Klacht
Verzoeker, handelaar in wijnen, beklaagt zich over de afwijzing van zijn verzoek tot
kwijtschelding van de aan hem opgelegde naheffingsaanslag wijnaccijns en een door
de Officier van Justitie uitgevaardige strafbeschikking. Hij verzoekt om met toepassing
van de hardheidsclause ex artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hem
alsnog kwijtschelding te verlenen.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Staatssecretaris van Financiën inlichtingen
verstrekt aan de commissie.
Feiten
Naar aanleiding van een boekenonderzoek door de Belastingdienst/Douane krijgt verzoeker
als zelfstandig ondernemer een naheffingsaanslag wijnaccijns over de jaren 2011 tot
medio 2014 alsmede een sanctie. In een door verzoeker tegen de naheffingsaanslag ingestelde
bezwaar- en beroepsprocedure wordt hij door de inspecteur cq. de rechter in het ongelijk
gesteld. Hiermee zijn de rechtmatigheid en de door verzoeker niet bestreden hoogte
van de aanslag bevestigd. Vervolgens heeft verzoeker verzocht om kwijtschelding van
zowel de naheffingsaanslag als de sanctie. Het verzoek om kwijtschelding is medio
2017 door de ontvanger afgewezen. In het tegen dit besluit ingestelde administratieve
beroep heeft de directeur van de Belastingdienst onder andere overwogen dat kwijting
voor ondernemers alleen mogelijk is als sprake is van een saneringsakkoord tussen
schuldenaar en alle schuldeisers. Dat is in de onderhavige casus niet het geval. Ook
overwoog de directeur dat verzoeker over voldoende eigen vermogen beschikt(e) om zijn
belastingschuld te kunnen voldoen.
Tenslotte vraagt verzoeker, door tussenkomst van de Kamer, om hem met toepassing van
de hardheidsclausule alsnog kwijtschelding te verlenen. Hij beroept zich daarbij op
schulduitsluiting door psychische overmacht.
Overwegingen
Volgens de Staatssecretaris is toepassing van de hardheidsclausule niet mogelijk omdat
deze bepaling alleen van toepassing is op de vaststelling van de verschuldigde belasting
en niet op de invordering. Om schending van het gelijkheidsbeginsel te voorkomen kan
alleen bij hoge uitzondering wegens bijzondere omstandigheden worden afgeweken van
het invorderingsbeleid.
Verzoeker geeft aan dat hij door privéomstandigheden niet in staat was de accijnsadministratie
goed bij te houden en dat de gevolgen van de economische crisis, waarbij klanten rekeningen
onbetaald lieten, hem een burn-out brachten. Ook vermeldt verzoeker dat zijn financiële
situatie sindsdien is verslechterd en dat een door deze naheffingsaanslag veroorzaakt
persoonlijk faillissement zal leiden tot een maatschappelijke kostenpost die aanzienlijk
hoger is dan wat met invordering door de Belastingdienst «verdiend» zou worden.
De Staatssecretaris merkt op dat met de uitspraak van de rechtbank de rechtmatigheid
van de aanslag is bevestigd en dat de inspecteur voldoende zorgvuldig heeft gehandeld
bij de aanslagoplegging. Verzoeker heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank. Daarnaast heeft de ontvanger conform de Leidraad Invordering 2008
de aanslag marginaal getoetst, dat wil zeggen beoordeeld of de aanslag onmiskenbaar
onjuist is. Verzoeker heeft echter niet aannemelijk kunnen maken dat er gegronde twijfels
zijn bij de verschuldigdheid van de aanslag.
Volgens de Staatssecretaris is de hardheidsclausule hier niet van toepassing omdat
er geen sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard», dat wil zeggen een
gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat gevolg bij het maken van de wet had
voorzien. Hij ziet geen aanleiding de Belastingdienst te verzoeken om de beslissingen
te herzien. De Belastingdient is niet bevoegd kwijtschelding te verlenen van de opgelegde
sanctie
Oordeel van de commissie3
De commissie is van oordeel dat het standpunt van de Staatssecretaris kan worden gedeeld.
Voorstel aan de Kamer
Er is geen aanleiding om de Kamer een voorstel te doen.
De voorzitter van de commissie, Koopmans
De griffier van de commissie, Roovers