Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935007 nr. 5

35 007 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 4 oktober 2018

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

Blz.

       

Algemeen

1

1.

Inleiding

3

2.

Hoofdlijnen van het voorstel

4

 

2.1.

Algemeen: rente op studiefinanciering

4

 

2.2.

Het verkleinen van de rentesubsidie

5

 

2.3.

Doelgroep

5

 

2.4.

Gevolgen voor de student

7

3.

Gevolgen voor de regeldruk en gevolgen voor de privacy

9

4.

Financiële gevolgen

9

5.

Uitvoering

11

6.

Gevolgen voor Caribisch Nederland

11

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Wet Studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs. Zij hebben hier nog enkele vragen over.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel inzake de wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs. Zij herkennen in het wetsvoorstel de afspraak uit het regeerakkoord en hebben nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het genoemde wetsvoorstel en willen de regering nog enkele kritische vragen voorleggen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met verbazing het onderhavige wetsvoorstel tot zich genomen. Voor de leden is het onbegrijpelijk dat de regering besluit slechts enkele jaren na de totstandkoming van het studievoorschotstelsel de rentevoet te verhogen. Daarnaast constateren de leden dat de aanvullende beurs stagneert en dat dit kabinet het lage btw-tarief verhoogt. De financiële barrières voor studenten worden daarmee steeds groter. Studenten met bescheiden financiële vooruitzichten worden onevenredig geraakt door de wijziging van de rentemaatstaf. Waakzaamheid is geboden dat de gemiddelde studieschuld niet nodeloos groeit, aldus deze leden.

Naast ongenoegen hebben de leden van deze fractie ook vragen over dit voorstel.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs. De leden zijn van mening dat het verhogen van de rente op studieleningen niet bijdraagt aan het toegankelijker maken van het hoger onderwijs. Daarnaast vinden de leden het onverantwoord dat de regering op deze wijze een grote groep jonge mensen met (nog hogere) schulden belast. Zij hebben hier ook nog vragen en opmerkingen over.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse maar ook met teleurstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel ter wijziging van de rentemaatstaf voor een studielening in het hoger onderwijs. De leden hechten sterk aan een laagdrempelig en toegankelijk hoger onderwijs voor iedereen. Zij stellen vast dat de regering een jaar na het afsluiten van haar regeerakkoord nog steeds voornemens is om deze wijziging door te zetten, ondanks het verzet dat er tegen bestaat onder studenten en studentenorganisaties. Deze leden vragen zich af waarom deze regering het jaar niet gebruikt heeft om te luisteren naar de commentaren en bezwaren tegen dit voornemen en om hiervan af te zien. De leden zijn van mening dat deze aanpassing in de rentemaatstaf door de regering onterecht wordt afgedaan als een kleine maatregel voor studenten maar dat deze maatregel wel de onrust en onzekerheid over het rentebeleid en de terugbetaling van een studielening vergroot. Een maatregel naar de opvatting van de leden die botst met het uitgangspunt dat studenten zeker moeten kunnen zijn van toegankelijk hoger onderwijs voor iedereen, zonder onwenselijke drempels die het aangaan van een verantwoorde studielening – en daarmee het volgen van een studie – bemoeilijken. De leden dringen dan ook aan op heroverweging van de maatregel die met deze wetgeving mogelijk wordt gemaakt. De leden hebben aanvullend nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen van het voorstel om de rente op studieleningen onder het studievoorschot te baseren op de 10-jaarsrente in plaats van op de 5-jaarsrente. Deze leden hebben hier de nodige kritische vragen en opmerkingen over.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Wanneer deze leden het geheel van maatregelen ten aanzien van de financiële positie van studenten op zich laten inwerken, krijgen zij de indruk dat sprake is van een ingewikkeld gegoochel waarmee in ieder geval de studenten niet geholpen zijn. Wat met de ene hand is gegeven, wordt met de andere hand meteen weer genomen.

De leden van de DENK-fractie hebben het voorstel met gezond wantrouwen bestudeerd en hebben enkele opmerkingen en vragen.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een cijfermatige onderbouwing kan geven van de huidige rentesubsidie van de overheid aan de student en de verwachte rentesubsidie zoals in het voorliggende wetsvoorstel wordt voorgesteld.

