Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201935015 nr. C

35 015 Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten vanwege enkele wijzigingen met betrekking tot pensioen (Verzamelwet pensioenen 2019)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 30 november 2018

Inleiding

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen die de leden van de fracties van VVD, CDA, D66 en PvdA hebben gesteld bij het voornoemde voorstel van wet en de opvattingen die de leden over dit voorstel hebben. In deze memorie van antwoord gaat de regering in op de vragen van de leden van de verschillende fracties. Daarbij is de volgorde aangehouden van het voorlopig verslag, waarbij voor de leesbaarheid soms de vragen die in elkaars verlengde liggen zijn gebundeld.

Gezien de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2019 zou de regering het op prijs stellen wanneer dit wetsvoorstel op zeer korte termijn door de Eerste Kamer behandeld zou kunnen worden. De wijzigingen die in de Verzamelwet pensioenen 2019 worden voorgesteld zijn van gepaste omvang dan wel complexiteit, waardoor ze passend zijn voor het karakter van een verzamelwet.

Niet uit te besteden werkzaamheden

De leden van de fracties van VVD, CDA, D66 en PvdA geven aan bijzonder ongerust te zijn over het in de Tweede Kamer aangenomen nader gewijzigd amendement van het lid Omtzigt over de niet uit te besteden werkzaamheden. De leden van deze fracties lichten toe dat ze zich met name zorgen maken over de toelichting bij het amendement: het opstellen van en toezicht op het strategisch beleid ten aanzien van het vermogensbeheer mag niet worden uitbesteed. De leden van deze fracties vragen zich af hoe dit moet worden gezien, aangezien de verantwoordelijkheid en toezicht voor strategisch beleid te allen tijde bij het bestuur van het fonds ligt.

De regering licht toe dat via het amendement van het lid Omtzigt (CDA) enkele onderdelen in het wetsvoorstel zijn geïntroduceerd, waarmee op wettelijk niveau wordt geregeld welke werkzaamheden niet door een pensioenuitvoerder mogen worden uitbesteed. Hierbij wordt tevens de afbakening van rollen en verantwoordelijkheden tussen het bestuur en de mogelijke verschillende uitbestedingspartijen die betrokken zijn bij het vermogensbeheer wettelijk geëxpliciteerd. De regering beaamt het belang van heldere rollen en taken en vindt het goed dat er voor dit belangrijke thema aandacht is. De bestaande wet- en regelgeving bepaalt reeds dat een pensioenuitvoerder de eindverantwoordelijkheid voor het beleid en voor de uitvoering van de pensioenovereenkomst niet kan uitbesteden. Het amendement maakt expliciet duidelijk dat een pensioenuitvoerder eindverantwoordelijk is voor het opstellen van het strategisch beleid ten aanzien van vermogensbeheer, alsmede het toezien hierop, ook als sprake is van uitbesteding. Het pensioenfondsbestuur kan deze eindverantwoordelijkheid niet uitbesteden aan een beheerder.

De leden van de genoemde fracties wijzen voorts op de toelichting bij het amendement waarin is opgenomen dat fiduciair beheer niet mogelijk is. De betreffende leden vernemen graag van de regering wat de gevolgen hiervan zijn voor de huidige uitbestedingspraktijk. De betreffende leden vragen zich af of fondsen die gebruik maken van de fiduciaire adviseurs dat in de toekomst niet meer mogen doen. Eveneens geven de leden van de genoemde fracties aan dat de principes voor verantwoord fiduciair beheer door de Dutch Fund and Asset Management Association (DUFAS) in 2015 zijn aangepast. Graag ontvangen de betreffende leden een bevestiging dat het werken volgens deze principes mogelijk blijft.

De regering benadrukt dat fiduciair beheer als zodanig niet wordt verboden. Een fiduciair beheerder kan het pensioenfonds adviseren over bijvoorbeeld het beleggingsbeleid, het risicomanagement, de samenstelling van de beleggingsportefeuille en over de selectie van operationeel vermogensbeheerders. De uitvoering van het beleggingsbeleid kan vervolgens door het pensioenfonds zelf opgepakt worden of uitbesteed worden aan een operationeel vermogensbeheerder. De fiduciair beheerder kan op verzoek van het pensioenfonds ook de uitvoering monitoren en hierover rapporteren. Het pensioenfonds is en blijft eindverantwoordelijk voor het toezicht en voor eventuele bijsturing. Deze rol en taakverdeling is veelal reeds bestaande praktijk en wordt door de sector gestimuleerd middels de Principes Fiduciair Beheer1, maar wordt nu dus duidelijk in de wet neergelegd. Voor een pensioenfonds dat reeds volgens deze regels werkte verandert er niets, anderen zullen het toezicht op de uitbestede diensten beter moeten uitvoeren.

