat sociale ondernemers daadwerkelijk betere toegang kunnen krijgen tot financiers? Deze leden zijn verder benieuwd wat de gevolgen van het voorstel zijn om maatschappelijke modaliteit als eis te stellen aan ondernemingen in bepaalde sectoren van groot maatschappelijk belang, zoals de kinderopvang. Hoe kijken de sectoren en de kinderopvang zelf aan tegen dit voorstel? Deze leden vragen verder op welke wijze garantieregelingen vanuit de overheid beter in zouden kunnen worden gericht op sociale ondernemingen. De initiatiefnemer stelt tot slot voor dat de regering de uitbreiding van de succesvolle Social Impact Bonds naar meer gemeenten moet stimuleren. Kan de initiatiefnemer aangeven of het Rijk hierover gaat of dat dit een taak is van gemeenten zelf?

(45) De SER stelt voorzichtig te zijn met maatregelen exclusief voor sociale ondernemingen, omdat het andere partijen zou kunnen uitsluiten. Ook is bekend dat Social Impact Bonds soms erg complex zijn. De initiatiefnemer onderkent dit gevaar, maar constateert op hetzelfde moment dat sociale ondernemingen momenteel hun eigen concurrentienadeel creëren en dat het dus gerechtvaardigd is om te kijken hoe dit verbeterd kan worden. De introductie van de BVm modaliteit is een eerste stap, terwijl het overheden nu ook reeds mogelijk is om specifieke sociale eisen mee te wegen bij de inkoop van producten of diensten (zie UU onderzoek, waar wij uitvoerig ingaan op wat bij inkoop allemaal al wel en niet mogelijk is).

De overheid kan overwegen om de modaliteit als eis te stellen om in aanmerking te komen voor bepaalde vormen van overheidsfinanciering of voor publiek-private samenwerkingen. De maatschappelijke missie van de samenwerking is dan goed geborgd. De initiatiefnemer verwacht niet buitenlandse venture capital aandeelhouders die veel geld verdienen aan de Nederlandse publieke voorzieningen hier meteen enthousiast over zullen zijn. Andere stakeholders zoals het management, de beneficianten of lokale overheden mogelijk wel. Deze discussie zal per regeling gevoerd kunnen worden en staat als zodanig los van de modaliteit zelf. De toepasbaarheid van de modaliteit hangt wel samen met de inrichting er van.

(46) De keuze voor social impact bonds is aan de gemeentes, en of zij deze willen beperken voor partners die voor de modaliteit kiezen is ook aan de betreffende gemeentes. Mogelijk dat de BVm de controle op de bonds wel kan vereenvoudigen aangezien deze bedrijven al een bewezen track record hebben op impact meten en op andere elementen van transparantie, maar zeker is dat niet omdat de BVm meer in algemene zin zal rapporteren over de realisatie en niet via zeer specifieke afspraken. Specifieke afspraken zouden wel kunnen worden gemaakt, maar dat is aan opdrachtgever en opdrachtnemer zelf.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennis genomen van het doel van de initiatiefnota van de initiatiefnemer. Deze leden danken de initiatiefnemer voor zijn werk dat gestoken is in deze nota. Zij kijken uit naar de antwoorden op hun vragen en het overleg, waarna zij zich verder zullen buigen over de beslispunten.

De leden van de D66-fractie wensen nu de volgende vragen en opmerkingen over de initiatiefnota voor te leggen.

De leden van de D66-fractie lezen de veronderstelling dat sociaal ondernemers zich onderscheiden van stichtingen doordat zij een verdienmodel hanteren en een product of dienst verkopen. Is de initiatiefnemer bekend met de mogelijkheid die een stichting heeft om een onderneming te hebben? Deze leden wijzen erop dat ook een onderneming die gekoppeld is aan een stichting winst kan en mag maken door deel te nemen aan het economisch verkeer, waarbij de eventuele winst ten goede moet komen aan het doel. Kan de initiatiefnemer uitleggen hoe een sociaal ondernemer zich onderscheidt van een stichting met onderneming met een sociaal doel?

(47) Een sociale onderneming kan inderdaad opereren vanuit een Stichting maar de ondernemer heeft dan geen eigenaarschap, en eigenlijk ook geen zeggenschap want die ligt dan bij een bestuur of een Raad van Toezicht. Voor ondernemers die eigen geld investeren en/of een paar jaar werken voor nauwelijks of geen salaris, danwel de winst en de waarde-opbouw nodig hebben als pensioen, is een Stichting geen werkbare vorm. Omdat een stichting geen dividend kan uitkeren aan investeerders is het aantrekken van risicodragend kapitaal ook uitermate problematisch. De Stichtingsvorm belemmert vaak ook de groei van de onderneming doordat het geen extern investeringskapitaal (eigen vermogen) kan aantrekken. Daarmee wordt veelal ook de mogelijkheid beperkt om vreemd vermogen aan te trekken die vereist is voor de ontwikkeling en groei van de onderneming en de realisatie van de beoogde maatschappelijke uitkomsten en effecten.