De leden van de D66-fractie vragen de regering of de 10-jaarsrente in het verleden lager is geweest dan de 5-jaarsrente. Voorts willen deze leden weten op welke manier de 5-jaarsrente voor een financieel onhoudbaar stelsel zorgt.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering «de financiële houdbaarheid van het studiefinancieringsstelsel en de overheidsfinanciën in den brede op de lange termijn» aanhaalt om de wetswijziging te motiveren. Dat roept de vraag op of de regering kan toelichten hoe de huidige rentemaatstaf het studiefinancieringsstelsel financieel onhoudbaar maakt. Zijn er onafhankelijke partijen die deze conclusie onderschrijven? Waarin verschillen de kosten van de huidige rentemaatstaf met de ramingen die werden gemaakt tijdens het overeenkomen van het stelsel studievoorschotmiddelen, zo vragen de leden.

Tevens vragen deze leden waarom de toch al krappe portemonnee van studenten door de regering wordt aangesproken voor «de overheidsfinanciën in den brede op lange termijn». Met belangstelling kijken de leden uit naar een nadere onderbouwing.

Genoemde leden zijn benieuwd naar de zogenoemde «rentesubsidie». Volgens de regering is er sprake van een dergelijke subsidie van de overheid aan de student. De leden zijn benieuwd naar een verdere onderbouwing: wat is het verschil tussen de kosten die de Staat betaalt op de kapitaalmarkt om de lening te kunnen verstrekken en het rentepercentage dat (onlangs) afgestudeerden moeten betalen? Wat zijn de precieze meerkosten die het Rijk maakt bij studentenschulden met de huidige rentemaatstaf, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat de rentemaatstaf wordt aangepast vanwege de financiële houdbaarheid van het studiefinancieringsstelsel en de overheidsfinanciën in den brede op de lange termijn. De leden herkennen dit argument niet uit de discussies bij de invoering van het leenstelsel, waarbij de nadruk werd gelegd op de financiële voordelen van het stelsel (extra geld vrijmaken voor onderwijskwaliteit). Zij vragen of voor de invoering van het schuldenstelsel niet is voorzien dat de financiële houdbaarheid eventueel onder druk zou kunnen komen te staan. Was toen al bij de regering bekend dat het mogelijk onhoudbaar zou zijn? Zo nee, op welk moment is deze realisatie bij de regering ontstaan? Zo ja, waarom heeft deze informatie de Kamer niet bereikt bij het debat over de invoering van het leenstelsel?

Voornoemde leden constateren dat de regering met dit wetsvoorstel is teruggekomen van het voornemen uit het Regeerakkoord om ook de huidige studenten in het leenstelsel onder de 10-jaarsrente te laten vallen, zoals ook beschreven onder 2.3 in de memorie van toelichting. Hoewel de leden hierover verheugd zijn, ontbreekt het aan een motivatie. De leden horen deze graag, en specifiek of het rechtszekerheidsbeginsel hier een rol heeft gespeeld.

De leden van de SGP-fractie hebben vragen naar de samenhang tussen de verschillende besluiten die door de regering ten aanzien van de financiële positie van studenten zijn genomen, de psychologische effecten op het gedrag van studenten en de verwachtingen die studenten van de overheid mogen hebben. Deze leden constateren allereerst dat de regering recent het verlaagd wettelijk collegegeld heeft ingevoerd in de hoop dat daardoor de drempel tot het hoger onderwijs verlaagd zou worden. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt echter een nadeel geïntroduceerd dat dit voordeel grotendeels of meer dan geheel teniet kan doen. Waarom is de regering niet bang dat het door haar gehoopte positieve effect van het verlaagde collegegeld hierdoor in een klap verdwenen is, aangezien beide maatregelen in de beleving van studenten tegen elkaar weggestreept kunnen worden? Deze leden vragen waarom deze ingewikkelde exercitie wordt ondernomen wanneer het saldo voor studenten ongeveer nul is. Zij merken daarbij op dat het verlaagd collegegeld voor instellingen tot meer complexiteit en risico’s in de uitvoering heeft geleid. Deze leden vragen hoe deze maatregelen te rijmen zijn met de behoefte aan een stabiele overheid, in een klimaat waarin toch al zorgen bestaan over de toegankelijkheid van het hoger onderwijs als gevolg van de invoering van het leenstelsel.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

2.1. Algemeen: rente op studiefinanciering

De leden van de D66-fractie hebben nog enkele vragen over de verwachte effecten van de 10-jaarsrente. Kan de regering in een tabel uitsplitsen wat de verwachte effecten zijn voor het maandelijkse terug te betalen bedrag voor verschillende inkomensgroepen bij een lage studieschuld, gemiddelde studieschuld en maximale studieschuld? Heeft de verhoging van de rentemaatstaf een progressief effect waarbij de hoogste inkomens de zwaarste lasten dragen, zo vragen deze leden.

Genoemde leden lezen dat bij wijziging van de rentemaatstaf in het jaar na afstuderen het rentepercentage wordt vastgezet voor 5 jaar op basis van het rentepercentage van staatsobligaties met een resterende looptijd van 10 jaar. Wat zijn de gevolgen als het gemiddeld rentepercentage van de afgelopen 10 jaar over staatsobligaties met een resterende looptijd van 10 jaar als rentemaatstaf wordt genomen in plaats van het rentepercentage op dat moment om te voorkomen dat de percentages sterk fluctueren, zo vragen deze leden. Zij vragen de regering waarom ervoor is gekozen om de rente voor 5 jaar vast te zetten terwijl een 10-jaarsrente wordt gehanteerd.

De leden van de SP-fractie zouden graag een vergelijking zien van de volgende cijfers van de afgelopen 30 jaar: de rente op 5-jarige staatsobligaties, de rente op 10-jarige staatsobligaties en de rente die de overheid op de kapitaalmarkt moet betalen voor leningen.

Deze leden vragen de regering of zij op het standpunt staat dat een rentesubsidie op studieleningen principieel onjuist of onredelijk is.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben begrip voor de voorgestelde maatregel om de rente op studieleningen te baseren op de 10-jaarsrente in plaats van de 5-jaarsrente. Deze leden waren geen voorstander van de invoering van het leenstelsel, maar zij constateren dat studenten onder het leenstelsel 35 jaar gelegenheid hebben om hun lening terug te betalen. Zij vragen de regering, inzichtelijk te maken wat de afgelopen dertig jaar het niveau was van de 5-jaarsrente en de 10-jaarsrente.

2.2. Het verkleinen van de rentesubsidie

De leden van de D66-fractie lezen dat er een directe koppeling wordt gemaakt tussen de studielening van de student en de lening die de Staat aangaat op de kapitaalmarkt terwijl in de voetnoot staat aangegeven dat de Staat geen rente betaalt specifiek voor studieleningen maar voor de totale uitstaande Staatsschuld. Waarom is deze onjuiste koppeling gemaakt als het belangrijkste argument voor het invoeren van de 10-jaarsrente, houdbaarheid van de overheidsfinanciën is. Deze leden vragen of de regering het verband tussen de Staatsschuld en de studieleningen nader kan toelichten.

De leden van de SP-fractie willen graag weten wat de inschattingen zijn van het aantal studenten dat de lening na 35 jaar niet, dan wel niet geheel, zal hebben afbetaald. Wat zijn de huidige verwachtingen over de aantallen niet-terugbetalers en de bedragen die daarmee gemoeid zijn tot 2060 en daarna? In hoeverre is dit een mogelijke bedreiging voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën?

Deze leden merken op dat de regering zich niet baseert op de kosten voor het feitelijk afsluiten van staatsleningen om het leenstelsel te bekostigen, maar op de kosten van de Staatsschuld in het algemeen. De Staatsschuld is opgebouwd uit verschillende soorten leningen, waaronder 10-jarige staatsobligaties, maar ook nog langduriger leningen met dus hogere rente. De leden vragen zich af waarom er niet voor gekozen is specifiek voor bekostiging van het leenstelsel met 5-jarige staatsobligaties, waardoor er geen sprake zou zijn van rentesubsidies.

De leden van de DENK-fractie van lezen in de derde voetnoot in de memorie van toelichting dat de Staat bij het financieren van de Staatschuld geen onderscheid maakt naar schuldsoort, waardoor niet exact kan worden bepaald wat de rentekosten van de studieschuld zijn voor de overheid zijn. Voornoemde leden zouden daar graag een toelichting op willen.

Voorts vragen deze leden zich af of er überhaupt wel gesproken kan worden van rentesubsidie als niet exact duidelijk is tegen welke rentes de overheid de kosten voor het verstrekken van studieleningen zelf leent.

Tevens willen deze leden een overzicht van de jaarlijkse gemiddelde rentepercentages op staatsobligaties in de afgelopen dertig jaar.

2.3. Doelgroep

De leden van de VVD-fractie willen weten of de gewijzigde rentemaatstaf gaat gelden voor studenten die nu al lenen voor hun bachelor en die na 1 januari 2020 beginnen aan de masterfase van de studie. Of is het zo dat studenten die al een studielening hebben voor 2020 onder de huidige rentemaatstaf blijven vallen ongeacht of zij een nieuwe opleiding starten? Zijn de mogelijke gedragseffecten op mbo-afgestudeerden die vanaf 2020 doorstromen naar het hoger onderwijs en daarmee onder het studievoorschot gaan vallen onderzocht? Waarom gelden er verschillende rentemaatstaven voor een studievoorschot in het hoger onderwijs, het middelbaar onderwijs en voor het levenlanglerenkrediet? Hoe wordt er gekeken naar een student die onder verschillende maatstaven valt, bijvoorbeeld omdat hij of zij vanuit het mbo is doorgestroomd naar het hoger onderwijs, als het gaat om de verschillende rentemaatstaven en de effecten op zijn of haar terugbetalingsverplichting?

De leden van de SP-fractie constateren dat een mbo-student met een studieschuld die vanaf 2020 hoger onderwijs volgt, onder het nieuwe stelsel zal gaan vallen. Is het correct dat in dit geval ook de opgebouwde schuld in de mbo-periode zal overgaan naar de nieuwe voorwaarden? Zo ja, is hier dan niet sprake van veranderende voorwaarden, omdat de mbo-schuld is aangegaan onder de voorwaarden van de 3 tot 5-jaarsrente. De leden menen dat er in dat geval sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel, en wijzen ten overvloede in dit kader op uitspraken hierover van de Hoge Raad in het kader van de Harmonisatiewet (1986). De leden zien graag een reactie op het argument dat het rechtszekerheidsbeginsel wordt aangetast met dit wetsvoorstel.

Deze leden vragen met het oog op de positie van mbo-studenten die doorstromen om een nadere toelichting op de volgende zin uit de memorie van toelichting: «Bij doorstuderen na het mbo werkt het immers zo dat ook de lening die tijdens de mbo-opleiding is aangegaan, wordt overgezet naar de ho-leenvoorwaarden.» Op welke wijze veranderen in de huidige situatie de voorwaarden op leningen aangegaan door mbo’ers wanneer zij doorstromen naar het hbo?

Voornoemde leden wijzen erop dat wanneer een mbo’er met een schuld een hogere rente moet betalen over deze schuld wanneer hij of zij doorstroomt naar het hbo, dit feitelijke neerkomt op een extra negatieve financiële prikkel tegen doorstromen, wat vervolgonderwijs zal ontmoedigen. De al opgebouwde schuld wordt immers feitelijk groter, nog voor het eerste college is gevolgd. Is dit billijk te noemen? De leden horen graag de reactie van de regering hierop. De leden wijzen erop dat het leenstelsel sowieso al lijkt te hebben geleid tot een verslechtering van de doorstroming van mbo naar hbo. De leden vragen in het verlengde hiervan of het niet tegenstrijdig is dat het kabinet aan de ene kant verschillende maatregelen neemt om doorstroming van mbo naar hbo te bevorderen, maar aan de andere kant doorstroming onaantrekkelijker maakt voor (lenende) mbo-studenten die willen doorstromen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het een goede zaak dat de voorgestelde maatregel alleen gaat gelden voor nieuwe studenten die na de beoogde inwerkingtreding beginnen met een opleiding. Deze leden vragen hoe de regering gaat zorgen voor goede voorlichting over de wijzigingen, zodat duidelijk is voor wie de maatregel wel en niet gaat gelden.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie stellen dat studeren voor iedereen betaalbaar moet zijn. Daarom willen zij onder meer dat het leenstelsel wordt afgeschaft, de basisbeurs terugkeert en het collegegeld flink wordt verlaagd. Het is tijd om afscheid te nemen van het doorgeschoten marktdenken in het hoger onderwijs, aldus deze leden. Zij constateren dat de regering de toegankelijkheid van het hoger onderwijs klaarblijkelijk niet voorop heeft staan in haar afwegingskader. Studeren wordt door dit voorstel van de regering minder aantrekkelijk, zeker voor mensen met een beperkt budget. Studenten zullen door de voorgestelde wetswijziging nog verder worden opgejaagd tijdens hun opleiding. Het verhogen van de rentemaatstaf op studieleningen staat bovendien in schril contrast met het aanpakken van de schuldenproblematiek.

Deze leden vragen de regering of zij erkent dat de voorgestelde wetswijziging het hoger onderwijs wederom een stuk onaantrekkelijker zal maken. Zo nee, waarom niet? Erkent de regering dat de voorgestelde wetswijziging, vanuit het oogpunt van een zo aantrekkelijk mogelijk hoger onderwijs, niet valt uit te leggen? Zo nee, waarom niet? Erkent de regering dat de voorgestelde wetswijziging studenten nog verder zal opjagen in het zo snel mogelijk afstuderen? Zo nee, waarom niet? Erkent de regering dat de weg naar een schuldenvrije samenleving niet gebaat is bij het verhogen van de rentemaatstaf voor studieleningen? Zo nee, waarom niet? Erkent de regering dat met de voorgestelde wetswijziging de verlaging van het collegegeld voor bepaalde groepen studenten de facto door studenten zelf wordt betaald? Zo nee, waarom niet, zo vragen voornoemde leden.

