Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834996 nr. 2

34 996 Initiatiefnota van de leden Omtzigt en Bruins over het nabestaandenpensioen

Nr. 2 INITIATIEFNOTA

Inhoudsopgave

blz.

   

Introductie

2

   

De noodzaak van een nabestaandenpensioendekking

3

Wie wordt er nabestaande?

3

Hoe ziet het nabestaandenpensioen eruit?

4

De eerste pijler

4

De tweede pijler

5

De derde pijler

5

Nabestaandenpensioen na de AOW leeftijd

5

   

Aanvullende problemen:

6

De regeling is vaak meerdere keren veranderd

6

De bestuurders en sociale partners snappen het zelf ook niet (helemaal)

6

Het pensioenoverzicht geeft niet standaard aan dat er een probleem is

7

Waardeoverdracht

7

Echtscheiding en hertrouwen

7

Ziek, werkloos, arbeidsongeschikt, overlijden

7

   

Acute problemen? Echtscheiding! Of snel met pensioen

7

   

Waarom nu een discussie?

8

   

Aanbevelingen

8

   

Bijlage 1: Voorbeelden

10

INTRODUCTIE1

Weduwen-en wezenpensioenen waren vaak de eerste pensioenen die geïntroduceerd werden, zowel door werkgevers als de rijksoverheid. Het financiële risico dat een kostwinner (de man) overleed was en is te groot om individueel te dragen.

Zo voorzag de Ongevallenwet van 1901 in «een rente voor de weduwe en wees van een als gevolg van een bedrijfsongeval overleden, verzekerde arbeider, wanneer deze in een nader aangewezen industrieel bedrijf had gewerkt»2. Ook voorzag deze wet in een (forse hogere) uitkering voor een arbeider na een arbeidsongeval. Pas in 1913 volgde de invaliditeits- en ouderdomswet. Deze voorzag in een karig ouderdomspensioen bij het bereiken van de leeftijd van 70 jaar. Dit ouderdomspensioen was een speciaal geval van arbeidsongeschiktheid. Op die leeftijd was men niet meer in staat om in de fabriek te werken.

Industriëlen hadden al eerder pensioenen ingevoerd. Het Stork pensioenfonds uit 1881 voorzag al vrij snel na oprichting in een fonds voor weduwen en wezen.

Een pensioen voor nabestaanden voorzag in een dekking voor een risico dat een gezin niet kan dragen. Namelijk het wegvallen van het (hoofd)inkomen bij een gezin.

De wijze waarop dit pensioen is vormgegeven is vooral de afgelopen 20 jaar aan grote wijziging onderhevig geweest. Dat heeft geleid tot een stelsel van nabestaandenpensioen dat volstrekt onoverzichtelijk is, geen uniforme dekking heeft en waarbij zelfs de doelstelling van regelingen niet altijd duidelijk is.

Nu sociale partners bezig zijn met het opzetten vormgeven van een nieuw pensioencontract is het belangrijk om juist ook stil te staan bij de uitdaging om helder keuzes te maken welke risico’s het pensioenstelsel dient te dekken.

De sociale partners gaven in 2016 in hun verkenning over de variant van persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling aan dat «... in de analyses [zijn] ook de implicaties op het nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen nog achterwege gelaten. Ook dit behoeft nadere uitwerking ...».3

Wij zijn van mening dat er in ieder geval zeer bewuste gezamenlijke keuzes gemaakt moeten worden over het nabestaandenpensioen. En dat de publieke en private regelingen op elkaar aan dienen te sluiten. Ten slotte dienen er geen lacunes in de dekking te zitten. Op al deze punten is er op dit moment een groot probleem.

Deze problemen komen ook duidelijk naar voren in twee recente Netspar publicaties over het nabestaandenpensioen.4 5

Ook de OESO breekt zeer recent een lans voor het nabestaandenpensioen in Nederland. De OESO merkt in haar jaarlijkse rapport6 over Nederland uit juli 2018 op dat de gender gap in pensioenen tussen mannen en vrouwen in Nederland maar liefst 40% is, het één na hoogste in heel Europa. Dit komt door het hoge percentage part-time werk bij vrouwen. De OESO zegt vervolgens: «Door het ontbreken van verplichte dekking voor een nabestaandenpensioen, zowel tijdens het werkzame leven als na pensionering, maakt het gat groter. Het zou goed zijn als er een verplichting is om een deel van de pensioenrechten verplicht om te zetten in een nabestaandenpensioen om het inkomensverlies van echtgenoten na overlijden op te vangen.»

DE NOODZAAK VAN EEN NABESTAANDENPENSIOENDEKKING

In een kostwinnerssamenleving is de noodzaak voor een dekking van een nabestaandenpensioen evident. Bij wet werden leraressen tussen 1935 en 1958 ontslagen op het moment dat zij trouwden. In de situatie waarin kostwinnerschap de norm is en het op bepaalde terreinen ook wordt afgedwongen is een weduwenpension natuurlijk volstrekt logisch.

De norm is ondertussen totaal veranderd. Anderhalf en tweeverdieners huishoudens zijn de norm geworden en kostwinnersgezinnen worden langzamerhand een uitzondering. Echter ook juist bij een anderhalfverdieners-gezin betekent een wegvallen van het hoogste inkomen een zodanige inkomensval dat bijvoorbeeld woonlasten acuut niet meer opgebracht kunnen worden bij overlijden. Immers 2/3 van het inkomen valt dan in een keer weg.

Veel hypotheken zijn ook afgesloten op twee inkomens.

In andere wetten houdt de wetgever ook expliciet rekening met het niet in staat zijn zo’n inkomensval op te vangen. Bij echtscheiding zijn partners standaard 12 jaar alimentatieplichtig7 8 en kinderalimentatie is verschuldigd totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft.

Deze nota zal niet verder op het aanzienlijke probleem van het partnerbegrip bij het nabestaandenpensioen ingaan en simpelweg verwijzen naar de aanbeveling van de Stichting van de Arbeid om «enige uniformering in het begrip samenwonende partners aan te brengen»9 en een voorstel daartoe van Dietvorst en Veugelers.10

Wie wordt er nabestaande?

Doordat vrouwen gemiddeld de jongere partner zijn en omdat zij een langere levensverwachting hebben, eindigt het huwelijk11 twee keer zo vaak door het overlijden van de man als door het overlijden van de vrouw. Dit geldt voor alle leeftijdscategorieën.

De kans om te overlijden vertienvoudigt tussen leeftijd 30 en 57.

Dit is ook goed te zien in het aantal mensen dat weduwnaar/weduwe is:

Weduwen en weduwenaars in Nederland, 2017 (bron: CBS)
 

Weduwnaar

Weduwe

Totaal

10–20

0

3

3

20–30

44

212

256

30–40

607

1.971

2.578

40–50

3.647

9.819

13.466

50–60

14.180

37.036

51.216

60–70

38.543

105.383

143.926

70–80

61.460

200.383

261.843

80–90

59.922

235.083

295.005

90–100

17.140

74.287

91.427

Na leeftijd 50 neemt het aantal mensen dat zijn weduwe/weduwnaar wordt zeer snel toe. Voor het vervolg van deze nota is het van belang dat er een relatief grote groep weduwen is, die weduwe wordt voordat de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dat is de groep waarbij bij de nabestaandenpensioenen de grootste gaten vallen.

De problemen bij het nabestaandenpensioen zijn niet alleen historisch een probleem van vrouwen, maar zijn dat ook vandaag nog en wel om twee redenen:

  • 1. Vrouwen zijn jonger op het moment van aangaan van het huwelijk en zij hebben een fors langere levensverwachting. Er zijn dus veel meer weduwen dan weduwnaars.

  • 2. Bij gezinnen met kinderen werken mannen gemiddeld voltijds en vrouwen 15–20 uur.12

Dit blijkt ook uit de cijfers: bij het ABP is 87% van de mensen die een nabestaandepensioen ontvangt vrouw.13

Hoe ziet het nabestaandenpensioen eruit?

Voor de AOW leeftijd bestaat het, net als na de AOW leeftijd, uit 3 pijlers

De eerste pijler

De Algemene Nabestaandenwet (ANW14) is een volksverzekering en ligt op het sociale minimum (bruto € 15.369/jaar). Er is geen vermogenstoets. Inkomen van andere sociale zekerheidsuitkeringen wordt volledig gekort. Inkomen uit werk wordt deels gekort. (een nabestaande met modaal inkomen heeft geen recht meer op ANW).

Tot slot wordt inkomen uit de private nabestaandenpensioenen niet gekort.

Tot 1996 had iedere nabestaande recht op deze uitkering. Op dit moment hebben alleen nabestaanden met kinderen onder de 18 of nabestaanden die voor ten minste 45% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering. Het gevolg is dat het aantal ANW uitkeringen zeer scherp gedaald is van 196.000 naar 36.000.

De grootste groep mensen die in vergelijking met de situatie van voor 1996 geen uitkeringen meer krijgen zijn dus weduwen tussen 50 en 66: zij hebben geen zorg over kinderen tot 18 jaar en zijn vaak niet 45% arbeidsongeschikt.

De tweede pijler

Veel pensioenregelingen kennen een vorm van nabestaandendekking. Deze dekking betreft alleen het inkomen boven de franchise, die veelal tussen de € 12.000/jaar en € 15.000/jaar ligt.

Er zijn twee standaarddekkingen: op risicobasis en op opbouwbasis.

Een nabestaandenpensioen op risicobasis keert (levenslang) een bedrag uit in geval van overlijden van de deelnemer in actieve dienst. Na einde dienstverband vervalt de dekking in principe.

Bij een nabestaandenpensioen op opbouwbasis wordt een kapitaal bijeengebracht waardoor ook bij overlijden na einde dienstverband een uitkering kan worden verstrekt. Deze dekking is afgeleid van de hoogte van het opgebouwde ouderdomspensioen en dus afhankelijk van het aantal gewerkte jaren waarin pensioen is opgebouwd.

De dekking bedraagt over het algemeen ongeveer 50% van het inkomen boven de franchise. Het grote verschil doet zich voor bij een wisseling van dienstverband.

Indien er bij de oude werkgever een nabestaandenpensioen was op opbouwbasis, dan blijft dat intact. Indien er nabestaandenpensioen was op risicobasis, dan vervalt de verzekering en is er geen aanspraak meer bij de oude werkgever.

Vooral als je laat nog van pensioenfonds wisselt, is het gevolg groot: als je een nabestaandenpensioen op risicobasis had, vervalt dat. Als je op je 56e dan een nieuwe baan vindt met een inkomen van 45.000, dan is de dekking niet meer de helft van (€ 45.000–€ 15.000) = € 15.000 per jaar voor de partner bij overlijden, maar een kwart daarvan omdat je slechts 10 van de 40/42 dienstjaren bij de nieuwe werkgever doorbrengt. Je partner krijgt bij overlijden dus een levenslang pensioen van ongeveer € 3.750 per jaar.

Als je bij dezelfde werkgever gebleven was, was dat € 15.000 per jaar geweest.

De derde pijler

Individueel kunnen mensen zich bijverzekeren. Zo biedt een aantal pensioenfondsen een ANW-hiaatverzekering aan. Een verder veel voorkomende vorm van bijverzekeren is een overlijdensrisicoverzekering bij hypotheken. Bij overlijden wordt dan (een deel van) de hypotheek afgelost. Soms stellen banken dit verplicht voor een deel van de hypotheeksom, mede om het risico voor de banken zelf te verminderen.

Nabestaandenpensioen na de AOW leeftijd

Na de AOW leeftijd (van de nabestaande!) bestaat de eerste pijler uit de AOW. De tweede pijler bestaat nog steeds uit een aanvullend pensioen.

Indien er geen of onvoldoende nabestaandenpensioen is opgebouwd (bijvoorbeeld omdat nabestaandenpensioen op risicobasis gedekt was15), heeft de deelnemer recht om een deel van het ouderdomspensioen in te ruilen voor een recht op een nabestaandenpensioen. Indien de deelnemer geen keuze maakt en helemaal geen partnerpensioen had, vindt de uitruil automatisch plaats.

Dit heeft in de praktijk tot gevolg dat het pensioen op de pensioenleeftijd verlaagd wordt (in vergelijking met wat mensen verwachtten op basis van hun pensioenoverzichten), maar dat er wel een dekking is voor nabestaandenpensioen.

Het grote verschil tussen een nabestaandenpensioen bij overlijden vlak voor en vlak na het bereiken van het AOW gerechtigde leeftijd is om geen enkele reden te rechtvaardigen. In het voorbeeld hierboven kan het nabestaandenpensioen vier keer zo hoog zijn bij overlijden vlak na het bereiken van die leeftijd dan vlak ervoor16. Daarvoor bestaat natuurlijk geen enkele logische rechtvaardiging.

AANVULLENDE PROBLEMEN:

In de voorgaande paragrafen is een aantal problemen met het nabestaandenpensioen expliciet aan de orde gekomen. Hieronder volgt nog een aantal gaten in de dekking een aantal onlogische voorwaarden.

De regeling is vaak meerdere keren veranderd

De pensioenregelingen zijn zelf ook niet constant gebleven in de tijd. Een groot aantal pensioenfondsen switchte rond 2000 van een nabestaandenpensioen op opbouwbasis naar een nabestaandenpensioen op risicobasis. Recent zijn veel fondsen weer terug veranderd.

De bestuurders en sociale partners snappen het zelf ook niet (helemaal)

Het ABP veranderde de regeling in 2018 voor het nabestaandenpensioen. Het schafte met onmiddellijk ingang de ANW-compensatie af. Die hield in dat mensen die nabestaande werden en geen of maar een gedeeltelijke ANW kregen, die aangevuld kregen tot een volledige ANW.

Tegelijk werd het nabestaandenpensioen weer volledig op opbouwbasis gezet. Voor veel mensen is dit een verbetering, maar voor een aantal groepen is dit een behoorlijke verslechtering. Bijvoorbeeld voor gepensioneerden die een partner hebben die nog niet gepensioneerd is. Die verloren de ANW-compensatie (tot 15.000 euro per jaar) en kregen geen enkele verbetering. Hiermee zegde het pensioenfonds een risicoverzekering op zonder dat een aantal deelnemers een valide alternatief had. Dit recht heeft een verzekeraar niet.

Wel bleek later dat zij nog compensatie konden krijgen van vaak een paar duizend euro op basis van een artikel in het pensioenreglement dat iedereen vergeten leek en waarover het ABP tot op de dag van vandaag niet actief communiceert.

Na meerdere Kamervragen concludeerde de Minister dan ook enigszins diplomatiek: «Ik acht het gezien de gevoerde gesprekken en de complexiteit van de ABP-pensioenregeling onwaarschijnlijk dat de sociale partners en de leden van het ABP-bestuur zich destijds bewust waren van het feit dat de betreffende bepaling weer betekenis kreeg met het vervallen van de ANW-compensatieregeling.»17

Ofwel degenen die de grootste pensioenregeling van het lande wijzigden begrepen de impact van de wijziging zelf niet.

Verschillende maatregelen hebben de gevolgen voor groepen verzacht, maar er blijven keiharde randen over. Mensen die nu ziek zijn en zich niet aanvullend kunnen verzekeren hebben een dekking voor vijf jaar via het ABP. Mochten ze over 5 jaar en 1 dag overlijden, dan krijgen hun nabestaanden geen enkele compensatie.

Natuurlijk dient een deelnemer op de hoogte te zijn van zijn rechten, maar als het bestuur en de sociale partners het zelf niet meer begrijpen met alle wijzigingen, dan is er echt een probleem.