Uit de Social Enterprise Monitor 2018 blijkt dat 20% van de huidige sociale ondernemingen een BV-stichting combinatie is. Dit zijn vooral ondernemingen die in de semi-publieke sfeer werken (denk aan zorg en re-integratie), omdat overheden een voorkeur hebben voor stichtingen, of die een hybride business model hebben (die dus altijd enigszins afhankelijk blijven van donaties of subsidies). Het ondernemen vanuit deze combinatie brengt extra administratieve lasten met zich mee en vermindert de transparantie. Het biedt ondernemers niet de kans om hun maatschappelijke missie wettelijk te verankeren in de BV, waardoor (h)erkenning van de missie van en naar stakeholders zoals financiers of de overheid lastig blijft. De toevlucht naar dergelijke combinaties is een indicatie dat er geen passende juridische vorm beschikbaar is, zie ook het onderzoek van de Universiteit Utrecht.25

De leden van de D66-fractie lezen dat stichtingen «minder geschikt» zouden zijn voor ondernemers. Wat bedoelt de initiatiefnemer met deze stelling en wat is de onderbouwing?

(48) Zie antwoord 47.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van het geschetste verdienmodel van een sociale ondernemer, dat zich zou onderscheiden van een BV omdat het grootste deel van de inkomsten geherinvesteerd wordt in de maatschappelijke missie. Hoe kan volgens de initiatiefnemer worden aangetoond dat het hierbij daadwerkelijk om een maatschappelijke missie gaat en niet om het doel een (bescheiden) winst te genereren of het businessmodel te versterken?

De leden van de D66-fractie delen de opvatting dat extra erkenning nodig is van sociale ondernemingen. Deze leden vragen wel of een juridische afbakening het juiste middel hier voor is. Waaruit blijkt de behoefte van ondernemers om dit via een modaliteit in het Burgerlijk Wetboek te regelen?

(49) Bij een sociale onderneming staat de maatschappelijke missie voorop, daar zit het onderscheid. Een sociale onderneming heeft net als ieder bedrijf een verdienmodel. Het maken van winst is voor ondernemingen met een sociale of maatschappelijke doelstelling geen doel op zichzelf. Wel is een duurzame bedrijfsvoering vereist om de doelstellingen van de onderneming te realiseren. Dat zal in de praktijk betekenen dat wel (een bescheiden) winst wordt gemaakt, juist ook om de groei van de onderneming en daarmee de realisatie van de sociale doelen mogelijk te maken.

Door de BVm in te voeren wordt de primaire maatschappelijke missie wettelijk verankerd. Bestuurders en stakeholders kunnen hieraan gehouden worden. De maatschappelijke missie wordt daarmee beschermd. Zie verder antwoord 7.

De leden van de D66-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomen van de keuze van de initiatiefnemer om niet de term sociaal op te nemen in de BV-modaliteit, maar de term maatschappelijk. Deze leden zouden liever zien dat er wordt aangesloten bij de definitie zoals de SER en de Europese Unie die hanteren en de initiatiefnemer dus zou kiezen voor een Besloten Vennootschap sociaal (BVs). Zij zijn van mening dat alle bedrijven op de een of andere manier bijdragen aan onze maatschappij. De modaliteit BVm zou negatief kunnen afstralen op bedrijven die vanwege bijvoorbeeld organisatorische redenen níet kiezen voor een BVm maar wel een maatschappelijke missie nastreven. Deelt de initiatiefnemer deze inschatting?

(50) Ook de term «sociaal» kan verwarring wekken. Het lijkt dan alsof deze ondernemingen zich enkel richten op een «people» agenda, zoals het bevorderen van arbeidsparticipatie of werken binnen het sociaal domein. Sociale ondernemingen werken (steeds meer) over de hele breedte van maatschappelijke uitdagingen, zoals gemeenschapszin, voedselverspilling of circulaire economie. Het woord «sociaal» in sociaal ondernemen is eigenlijk geen juiste vertaling van het Engelse woord «social». Corporate Social Responsability is de Engelse term voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. De term sluit ook aan bij het regeerakkoord waar wordt gesproken over ondernemingen met een maatschappelijke missie.

De BVm staat open voor sociale ondernemingen maar is voor hen niet verplicht. Zij kunnen ook gebruik blijven maken van andere juridische vormen zoals de Stichting en de coöperatie. De BVm is een belangrijke nieuwe mogelijkheid, maar is geen verplichting voor sociaal ondernemers, en definieert in die zin ook niet dit begrip. Maar elke keuze draagt nadelen in zich, over deze keuze kan in een volgende fase zeker worden gesproken.

De leden van de D66-fractie lezen dat ondernemers het recht zouden moeten krijgen om samen met of in plaats van de overheid maatschappelijke doelen te halen. Kan de initiatiefnemer aangeven wat volgens hem de belemmeringen zouden zijn om dat op dit moment niet te kunnen? Deze leden wensen erop te wijzen dat er in diverse sectoren door ondernemers en overheden zeer succesvol wordt samengewerkt aan het behalen van maatschappelijke doelen.

(51) Op sommige plekken wordt inderdaad succesvol samengewerkt. Succes hangt vaak af van persoonlijke contacten en de bekendheid van lokale bestuurders met de in de omgeving aanwezige ondernemers met een maatschappelijke missie. Samenwerking beperkt zich vaak tot het sociaal domein, terwijl de huidige initiatiefnota een bredere insteek heeft. Uit dit alles blijkt al hoe belangrijk herkenning en erkenning is, zoals bepleit door de initiatiefnemer.

De leden van de D66-fractie zijn verheugd met de passage uit het regeerakkoord waarin gesteld wordt dat er meer passende regels en meer ruimte komt voor ondernemingen met sociale of maatschappelijke doelen. Deze leden wensen wel te onderstrepen dat het behoud van een gelijk speelveld voorwaardelijk is. Zij zullen daar later in hun inbreng op terugkomen.

(52) De initiatiefnemer is het daar geheel mee eens en merkt op dat het voorstel voor het opnemen van de modaliteit in het BW juist bijdraagt aan het bevorderen van een gelijk speelveld. Op dit moment staan ondernemingen met sociale of maatschappelijke doelstellingen vaak op een achterstand. Zie ook antwoorden 4 en 5.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van de passage over de Code Sociaal Ondernemen. Deze leden lezen in de nota nergens waaruit de behoefte blijkt om de Code wettelijk te verankeren. Wat is de meerwaarde van een wettelijke verankering, aangezien de Code nu al niet-vrijblijvend is? Hoe draagt een wettelijke verankering bij aan de doelen van de Code: a) een betere positionering van ondernemingen en b) een basis om beleid op te voeren?

De leden van de D66-fractie constateren dat sociale ondernemingen belemmeringen ervaren op het gebied van regels en beleid vanuit de overheid. Deze leden merken op dat vrijwel alle ondernemers in Nederland regeldruk ervaren vanuit de overheid. Dit is dus niet uitsluitend iets waar sociale ondernemers tegenaan lopen. De leden van de D66-fractie lopen voorop als het gaat om het wegnemen van regeldruk voor ondernemers en wensen hier met de initiatiefnemer samen in op te trekken. Kan de initiatiefnemer inzichtelijk maken hoe een juridische verankering van een BV-modaliteit bijdraagt aan het verlagen van regeldruk voor een ondernemer? Deze leden wensen hier bij op te merken dat de initiatiefnemer zelf een toename van de administratieve lasten verwacht voor ondernemers (zie financiële consequenties).

(53) Zie antwoord 24. Nader onderzoek is nodig om de wenselijkheid van wettelijke verankering vast te stellen. De Code kan een bijdrage leveren aan de discussie over de ontwikkeling en implementatie van sociaal ondernemerschap in Nederland, bijv. als het gaat om het bevragen van bedrijven op de mate waarin en de wijze waarop zij hun sociale en maatschappelijke doelen realiseren, omgaan met de belangen van stakeholders en rapporteren over de uitkomsten en effecten van hun handelen op de doelgroepen en doelen die zij willen bevorderen. Tegelijk moet worden bezien of wettelijke verankering de sector niet teveel inperkt en de maatschappelijk gewenste beweging zou hinderen. Voor administratieve lasten zie antwoord 5. Voor sociale ondernemingen die de overheid als klant zoeken, wordt lokaal overheidsbeleid als hindernis gezien.

De leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer zich baseert op conclusies uit het rapport van McKinsey (2016) en de Social Enterprise Monitor (2015). Deze leden wijzen erop dat de sector sindsdien is geprofessionaliseerd, meer sociale ondernemingen winst zijn gaan maken en dus in een bloeitijd verkeren. Dit komt heel duidelijk naar voeren uit de jaarlijkse monitor van Sociale Enterprise NL die verscheen in september 2018. Daarnaast heeft de overheid sindsdien diverse (beleid)veranderingen doorgevoerd op het gebied van aanbestedingen, het mogelijk maken om kapitaal aan te trekken, et cetera. Deze leden zouden graag zien dat er gewerkt wordt met meer actuele cijfers en onderzoeken zodat aannames in het juiste perspectief kunnen worden geplaatst.

(54) In 2019 is het rapport van de OECD «Boosting Social Entrepreneurship and Social Enterprise Development in The Netherlands», dit rapport ondersteunt de conclusies van de initiatiefnemer. Het rapport van de WRR «Filantropie op de grens van overheid en markt» uit 2018 pleit voor nader onderzoek naar de BVm en het onderzoek van de Universiteit Utrecht (2019) concludeert dat er goede argumenten zijn voor invoering van de BVm en dat deze «een geloofwaardige invulling geeft van sociaal ondernemerschap in een sociale onderneming.»26 Het UU-rapport pleit voor verdere onderbouwing die nodig is om te komen tot draagvlak voor een wijziging van het BW.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van de stelling van de initiatiefnemer dat een stichting geen of nauwelijks risicodragend kapitaal zou kunnen aantrekken. Kan de initiatiefnemer dit onderbouwen en daarbij specifiek ingaan op een onderneming die bij een stichting hoort?

(55) zie antwoord 47.

De leden van de D66-fractie merken op dat de initiatiefnemer een lijst voorstelt met mogelijke criteria die opgenomen zouden moeten worden in het Burgerlijk Wetboek. Deze leden wijzen erop dat de door de initiatiefnemer voorgestelde criteria ook notarieel en statutair verankerd kunnen worden via een stichting met onderneming. Hoe komt de initiatiefnemer tot de afweging dat dit beter vastgelegd kan worden in een aparte BV-modaliteit? Waarom zou het stellen van criteria aan de statuten de invulling van het maatschappelijk belang niet stevig genoeg inkaderen? Waaruit blijkt het risico dat dit leidt tot ongewenste effecten of misbruik?

Zie ook eerdere beantwoording, o.a. antwoord 20. De BV-stichting constructies zijn een indicatie dat er voor deze bedrijven geen passende juridische vorm beschikbaar is. Dergelijke constructies zijn minder transparant, zijn complex en veroorzaken daardoor grote administratieve lasten, waaronder ook begrepen het onafhankelijk bestuur van de (steun)stichting. De reden om te kiezen voor een BVm heeft te maken met de wettelijke waarborgen (ook op de langere termijn bij overgang van bestuur of aandeelhouders).

De leden van de D66-fractie constateren dat sociale ondernemingen moeite hebben om de overheid als klant te bereiken. Lokaal overheidsbeleid wordt als een van de belangrijkste hindernissen gezien voor verdere groei en ontwikkeling. Deze leden kijken dan ook heel nadrukkelijk naar gemeenten, waar op het gebied van inkoop, flexibiliteit, verkokering, financiering en kennis een grote verbeterslag valt te maken.

(56) De initiatiefnemer deelt de mening van de leden van de D66-fractie en is van mening dat de introductie van de BVm de samenwerking tussen sociale ondernemingen en gemeenten versterkt.

De leden van de D66-fractie delen de aanmoediging van de initiatiefnemer voor meer maatschappelijk verantwoord inkopen door de overheid. Deze leden wijzen hierbij op de mogelijkheden die de Aanbestedingswet 2012 (als uitvoering van EU Richtlijn 2014/24) reeds biedt. Ook is het reeds mogelijk voor aanbestedende diensten om extra criteria op te nemen naast het hoofddoel (de opdracht te gunnen aan de partij die de economisch meest voordelige inschrijving doet) om zo een nevendoel te realiseren, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie, milieu of sociaal gebied. Wat draagt een aparte modaliteit bij aan een beter aanbestedingsbeleid?

(57) In aanbestedingen kan niet een bepaalde juridische vorm worden uitgevraagd. Wel kan er worden geëist dat een bedrijf een (nader geoperationaliseerde) maatschappelijke missie heeft zoals de participatie van mensen met een beperking, kansarme jongeren of vluchtelingen (waartoe Artikel 2.82 de ruimte biedt). De BVm biedt dan uitkomst.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van de aanbeveling van de initiatiefnemer om garantieregelingen vanuit de overheid beter in te richten op sociale ondernemingen en sociale innovaties en om het mandaat van regionale ontwikkelingsmaatschappijen te verruimen voor een betere toegang tot kapitaal. Kan de initiatiefnemer aangeven hoe dit zich verhoudt tot het Europees staatssteunkader?

(58) Bij het inrichten van regelingen moet altijd getoetst worden dat de regelingen voldoen aan het Europees staatssteunkader. De initiatiefnemer beoogt in dit kader onbedoelde nadelen en blokkades weg te halen. Dit zou moeten leiden tot een meer gelijk speelveld voor ondernemingen waarbij de maatschappelijke missie voorop staat.

De leden van de D66-fractie delen niet de opvatting van de initiatiefnemer dat Invest-NL specifiek sociale ondernemingen in het vizier moet hebben. Deze leden vinden dat Invest-NL zich niet moet richten op het type onderneming, maar op het type doel, het risico en de soliditeit van de businesscase.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van het voorstel van de initiatiefnemer om sociale ondernemingen te bevoordelen ten opzichte van andere ondernemers bij leningen, garanties en participaties. Deze leden vinden dit voorstel niet correct omdat dit andere ondernemers benadeelt en een ongelijk speelveld creëert, wat haaks staat op de afspraak in het regeerakkoord.

(59) De initiatiefnemer onderschrijft het uitgangspunt van een gelijk speelveld. Vervolgens is het van belang dat reguliere ondernemingen geen voordeel hebben bij het feit dat zij geen bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke vragen. Anderzijds gaat het erom dat de overheid de maatschappelijke voordelen die de sociale onderneming realiseert expliciet meeweegt. Daarmee worden eventuele voordelen dus niet afhankelijk gemaakt van de rechtsvorm of de modaliteit maar van de daadwerkelijk gerealiseerde maatschappelijke waarde. Zie verder antwoord 58.

De leden van de D66-fractie nemen kennis van het voorstel om een apart loket in te richten bij de overheid voor sociale ondernemers. Waarom kiest de initiatiefnemer voor een apart loket, terwijl er de afgelopen jaren – juist op verzoek van ondernemers – is toegewerkt naar één loket dat nu inmiddels bestaat en onder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) valt?

(60) Sociale ondernemingen hebben behoefte aan een duidelijk aanspreekpunt waar kennis aanwezig is over sociale ondernemingen en waar tevens beleid wordt gecoördineerd. Daarom pleit de OECD ook voor de instelling van een agency voor «Netherlands Social Entrepreneurship and Innovation».27 Er kan ook worden gekozen om een loket onder te brengen bij RVO, maar dan is er nog steeds behoefte aan een duidelijk aanspreekpunt, waarin betrokken partijen als ondernemers, financiers, de wetenschap, de overheid, etc. met elkaar van gedachten wisselen over de sterkten, zwakten, kansen, bedreigingen, ontwikkelingen, barrières, etc. met elkaar bespreken en de agenda voor de toekomst vaststellen. Om sociaal ondernemerschap echt te bevorderen in de samenleving moeten we weg van een beperkt en gesloten circuit, naar een brede beweging met als doel om maatschappelijke uitdagingen systematisch en grootschalig aan te kunnen pakken.

De leden van de D66-fractie nemen afstand van het voorstel van de initiatiefnemer om sociale ondernemers indirect fiscale voordelen te geven. Ten eerste vanwege dezelfde argumenten die deze leden hebben ingebracht ten aanzien van het voorstel van de initiatiefnemer om sociale ondernemingen te bevoordelen bij leningen, garanties en participaties. Ten tweede omdat dit ertoe kan leiden dat bedrijven vanwege dit oneigenlijk argument kiezen voor deze rechtsvorm, zodat zij fiscaal voordeel kunnen genieten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van GroenLinks-fractie zijn zeer verheugd om kennis te nemen van de initiatiefnota van het lid Bruins over ondernemen met een maatschappelijke missie. Deze leden zijn blij dat de initiatiefnemer de tijd heeft genomen om dit belangrijke onderwerp aan te kaarten. Deze leden vinden het belangrijk dat sociale ondernemers – zij die zich inzetten om maatschappelijke problemen creatief op te lossen – zoveel mogelijk gestimuleerd worden en dat zij extra erkenning krijgen. De leden van GroenLinks-fractie zijn daarom voorstander van het voorstel van het lid Bruins om een modaliteit aan de bestaande rechtsvorm Besloten Vennootschap (BV) toe te voegen en daarmee het BV maatschappelijk (BVm) in het BW vast te leggen.

De leden van GroenLinks-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de drie rechtsvormen die in Europa het vaakst voorkomen: de coöperatieve rechtsvorm, het juridische label en de vennootschapsvorm. Kan de initiatiefnemer toelichten wat de voor- en nadelen van deze rechtsvormen zijn? De initiatiefnemer stelt ook dat een elf procent van de sociale ondernemers kiest voor een BV met een gelieerde stichting om het maatschappelijke doel te borgen of om naast marktinkomsten geefgeld te kunnen ontvangen. Kan de initiatiefnemer nog eens duidelijk schetsen waarom veel BV’s er nog een stichting naast moeten hebben? Deze leden stellen vast dat ook het kabinet-Balkenende IV een wetsvoorstel indiende dat een rechtsvorm voor maatschappelijke ondernemingen (MO) introduceerde en dat dit later weer ingetrokken is. Kan de initiatiefnemer toelichten wat destijds de reden was om dit wetsvoorstel in te trekken?

(61) Zie antwoorden 5, 12 en 30

De leden van GroenLinks-fractie vinden het een goed idee om heldere criteria aan de BVm in de wet vast te leggen, waarbij één van de mogelijke criteria is dat de maatschappelijke vennootschap het grootste deel van de winst herinvesteert in de missie. Kan de initiatiefnemer toelichten om wat voor percentage dat zou gaan en hoe dit criterium in de praktijk zal worden gecontroleerd? De initiatiefnemer stelt ook dat de modaliteit «maatschappelijk» ook op andere rechtsvormen, zoals de coöperatie, kan worden toegepast. Kan de initiatiefnemer toelichten wat de redenen zijn voor het breder toepasbaar maken van modaliteit, ook op een coöperatie?

(62) De initiatiefnemer is geen voorstander van een vast percentage, omdat het per situatie erg kan verschillen wat het betekent om een deel van de winst in de maatschappelijke missie te herinvesteren. Dit is in lijn met de conclusies van het onderzoek van de Universiteit Utrecht.28

(63) Sociale ondernemingen opereren momenteel vanuit verschillende rechtsvormen, daarom zou het een optie zijn om de modaliteit bruikbaar te maken op meerdere rechtsvormen. Zie echter de antwoorden bij 37.

De leden van GroenLinks-fractie zijn het met de initiatiefnemer eens dat het belangrijk is om binnen het nieuw op te richten Invest-NL ook sociale ondernemingen een belangrijke rol moeten spelen. Is de initiatiefnemer het met deze leden eens dat sociale ondernemingen zelfs voorrang zouden moeten krijgen bij het verkrijgen van financiering op grote bedrijven met een onderzoeksafdeling? Tot slot beschrijft de initiatiefnemer dat werknemers uit de «kaartenbak» moeilijk te vinden zijn door sociale ondernemingen en dat daarom gemeenten en het Ministerie van SZW betrokken moeten worden. Kan de initiatiefnemer uitleggen wat het verschil is tussen een gewoon bedrijf dat een percentage mensen met een arbeidsbeperking in dienst moet nemen en een BVm? Hoe verhouden deze zich tot elkaar?

(64) De initiatiefnemer is van mening dat er voldoende aandacht binnen InvestNL voor sociale ondernemingen moet zijn, dan zou voorrang niet nodig moeten zijn.

(65) Zie antwoord 27.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota en danken het lid Bruins voor het genomen initiatief.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat stichtingen minder geschikt zijn voor het drijven van een sociale onderneming omdat zij onder andere moeilijk risicodragend kapitaal kunnen aantrekken. Toch lezen deze leden dat ruim twintig procent van de sociale ondernemingen kiest voor deze vorm. Zij vragen de initiatiefnemer in hoeverre de problemen met de stichtingsvorm in kaart zijn gebracht, waarom een vijfde van de sociale ondernemingen toch kiest voor de stichtingsvorm en of deze voor een andere vennootschapsvorm zou kiezen indien deze in het leven werd geroepen.

(66) Zie antwoord 47.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat een beperkt deel van de winst wordt uitgekeerd door sociale ondernemingen. Deze leden vragen de initiatiefnemer aan te geven welk deel van de winst van alle sociale ondernemingen momenteel wordt uitgekeerd aan eigenaars en hoe dit zich verhoudt tot reguliere bedrijven van vergelijkbare omvang. Zij vragen tevens of de initiatiefnemer van mening is dat wettelijke winstuitkeringsbeperkingen moeten worden opgelegd aan degenen die het predicaat sociale onderneming willen dragen en of de initiatiefnemer de mening van deze leden deelt dat medewerkers van de sociale onderneming hier een belangrijke stem in moeten hebben.

(67) Hierover zijn geen precieze cijfers bekend. Zie verder antwoord 62. Een sociale onderneming kan ervoor kiezen de eigen medewerkers ook te beschouwen als stakeholders in de keten en hiermee hun inspraak te borgen. Meer inspraak van medewerkers is niet altijd beter of perse noodzakelijk, maar binnen een BVm is dit wel mogelijk (zoals nu ieder bedrijf daar al voor zou kunnen kiezen).

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat sociale ondernemingen goed gebruik kunnen maken van de in het regeerakkoord opgenomen «Right to Challenge». Deze leden zijn benieuwd hoe de initiatiefnemer wil borgen dat de publieke taken die op deze manier worden belegd bij sociale ondernemingen ook gegarandeerd worden uitgevoerd, of de risico’s om dit bij sociale ondernemingen te doen in kaart zijn gebracht en hoe moet worden omgegaan met de kosten als een sociale onderneming onverhoopt de bij haar belegde taak niet kan uitvoeren.

(68) Zie antwoord 26.

De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemer toe te lichten welke aanleiding bestaat om de Code Sociaal Ondernemen in wetgeving te verankeren. Een dergelijke verankering bestaat inderdaad reeds sinds 2004 bij de Corporate Governance Code en is enkele jaren geleden overwogen bij de Nederlandse Franchise Code. Bij de Corporate Governance Code ging hier een grote maatschappelijke roep aan vooraf na maatschappelijke ontevredenheid omtrent het gedrag van bedrijven, het gebrek aan verantwoording aan de rest van de maatschappij door bestuurders van bedrijven en het onvermogen om bestuurders aan te spreken op misstanden. De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemer daarom aan te geven welke maatschappelijke misstanden zouden worden opgelost en welke maatschappelijke noden worden gelenigd door wettelijke verankering. Tevens vragen deze leden de initiatiefnemer aan te geven in welke mate de Code Sociaal Ondernemen ondersteund wordt door de verschillende sectoren die worden geraakt door de Code en in welke mate de opstellers ervan representatief zijn voor alle belanghebbenden.

(69) Zie antwoord 24.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat de besloten vennootschap sociale ondernemingen te weinig ruimte zou bieden om de maatschappelijke missie te borgen en sterk de nadruk op financiële aandeelhouderswaarde legt. Toch zien zij dat bijna de helft van de sociale ondernemingen deze rechtsvorm heeft. Deze leden vernemen daarom graag van de initiatiefnemer tegen welke praktische problemen BV’s die een sociale onderneming zijn nu aanlopen, of zij in deze rechtsvorm belet worden in het nastreven van een maatschappelijke missie en of dit cijfermatig gestaafd kan worden.

(70) Zie antwoorden 5 en 7.

De leden van de SP-fractie lezen in de nota dat in de voorgestelde BVm terughoudend wordt omgegaan met winstuitkering en dat in andere landen een dividendklem, een vermogensklem en/of een maximering van het inkomen van de top van toepassing is. Deze leden vragen waarom de initiatiefnemer een vorm voorstelt waarbij winstuitkering onbeperkt is, maar maatschappelijk moet worden verantwoord en in hoeverre stakeholderoverleg over de winstuitkering verschilt van de praktijk onder de Corporate Governance Code. In deze code is immers vastgelegd dat bestuurders van ondernemingen hun afwegingen moeten maken in het langetermijnbelang van de onderneming en daarin de belangen moeten afwegen van alle stakeholders. Tevens vragen deze leden de initiatiefnemer of in beginsel onbegrensde winstuitkering door sociale ondernemers verenigbaar is met het doel om deze ondernemingen beter subsidiabel door decentrale overheden te maken.

(71) Zie antwoord 62.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota van het lid Bruins over ondernemen met een maatschappelijke missie. Er zijn al heel veel sociale ondernemingen in Nederland, die een belangrijke bijdrage leveren aan de samenleving en aan werkgelegenheid. Bij het bereiken van maatschappelijke doelen zou de overheid meer gebruik moeten maken van de meerwaarde die sociale ondernemingen hebben op bijvoorbeeld sociaal of duurzaam vlak. Deze leden onderschrijven de noodzaak om sociale ondernemingen extra erkenning en herkenning te geven en om belemmeringen weg te nemen.

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn het eens met de opmerking van de initiatiefnemer dat maatschappelijke impact genereren geen exclusieve activiteit voor sociale ondernemingen is. Ook andere bedrijven zorgen voor maatschappelijke meerwaarde, bijvoorbeeld in het creëren van arbeidsplaatsen voor mensen met een arbeidsbeperking. Hoe wil de initiatiefnemer ervoor zorgen dat de voorstellen uit de nota geen negatieve gevolgen hebben voor andere ondernemingen dan sociale ondernemingen (volgens de definitie uit de nota)?

(72) Zie antwoorden 4 tot en met 6.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen toelichting op de voor- en nadelen van het stellen van harde (kwantitatieve) criteria in de wet, zoals de dividend- of kapitaalklem. In het buitenland is in sommige gevallen wel gekozen voor het opnemen van kwantitatieve criteria. Wat zijn de ervaringen in het buitenland?

(73) Zie antwoord 62 en zie voetnoot 23 voor een overzicht van internationale ervaringen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen toelichting op de keuze om de Code Sociaal Ondernemen wettelijk te verankeren, en naar de mogelijkheid van het koppelen aan een juridisch label. Hoe staat dit in verhouding tot het wettelijk verankeren van de modaliteit? Is het voor kleine sociale ondernemingen haalbaar om aan de Code te voldoen?

(74) Zie antwoord 24.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre de noodzaak en de behoefte bestaat om de modaliteit ook bij andere rechtsvormen dan de BV toe te passen, zoals de coöperatie.

(75) Zie antwoord 34.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat er gebeurt als een BVm wordt omgezet in een andere rechtsvorm of wanneer fusie, splitsing of wijziging van het maatschappelijke oogmerk plaatsvindt. Is hierbij tussenkomst van de rechter nodig? Wat is de rol van de stakeholders bij een dergelijke aanpassing?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen nadere toelichting op het toezicht op de BVm. Hoe wordt voorkomen dat het maatschappelijke oogmerk uit zicht raakt? Welke rol zou de Ondernemingskamer en/of de rechter hierbij moeten spelen?

(76) Verdere uitwerking is nodig om te bepalen hoe omzetting in zijn werk zal gaan.