2.4. Gevolgen voor de student

De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoeveel mensen naar verwachting onvoldoende draagkracht zullen hebben door de verhoging van de rentemaatstaf om volledig aan de terugbetalingsverplichting binnen de grenzen van het sociale leenstelsel kunnen voldoen, bijvoorbeeld voor het jaar 2060. Hhoe hoog zou dat aantal zijn als de huidige rentemaatstaf gehandhaafd bleef, zo vragen voornoemde leden.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering, wat de huidige gebruikelijke kanalen zijn via welke studenten kennis kunnen nemen van de hoogte van de rente. Zou het volgens de regering wenselijk zijn om meer informatie aan te bieden over hoe het werkt met rente en de rentestanden van de afgelopen tien jaar, aan studenten die nog moeten beginnen met lenen of die momenteel lenen? Dit om een indicatie te geven van de renteontwikkeling en wat dit op termijn voor studenten betekent, zo stellen deze leden.

De leden van de D66-fractie lezen dat het onbekend is wat het verschil is met het huidig terug te betalen bedrag omdat het afhangt van onbekende rentes in toekomst. Kan de regering diverse scenario’s schetsen voor de maandlasten bij 5-jaarsrente en de 10-jaarsrente in geval van verschillende hoogtes van rente, zo vragen deze leden.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben vragen over de financiële implicaties voor afgestudeerden met volledige draagkracht. De leden merken op dat de memorie van toelichting slechts met één voorbeeld toelicht wat de hogere rente voor afgestudeerden kan betekenen. Daarom vragen de leden zich af: hoeveel gaat de eerste lichting studenten (vanaf 2020) die te maken krijgt met deze nieuwe rentemaatstaf extra betalen volgens de ramingen? De leden zijn benieuwd naar verschillende ramingen over studieschulden van 15.000 euro, 24.000 euro, en 35.000 euro bij studenten met volledige draagkracht. De leden zijn zich er terdege van bewust dat dit ramingen zijn vanwege de koppeling van de rentemaatstaf met de rente op staatsobligaties.

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat een algemene consequentie is dat jongeren uit minder draagkrachtige families, voor zover zij niet in aanmerking komen voor een aanvullende beurs, meer zullen (moeten) lenen dan hun welgestelde leeftijdsgenoten. Een renteverhoging zal deze groepen dan ook bovenproportioneel raken. Erkent de regering dat dit feitelijk een denivellerende maatregel is? De gemiddelde studieschuld (nu 21.000 euro) zal door de samengestelde rente met ongeveer 5.000 euro groeien. Vindt de regering dit niet een onacceptabel hoog bedrag, zelfs wanneer de betaling wordt gespreid over 35 jaar? Wanneer we ervan uitgaan dat de lagere inkomens meer zullen lenen zal dit bedrag nog substantieel stijgen. Ziet de regering hier, met voornoemde leden, niet een duidelijke verslechtering van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, specifiek voor lagere inkomens of jongeren uit groepen met bovengemiddelde leenangst, bijvoorbeeld wanneer ze eerstegeneratie-studenten zijn? Ondermijnt de regering hiermee niet al haar andere pogingen om de toegankelijkheid in het hoger onderwijs juist te vergroten?

Voornoemde leden wijzen op het onlangs door het Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) gepubliceerde onderzoek naar studieschulden en hypotheken1. Het te betalen maandbedrag blijkt een serieuze hindernis voor het verkrijgen van een hypotheek op een toch al overspannen huizenmarkt. Omdat een renteverhoging per definitie zal leiden tot een hoger maandbedrag ligt het voor de hand dat dit probleem erger zal worden. De Minister heeft op vragen van de leden Ronnes en Van der Molen geantwoord2, geen aanleiding te zien aanvullende maatregelen te treffen. Erkent de regering dat het probleem met de renteverhoging erger zal worden? Wat zal de maandlast waarbij zijn met de hypotheek rekening gehouden moeten worden, wanneer wordt uitgegaan van de hogere gemiddelde studieschuld onder de 10-jaarsrente? Is het waar dat deze nog hoger is dan die onder het oude stelsel van vóór het leenstelsel, waarbij de gemiddelde schuld lager is maar met een hogere wegingsfactor wordt gerekend? En zo ja, ligt het dan niet voor de hand dat de door het ISO geconstateerde problematiek onder de 10-jaarsrente erger zal worden en de positie van afgestudeerden op de woningmarkt onder de 10-jaarsrente dus verder zal verslechteren?

De leden wijzen op het onderzoek naar gezondheidsrisico’s onder jongeren van het RIVM, waarbij het RIVM onder de oorzaken van psychologische klachten onder jongeren de financiële situatie van jongeren en daarbij specifiek de invoering van het leenstelsel noemt. In haar antwoord3 op schriftelijke vragen van het lid Futselaar ontkent de Minister dit verband. De leden constateren dat ook in dit wetsvoorstel geen aandacht wordt besteed aan de mogelijke gevolgen voor het welzijn van jongeren en gaan ervan uit dat de Minister volhardt in haar eerdere standpunt. De leden horen graag welke onderzoeken de regering heeft die de conclusies van het RIVM op dit gebied ondergraven.

Deze leden wijzen erop dat de rente de afgelopen decennia behoorlijk heeft gefluctueerd. Op dit moment is de rente historisch laag maar het ligt voor de hand dat dit niet zo zal blijven. De leden maken zich zorgen of studenten die nu en in de nabije toekomst studieleningen afsluiten zich dit wel geheel realiseren. De leden vragen zich af of het in dit verband niet logisch was geweest een maximum rentepercentage in te bouwen, om te voorkomen dat de samengestelde rente op termijn leidt tot nog veel hogere schulden dan studenten verwachten bij aanvang.

De leden van de PvdA-fractie wijzen nogmaals op de «sigaar uit eigen doos» waarvan hier sprake is richting studenten die in aanmerking komen voor de halvering van het collegegeld, zeker omdat de kosten van deze rentemaatregel het financiële voordeel hiervan weer ongedaan maken. Kan de regering aangeven waarom zij er voor kiest om met de ene hand een korting op het eerstejaars collegegeld te bieden en met de andere hand studenten ongeveer 12 euro per maand extra aan rente te gaan doorberekenen, voor de duur van de gehele leningstermijn? Is de regering het met de leden eens dat zij hiermee de gegeven korting van 1.000 euro op het collegegeld na circa zeven jaar terugbetalen weer ongedaan heeft gemaakt voor de student?

Deze leden vragen of de regering nogmaals kan toelichten waarom zij de eerder door de leden gelegde koppeling tussen de korting op het eerstejaars collegegeld en de invoering van de 10-jaarsrente ontkent, aangezien de rentemaatregel een effect kan hebben op vertrouwen, zeker ook omdat de collegegeldkorting eenmalig is en de verhoging van de rente op de studieschuld een structureel karakter kent over vele jaren van terugbetalen. Is de regering het met de leden eens dat een bedrag van 1.000 euro eenmalig wel degelijk vergelijkbaar is met een renteverhoging van gemiddeld 144 euro per jaar, met een maximum terugbetaaltermijn van 35 jaar voor de studielening?

De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het van groot belang dat problematische schulden bij studenten en afgestudeerden worden voorkomen. Ook al is de voorgestelde maatregel begrijpelijk en ook al zijn er gunstige voorwaarden voor het terugbetalen van studieleningen, deze leden zien het risico dat studieschulden lang impact zullen hebben op het leven van jongeren. Genoemde leden vragen de visie van de regering ten aanzien van dit risico. Ook vragen zij de regering om in de brede schuldenaanpak expliciet aandacht te besteden aan studenten, en om studentenorganisaties te betrekken bij de uitwerking van de brede schuldenaanpak. Kan de regering toelichten of en hoe zij dit gaat doen?

Deze leden vinden het van groot belang dat gemonitord wordt wat het effect van de voorgestelde maatregel is. Zo zouden zij willen weten of de hoogte van de studieleningen verandert, of de hogere rente jongeren ervan weerhoudt om te gaan studeren en of het meespeelt in de overwegingen van studenten om extracurriculaire activiteiten te ondernemen, aangezien de druk om snel af te studeren mogelijk toeneemt door de hogere rente. Voornoemde leden vragen of de regering bereid is om dit nauwkeurig te monitoren en de Kamer hierover geregeld te rapporteren.

De leden van de DENK-fractie zouden graag wat meer voorbeelden zien om de gevolgen voor de studenten in kaart te brengen, en willen graag, analoog aan het voorbeeld dat in deze paragraaf van de memorie van toelichting wordt gegeven, een doorberekening van de verschillen in het maandbedrag bij een schuld van 10.000 euro, van 20.000 euro, van 21.000 euro, van 30.000 euro, van 40.000 euro, van 50.000 euro en van 60.000 euro, waarbij voor elk van deze bedragen de verschillen worden getoond zoals deze er zouden zijn bij de gemiddelde rentes zoals deze er waren in de jaren 2008–2017, 1998–2007, 1988–1997 en 1978–1987.

3. Gevolgen voor de regeldruk en gevolgen voor de privacy

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering meldt dat het wetsvoorstel geen consequenties heeft voor privacy van studenten. Dit is feitelijk correct. De leden constateren echter eveneens dat DUO op 1 oktober j.l. in een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over de «Overheid als schuldeiser» heeft ingebracht de huidige privacywetgeving als een knelpunt te zien voor een effectieve schuldenaanpak. De leden constateren tot hun verwondering dat er in een voorstel dat effectief studieschulden zal verhogen, geen aandacht is voor de schuldenproblematiek onder jongeren. De leden verzoeken de regering verder in te gaan op dit voorstel in het kader van de schuldenproblematiek onder jongeren en daarbij ook aandacht te besteden aan toekomstige mogelijke aanvullende maatregelen op het gebied van privacy.

4. Financiële gevolgen

De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering verwacht dat het voorliggende wetsvoorstel leidt tot structureel 36 miljoen euro aan kwijtscheldingen. Zij vragen de regering hoe hoog de gemiddelde kwijtschelding is per student.

De leden van de CDA-fractie horen graag, met welk percentage niet-betalers de regering rekening heeft gehouden en hoe dit in de begroting tot uiting komt. Deze leden vragen hoe eventuele tegenvallers bij het terugbetalen moeten worden opgevangen op de begroting.

De leden van de D66-fractie vragen de regering om nader toe te lichten hoe ze tot de opbrengsten van 226 miljoen euro zijn gekomen, aangezien onduidelijk is hoe hoog de rente in de toekomst is en hoeveel mensen in aanmerking komen voor een hogere kwijtschelding. Hoeveel mensen gaan naar verwachting gebruik maken van de draagkrachtregeling, waarbij ze niet hoeven af te lossen aangezien ze het minimumloon verdienen of de restschuld na 35 jaar wordt kwijtgescholden? Deze leden vragen de regering met welke inkomensgroepen zij rekening houdt, die gebruik gaan maken van deze draagvlakregeling. Kan de regering nader toelichten hoe ze tot de geraamde extra kwijtschelding van 36 miljoen euro is gekomen, zo vragen deze leden. Voorts vragen deze leden of het te verwachten is dat de 10-jaarsrente als effect heeft dat mensen eerder hun totale restschuld terugbetalen en wat hiervan de financiële gevolgen zijn. Kan de regering in een reeks tot 2040 nader toelichten wat de financiële gevolgen zijn, zo vragen deze leden.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat deze wetswijziging in 2060 structureel 226 miljoen euro moet opleveren. De totale opbrengsten in eerdere jaartallen ontbreken. Deze leden vragen de regering daarom, wat de geraamde opbrengsten zijn van de gewijzigde rentemaatstaf in 2025, 2030, 2035, 2040, 2045, 2050.

De leden van de SP-fractie verbazen zich erover dat de regering zo actief stuurt op de overheidsfinanciën in het jaar 2060, en wijzen erop dat een vergelijkbare maatregel om onze huidige financiën houdbaar te maken in het jaar 1976 zou moeten zijn genomen, midden in de koude oorlog, tussen twee oliecrises in, ver vóór de uitvinding van het internet en überhaupt vóór het bestaan van de basisbeurs. In dit kader vragen de leden zich af hoeveel praktische waarde de inschatting van overheidsfinanciën zo ver in de toekomst heeft en in hoeverre hier sprake is van een gelegenheidsargument.

Deze leden vragen zich af waar het bedrag van 226 miljoen euro vandaan komt. Zij constateren dat dit bedrag ook in het regeerakkoord stond, terwijl er daar nog van werd uitgegaan dat ook de eerstegeneratie-leenstelselstudenten onder de 10-jaarsrente zouden vallen. Het bedrag van 226 miljoen euro is in het wetsvoorstel echter onveranderd, terwijl toch verwacht zou moeten worden dat het financiële consequenties heeft dat deze groep (gelukkig) wordt uitgesloten. Graag zouden de leden inzicht krijgen in de ramingen, berekeningen en voorspellingen van dit bedrag. De leden willen graag per jaar tot 2060 zien wat de verwachting is dat de renteverhoging moet gaan opleveren voor de overheidsfinanciën.