Het pensioenoverzicht geeft niet standaard aan dat er een probleem is

Op het standaard pensioenoverzicht (UPO) is standaard niet duidelijk of het nabestaandenpensioen gedeeltelijk of geheel vervalt, indien de deelnemer overlijdt bij uitdienst treden. Er staat wel een waarschuwing bij de tekst, maar die waarschuwing geeft niet precies aan wat er wel gebeurt. Daarvoor moet de deelnemer naar mijnpensioenoverzicht.nl. Aan de berekeningen daarop kan de deelnemer echter geen rechten ontlenen.

Waardeoverdracht

Bij waardeoverdracht zijn de regels zo onduidelijk dat het hier ook zeer goed mogelijk is dat onbedoeld rechten op een nabestaandenpensioen verloren gaan, omdat de regelingen onvergelijkbaar zijn.18

Echtscheiding en hertrouwen

Bij een tweede huwelijk is het moeilijk te standaardiseren wat er gebeurt. Maar het moge duidelijk zijn dat in bijna alle gevallen het nabestaandenpensioen voor de nieuwe partner relatief laag is, omdat een deel is overgedragen aan de eerdere partner op basis van de pensioenwet. Dit probleem vereist dus maatwerk, met zaken als uitruil van ouderdomspensioen en privaat bijverzekeren.

Aangezien 40% van de huwelijken eindigt in een echtscheiding, dient hiervoor veel meer standaard advies voor beschikbaar te komen.

Ziek, werkloos, arbeidsongeschikt, overlijden

Bij werkloosheid loopt de risicodekking door, maar alleen voor de gewerkte jaren. Bij het overlijden in de WW van een 45 jarige is het nabestaandenpensioen dus ongeveer de helft van wat het zou zijn als die persoon nog gewerkt zou hebben.

Bij veel pensioenregelingen is voorzien in het voortzetten van de pensioenopbouw bij gedeeltelijke of volledige arbeidsongeschiktheid. Dat betekent dat er een nabestaandendekking blijft. Dit is echter niet bij alle pensioenregelingen het geval. Bij andere regelingen is er wel een dekking voor het arbeidsongeschiktheidspercentage, maar wordt die dekking niet naar boven aangepast, indien iemand zieker en dus meer arbeidsongeschikt wordt.

In de laatste gevallen is er wanneer iemand eerst ziek en arbeidsongeschikt wordt en daarna overlijdt geen of nauwelijks nabestaandenpensioen.

ACUTE PROBLEMEN? ECHTSCHEIDING! OF SNEL MET PENSIOEN

De vraag rijst natuurlijk wat mensen kunnen doen wanneer ze ongewild in een situatie terecht gekomen zijn dat er geen dekking voor het nabestaandenrisico is. Dat kan het geval zijn door het wisselen van baan, waardoor een deel van de risicodekking vervalt.

Zeker wanneer er sprake is van (terminale) ziekte is het dan al voor het overlijden duidelijk dat er sprake zal zijn van een nabestaande die in armoede achterblijft.

Gek genoeg is echtscheiding dan een manier om de helft van de pensioenrechten op het ouderdomspensioen (dat bij de AOW ingaat) over te dragen. Bij een echtscheiding kun je er namelijk voor kiezen om het pensioenvermogen door midden te delen, de zogenaamde conversie. Dat wordt binnenkort overigens standaard.

Na verdeling van het pensioenvermogen is het dan wel weer zaak om te trouwen, omdat de erfbelasting tussen gehuwden in standaard situaties nul is.

Overigens geeft de Minister aan dat dit mogelijk «fraus legis»19 is dus dit dient niet als een advies gezien te worden.

Maar het is natuurlijk zeer cru dat bij overlijden het pensioenkapitaal voor het ouderdomspensioen in een aantal situaties vervalt als «sterftewinst» voor de andere deelnemers, maar dat de nabestaande nauwelijks een nabestaandenpensioen krijgt.

Als je vlak voor je pensioendatum zit, is er nog een tweede mogelijkheid en dat is de pensioendatum vervroegen. Dat kan bij veel regelingen en is sowieso aantrekkelijk als je een korte levensverwachting hebt. Je pensioen is lager, maar gaat eerder in. En heel belangrijk: je kunt het ouderdomspensioen deels omzetten in een nabestaandenpensioen

WAAROM NU EEN DISCUSSIE?

De regering geeft aan dat zij de ANW gaat evalueren20 en de SER/sociale partners werken aan een nieuw pensioenakkoord.

In het regeerakkoord staat over dat nieuwe pensioenstelsel vermeld:

«Het stelsel bevat een adequate dekking voor het nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen, zodat het de arbeidsmobiliteit niet belemmert.»

Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat het huidige nabestaandenpensioen de arbeidsmobiliteit belemmert en een verandering dus zeer gewenst is.

In de studies die tot nu toe verschenen zijn van de SER zijn de implicaties op het nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen nog achterwege gelaten.21 Dit is onverstandig omdat het probleem van de dekking van het risico op nabestaanden een aantal fundamentele andere issues raakt (wanneer is iemand een partner, moet er dekking zijn bij ZZP’er, moet de dekking blijven bestaan in de WW of in de WIA?) en de huidige regelingen zodanig complex zijn dat noch sociale partners noch deelnemers ze goed snappen.

Er is grote aandacht voor het omzetten van oude rechten in nieuwe rechten voor het ouderdomspensioen met terecht grote aandacht voor winst- en verliesgeneraties. Bij het nabestaandenpensioen zijn de potentiele gevolgen nog veel groter, wanneer mensen in een totaal ander stelsel terechtkomen.

Veranderingen in het verleden hebben uitgewezen dat de gevolgen voor een nabestaandenpensioen daarbij altijd onderschat zijn en geleid hebben tot schrijnende gevallen, de zogenaamde huilende weduwen aan de poort. Nabestaanden die er later achter kwamen dat er nauwelijks of geen pensioen was na het overlijden van de kostwinner.

AANBEVELINGEN

Het nabestaandenpensioen is ook in 21e eeuw nog steeds van groot belang om armoede en een grote inkomensval te voorkomen wanneer de partner komt te overlijden. Het nabestaandenpensioen en de noodzakelijke dekking hoeven niet hetzelfde te zijn als in de 20e eeuw, in een kostwinnerssamenleving. Maar het huidige stelsel heeft geen heldere gedeelde uitgangspunten. Dat betekent dat mensen in relatief vergelijkbare situaties een totaal verschillend nabestaandenpensioen kunnen krijgen. En de complexiteit van het stelsel is zodanig dat zowel bestuurders als deelnemers het slechts met grote moeite kunnen bewijzen.

De initiatiefnemers vragen de Kamer in te stemmen de regering te verzoeken de volgende acties te ondernemen:

  • 1. De regering vraagt de SER (of de STAR) om een advies over de wenselijke dekking van het nabestaandenpensioen inclusief de verdeling tussen publiek en privaat. De dekking dient uniform te zijn en de arbeidsmobiliteit niet te belemmeren. De dekking moet ook redelijk kunnen doorlopen bij baanwisseling, tijdelijke werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, scheiden/hertrouwen en de stap naar zelfstandigheid.

    Het heeft de voorkeur dat in ieder geval het nabestaandenpensioen na pensionering op opbouwbasis wordt opgebouwd en dat er geen wezenlijk verschil is in de hoogte van het nabestaandenpensioen bij overlijden van de partner vlak voor of vlak na zijn pensionering.

  • 2. Wanneer de regering een voorstel tot een nieuw pensioenstelsel ontvangt van de SER (of sociale partners) waarin ouder rechten worden ingevaren in het nieuwe stelsel, zal zij een specifiek advies laten opstellen of er na invaren adequate dekking is voor een nabestaandenpensioen.

  • 3. De regering treedt in overleg met Mijnpensioenoverzicht.nl opdat mijnpensioenoverzicht.nl een speciaal model opstelt (schriftelijk of online), waarmee mensen kunnen zien wat hun recht op nabestaandenpensioen is. Mensen kunnen dan zien wat er gebeurt bij verandering van baan, bij werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en andere situaties.

  • 4. Een nabestaandenpensioen op risicobasis (inclusief bijvoorbeeld een ANW-hiaat verzekering) krijgt expliciet de bescherming van een risicoverzekering, zodat hij niet zomaar opgezegd kan worden. (conform artikel 7:977, eerste lid, BW).

  • 5. Belemmeringen in de regelgeving om een nabestaandenpensioen op risicobasis aan te bieden, dat eenvoudigweg een percentage (zeg maximaal 50%) is van het van huidige inkomen, worden weggenomen.

Financiële consequenties

Het pensioencontract is in principe een zaak van de sociale partners. Indien de sociale partners er bijvoorbeeld voor zouden kiezen om het nabestaandenpensioen uniform op opbouwbasis in te voeren, dan vereist het geen verandering van de regels en het fiscale kader.

De precieze financiële gevolgen voor de Staat zijn op dit moment dus niet in kaart te brengen.

Omtzigt

Bruins

BIJLAGE 1: VOORBEELDEN

Een paar voorbeelden waar het mis loopt.22

Een aantal andere voorbeelden wordt nog toegevoegd.

Twee partners werken beide 80% en verdienen daarmee samen 1,6 keer modaal. Indien de vrouw overlijdt krijgt de man een kleine Anw-uitkering omdat de uitkering gekort wordt met een deel van zijn inkomen. Het nabestaandenpensioen dat bij de werkgever van de vrouw was verzekerd bedraagt slechts 20% van haar inkomen omdat er geen Anw-hiaatpensioen is verzekerd. De man wil 20% meer gaan werken maar daarvoor is bij zijn werkgever op dat moment geen ruimte. Veel kosten zijn voor eenoudergezinnen even hoog als voor tweeoudergezinnen en andere meerpersoonshuishoudens.

Voor het overlijden bedraagt het gezinsinkomen:

Man:

28.000

 

Vrouw:

28.000

 

Totaal:

56.000

 

Na het overlijden bedraagt het gezinsinkomen:

Man:

28.000

 

Anw-uitkering:

3.400

 

Nabestaandenpensioen:

7.840

 

Anw-hiaatpensioen:

0

 

Totaal

38.640

(= 70% van het gezinsinkomen voor het overlijden van de vrouw).

Man en vrouw zijn getrouwd. De vrouw verdient nu € 75.000 en bouwt na een lange periode van zzp-schap weer pensioen op. Er is geen Anw-hiaatpensioen, De man verdient in deeltijd 50% van het minimumloon. Er zijn twee schoolgaande kinderen boven de 18. Het nabestaandenpensioen bedraagt ongeveer 30% van € 75.000 omdat de vrouw pas op latere leeftijd pensioen is gaan opbouwen. Als de vrouw overlijdt moet het huis worden verkocht.

Voor het overlijden bedraagt het gezinsinkomen:

Vrouw:

75.000

 

Man:

10.900

 

Totaal:

85.900

 

Na het overlijden bedraagt het gezinsinkomen:

Man:

10.900

 

Anw-uitkering:

0

 

Nabestaandenpensioen:

22.500

 

Anw-hiaatpensioen:

0

 

Totaal:

33.400

(= 39% van het gezinsinkomen voor het overlijden van de vrouw).

Man en vrouw trouwen op leeftijd 60 nadat beide gescheiden zijn. Nu de man met pensioen gaat, dringt het tot hem door dat het grootste deel van zijn nabestaandenpensioen na zijn overlijden naar zijn ex-partner gaat en er maar een klein nabestaandenpensioen voor zijn huidige vrouw is. Het pensioenfonds heeft dat dus niet automatisch weer aangevuld naar 70%. Na het overlijden van de man krijgt de vrouw dus eerst alleen een klein nabestaandenpensioen. Later AOW en een klein eigen ouderdomspensioen.