(77) Stakeholders spelen een belangrijke rol in het toezicht, hoe dit verder functioneert is beschreven op pagina 12 van de Initiatiefnota. Hier ligt ook een rol voor de Ondernemingskamer zoals ook de Universiteit Utrecht concludeert.29

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende initiatiefnota. Zij waarderen de inzet van de initiatiefnemer om sociaal en maatschappelijk ondernemerschap te stimuleren en te faciliteren. Zij hebben nog wel enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de SER in haar rapport «Sociale ondernemingen: een verkennend advies» (mei 2015) heeft gepleit voor terughoudendheid bij het inzetten van overheidsbeleid waarvoor een harde afbakening nodig is van sociale ondernemingen als groep. Het vaststellen van een harde definitie is lastig. Er is immers sprake van een continuüm van de mate waarin ondernemingen gericht zijn op het creëren van maatschappelijke waarden. De SER acht het niet wenselijk om stimuleringsmaatregelen en overige ingrijpende beleidsmaatregelen uitsluitend voor sociale ondernemingen in te richten. De SER suggereerde om in te zetten op een label of bijzonder statuut voor sociale ondernemingen, in de vorm van statutaire vastlegging door de notaris.

De leden van de SGP-fractie hebben de indruk dat de initiatiefnemer een stap verder wil gaan. Zo ja, waarom? Hoe groot acht de initiatiefnemer het risico dat de inzet van overheidsbeleid zich specifiek gaat richten op BVm-ondernemingen en dat maatschappelijk ondernemerschap door andere bedrijven minder aandacht krijgt? Hoe zou dit voorkomen kunnen worden?

(78) Zie antwoorden 1 t/m 5.


X Noot
1

Universiteit Utrecht, Versnelling en verbreding van sociaal ondernemerschap (2019).

X Noot
2

Hogenstijn, M. (2018). Sociaal ondernemerschap: grip op het begrip.

X Noot
3

OECD, Boosting Social Entrepreneurship and Social Enterprise Development in The Netherlands (2019).

X Noot
4

Universiteit Utrecht, Sociaal ondernemerschap (2019).

X Noot
5

Universiteit Utrecht, Sociaal ondernemerschap (2019).

X Noot
6

Social Enterprise NL, De Social Enterprise Monitor 2015.

X Noot
7

McKinsey, Scaling the impact of the Social Enterprise Sector (2016).

X Noot
8

WRR: Filantropie op de grens van overheid en markt (2018).

X Noot
9

SER, Sociale ondernemingen, een verkennend advies (2015).

X Noot
11

Universiteit Utrecht (2019) en WRR (2018).

X Noot
12

Universiteit Utrecht (2019).

X Noot
13

Spanjersberg, M.J.S. De sociale onderneming: een kat die een hond wil zijn (2019).

X Noot
15

Universiteit Utrecht (2019).

X Noot
16

Wetenschappelijke Instituut CDA: «Het CDA en de Maatschappelijke Onderneming» 2013.

X Noot
17

Universiteit Utrecht (2019 en WRR (2018).

X Noot
18

PwC, Prille kansen: de samenwerking tussen sociale ondernemingen en gemeenten in Nederland (2018).

X Noot
19

Ministerie van EZK, MKB-Actieplan (2018) en OECD, Social enterprises (2019).

X Noot
20

Universiteit Utrecht (2019 en WRR(2018).

X Noot
21

Universiteit Utrecht (2019).

X Noot
22

Spanjersberg, M.J.S. (2019) De sociale onderneming: een kat die een hond wil zijn.

X Noot
23

Universiteit Utrecht (2019).

Argyrou A. (2018) Social enterprises in the EU: Law promoting stakeholder participation in social enterprises, diss. Utrecht (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 111), Deventer: Wolters Kluwer.

Argyrou, A. & Lambooy, T.E. (2017) An introduction to tailor made legislation for social enterprises in the EU. A comparison of legal regimes in Belgium, Greece and the UK. International and Comparative Corporate Law Journal, 12 (3), (pp. 47 107).

Argyrou, A., Anthoni, P. & Lambooy, T.E. (2017) Legal Forms for Social Enterprises in the Dutch Legal Framework – An Empirical Analysis of Social Entrepreneurs» Attitudes on the Needs of Social Enterprises in the Netherlands. Internat ional and Comparative Corporate Law Journal, 12 (3), (pp. 1 – 46).

Triponel, A. & Agapitova, N. (2017) Legal framework for social enterprise: lessons from a comparative study of Italy, Malaysia, South Korea, United Kingdom, and United States (English). Washington, D.C.: World Bank Group. http://documents.worldbank.org/curated/en/290291492573779508/Legal-framework-for-social-enterprise-lessons-from-a-comparative-study-of-Italy-Malaysia-South-Korea-United-Kingdom-and-United-States.

X Noot
24

Social Enterprise NL, Social Enterprise Monitor 2018.

X Noot
25

Universiteit Utrecht (2019).

X Noot
26

WRR (2018) en Universiteit Utrecht (2019).

X Noot
27

OECD, Social enterprises (2019).

X Noot
28

Universiteit Utrecht (2019).

X Noot
29

Universiteit Utrecht (2019).