Genoemde leden constateren dat de regering voor de berekening van de consequenties van de renteverhoging van het volgende uitgaat: «Op basis van de gemiddelde rentes in de afgelopen tien jaren was de 10-jaarsrente 0,78 procentpunt hoger dan de 5-jaarsrente en zal het maandelijks terug te betalen bedrag ongeveer 18% hoger zijn voor studenten met volledige draagkracht.» In hoeverre is het gebruik van de gemiddelde rentes van de afgelopen 10 jaar (met daarin een periode van historisch lage rente) representatief wanneer deze wordt vergeleken met eerdere decennia? Hoe zinvol is deze vergelijking voor een maatregel gericht op financiële houdbaarheid in 2060?

De extra middelen voor kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs die vrijkomen door de invoering van het leenstelsel zijn vanaf volgend jaar oplopend beschikbaar. Dit was een van de argumenten voor invoering van het leenstelsel. De afgelopen jaren is de financiële situatie in het hoger onderwijs echter veranderd. Na de al aanwezige doelmatigheidskorting bij aanvang van dit kabinet, de extra korting op de lumpsum in de laatste Miljoenennota en de extra korting die nog in de Voorjaarsnota moet worden opgelost is het maar de vraag in hoeverre de middelen daadwerkelijk kunnen worden ingezet voor een verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Nu de onderwijsinstellingen geconfronteerd worden met aanmerkelijk grotere studentenaantallen dan door het ministerie voorzien, lijkt het waarschijnlijk dat middelen vooral ingezet moeten worden om een verlaging van onderwijskwaliteit door deze grote aantallen te beperken. De leden maken zich zorgen over deze tendens en vragen zich af of de regering deze ook ziet. In dat kader vragen de leden of een renteverhoging op het leenstelsel redelijk genoemd kan worden, in een tijd waarin de kwaliteitsverbeteringen die beloofd waren in ruil voor het leenstelsel zwaar onder druk staan.

De leden van de SGP-fractie vragen de regering om een reactie op het commentaar van experts4 dat de gekozen 10-jaars rente van 2,56 procent in verband met de economische crisis historisch gezien atypisch is en dat een rente van 4 procent historisch gezien niet ongebruikelijk is. Bij een rente van 4 procent is het rentebedrag over de gehele looptijd 9.000 euro hoger dan in de toelichting en zelfs hoger dan de gemiddelde studielening. Zij vragen of de regering zulke bedragen wenselijk vindt. Waarom is niet gezocht naar een evenwichtiger norm dan de rente over de afgelopen tien jaar, zo vragen zij.

5. Uitvoering

De leden van de CDA-fractie vragen, wat het bedrag is dat uitstaat bij buitenlandse (EU) studenten? Bij hoeveel studenten staat dit bedrag uit? Zij willen weten of de Minister schulden kan innen van studenten die in Nederland gestudeerd hebben en hier geld hebben geleend voor hun studie. Hoe werkt dit, wat is de stand van zaken qua inning en zijn er complicaties bij inning bij debiteuren in het buitenland? Zo ja, wat kan de Minister, al dan niet in Europees verband, er aan doen om dit te verbeteren, zo vragen voornoemde leden. Hoe wordt in de begroting omgegaan met afboeking op uitstaande buitenlandse schulden? Hoe onderhoudt DUO het contact met deze oud-studenten? Hebben deze oud-studenten DigiD? Vraagt DUO een buitenlands adres bijvoorbeeld bij de aanvraag, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de SP-fractie stellen dat de voorgestelde aanpassing van de rente betekent dat DUO langdurig een dubbele boekhouding zal moeten bijhouden, voor studenten in het huidige stelsel onder een 5-jaarsrente en de toekomstige studenten die onder het nieuwe stelsel gaan vallen (en bovendien nog geruime tijd een groep die onder het oude prestatiebeursregime valt). Deze leden vragen de regering of DUO is ingesteld op deze administratie, gezien de capaciteit en ICT-problematiek de afgelopen tijd. Zij merken op dat het voorstel geen raming van invoeringskosten bevat. Wat zijn de ingeschatte kosten voor DUO voor het invoeren van de 10-jaarsrenteleningen, zo willen deze leden weten.

6. Gevolgen voor Caribisch Nederland

De leden van de CDA-fractie vragen de regering, wat momenteel de rentemaatstaf voor de Wet studiefinanciering BES is en hoeveel tijd deze studenten hebben om hun schuld af te lossen.

De voorzitter van de commissie, Tellegen

De adjunct-griffier van de commissie, Alberts


X Noot
1

«Hypotheek en Studieschuld – De invloed van een studieschuld op de hoogte van een hypotheek», Interstedelijk Studentenoverleg, augustus 2018.

X Noot
2

Kamerstuk 32 847, nr. 243.

X Noot
3

Aanh. Hand. II, 2017–2018, nr. 3163.