Voor het overlijden bedraagt het gezinsinkomen:

Man:

54.800

 

Vrouw:

18.200

 

Totaal:

73.000

 

Na het overlijden bedraagt het gezinsinkomen:

Vrouw:

18.200

 

Anw-uitkering:

0

 

Nabestaandenpensioen:

4.000

 

Anw-hiaatpensioen:

0

 

Totaal:

22.200

(= 30% van het inkomen voor het overlijden).


X Noot
1

De indieners zijn Eric Bergamin en Bastiaan Starink zeer erkentelijk voor hun input bij het schrijven van deze nota.

X Noot
2

Kamerstukken II, 1994/95, 24 169, nr. 3 (memorie van toelichting van de Algemene nabestaandenwet geeft een goed overzicht).

X Noot
3

SER verkenning: persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling, mei 2016, pagina 36.

X Noot
4

Marjolein van Everdingen, Ap Fraterman, Jacqueline van Kampen, Evert Jan Slootweg, Bastiaan Starink, Yvonne van Straalen en Michael Visser, «Nabestaandenpensioen: Versnipperde vormgeving vertroebelt risico’s», Netspar occasional paper 2017/06, oktober 2017.

X Noot
5

Bastiaan Starink en Michael Visser, «Nabestaandenpensioen niet verzekerd», Netspar brief 11, oktober 2017.

X Noot
6

OECD economic survey, Netherlands, July 2018.

X Noot
7

Deze hoofdregel geldt indien het huwelijk meer dan 5 jaar heeft geduurd of indien er kinderen zijn.

X Noot
8

Ook de initiatiefwet herziening partneralimentatie (Kamerstuk 34 231) voorziet nog steeds in handhaving van de welstand voor verbreking van het huwelijk als de norm. Wel stelt het voor om de alimentatietermijnen zeer fors te verkorten.

X Noot
9

Brief van de stichting van de arbeid 22 juli 2015 aan de decentrale CAO partijen (S.A.15.01723 JM/EH).

X Noot
10

Gerry Dietvorst en Roel Veugelers. Hoe voorkomen we een huilende partner aan de poort, pensioenmagazine december 2017.

X Noot
11

Huwelijk of geregistreerd partnerschip en inclusief paren van gelijk geslacht. Bron: CBS statline.

X Noot
12

Zie de tweede Evaluatie Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, Ministerie van sociale zaken, januari 2018, pagina 19–20 voor uitgebreidere cijfers. Ook bij paren van gelijk geslacht is in meer dan de helft van de gevallen geen sprake van een gelijke werkverdeling.

X Noot
13

Bron: jaarverslag ABP 2017.

X Noot
14

De ANW is onder voorwaarden exporteerbaar. In ten minste twee verdragen (Marokko, art. 23 en Tunesië, art. 30) is zelfs vastgelegd dat de ANW uitkering verdeeld wordt bij polygamie.

X Noot
15

Het is ook mogelijk dat het nabestaandenpensioen onder de AOW leeftijd op risicobasis gedekt wordt en boven de AOW-leeftijd op opbouwbasis.

X Noot
16

Ook het omgekeerde is mogelijk.

X Noot
17

Aanhangsel Handelingen 2017/18, nr. 1796.

X Noot
18

Zie voor voorbeelden pagina 20 van Netspar occasional paper 06/2017.

X Noot
19

Kamerstukken II 2017/18, 32 043, nr. 411.

X Noot
20

Kamerstukken II, 2017/18, 30 982, nr. 38.

X Noot
21

Zie bijvoorbeeld pagina 36 van «Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling» van mei 2016.

X Noot
22

De voorbeelden zijn (deels) bewerkingen van de voorbeelden opgenomen in de Netspar Brief van Bastiaan Starink en Michael Visser, «Nabestaandenpensioen niet verzekerd», Netspar brief 11, oktober 2017.