Wat vermeld is over beleggingen geldt expliciet ook voor alle beleggingen, inclusief derivaten. Dit betekent dat een SWAP fiduciair de derivaten alleen mag aanleveren als de marktwaarde onafhankelijk te toetsen is, omdat de derivaten op een liquide markt verhandeld worden. Zo niet, dan is de prijs niet goed vast te stellen en is er een apert belangenconflict bij advies en uitvoering

Het pensioenfonds is en blijft dus ten allen tijde verantwoordelijk voor het toezicht op de beleggingen en het toezicht op de kosten die met de beleggingen gemaakt worden.

Arbeidsongeschiktheidsuitkering in relatie tot verhoging van de AOW-leeftijd

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat behalve de problematiek van vroegpensionering in relatie tot de verhoging van de AOW-leeftijd, een soortgelijk probleem zich kan voordoen bij mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering die hun uitkering gestopt zien omdat deze gebaseerd is op de oude, eerder gecommuniceerde AOW-leeftijd. De betreffende leden vragen of de regering zich herkent in deze problematiek. Daarnaast zijn de leden benieuwd of de regering kan aangeven in welke mate dit zich voordoet en of de regering voornemens is om hier reparatiemaatregelen voor te treffen.

De regering geeft aan dat in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is vastgelegd dat de uitkering eindigt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Lid 1 van artikel 7a van de AOW bepaalt ook de pensioengerechtigde leeftijd zoals deze geldt na een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Gelet op deze aansluiting tussen de WIA en de pensioengerechtigde leeftijd in de AOW is er geen noodzaak om reparatiemaatregelen te treffen. Ten aanzien van private (aanvullende) arbeidsongeschiktheidsverzekeringen merk ik het volgende op.

De verhoging van de AOW-leeftijd in relatie tot private (aanvullende) arbeidsongeschiktheids-verzekeringen heb ik eerder onder de aandacht gebracht van het Verbond van verzekeraars. Bij die gelegenheid heeft het Verbond van verzekeraars de praktijk inzake private individuele arbeids-ongeschiktheidsverzekeringen toegelicht. Voor nieuw af te sluiten arbeidsongeschiktheids-verzekeringen bieden verzekeraars de klant een dekkingskeuze voor een eindleeftijd van 67 jaar en 3 maanden. Er zijn ook verzekeraars die een eindleeftijd aanbieden tot bijvoorbeeld 68 jaar. Hiermee wordt ingespeeld op de verdere stijging van de AOW-leeftijd in de toekomst. De keuze voor de eindleeftijd is aan de klant en vindt zijn vertaling in de premiehoogte. Welke dekking het meest geschikt is hangt af van de persoonlijke situatie van de klant. Verzekeraars bieden vaak ook voor de bestaande klanten, die tot 65-jarige leeftijd verzekerd waren en bij wie het verzekerde risico nog niet is ingetreden een oplossing voor het inkomenshiaat. De condities waaronder deze oplossing wordt aangeboden – zoals bijvoorbeeld medisch acceptatiebeleid, de gehanteerde leeftijdsgrens en de kosten van de uitbreiding – verschillen per verzekeraar.

In dit zelfde kader vragen de leden van de PvdA-fractie of de regering kan aangeven of zij de onderzoeksbevindingen en conclusies uit het CPB Achtergronddocument «Effect van stijging AOW-leeftijd op arbeidsongeschiktheid»2 betrekt bij de verdere discussie over de verhoging van de AOW-leeftijd.

Bij de vormgeving van het toekomstig beleid ten aanzien van de AOW-leeftijd betrekt de regering ook actuele informatie die relevant kan zijn om te komen tot een evenwichtig en breed gedragen koers.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees