34 985 Wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingswet natuur Omgevingswet)

R VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 5 april 2023

De leden van de vaste commissies voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving1 en Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 hadden kennisgenomen van de brief van de Minister voor Natuur en Stikstof van 19 januari 20233, die de Minister de Kamer tezamen met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stuurde en waarin de Minister reageerde op het gebruikelijke halfjaarlijkse toezeggingenrappel van de Kamer. In deze brief wordt onder andere ingegaan op toezegging T03006.4 Deze toezegging ziet op afstemming van de diverse door het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gehanteerde definities in de Voortgangsrapportages Natuur. De leden van de fractie van GroenLinks wensten de regering naar aanleiding hiervan een aantal vragen te stellen.

Naar aanleiding hiervan is op 24 februari 2023 een brief gestuurd aan de Minister voor Natuur en Stikstof. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft een gelijkluidende brief ontvangen.

De Minister heeft op 2 maart 2023 een uitstelbericht gestuurd en op 4 april 2023 inhoudelijk gereageerd.

De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier voor dit verslag, Dragstra

BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR INFRASTRUCTUUR, WATERSTAAT EN OMGEVING EN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT / LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister voor Natuur en Stikstof

Den Haag, 24 februari 2023

De leden van de vaste commissies voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving en Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 19 januari 20235 die u de Kamer tezamen met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stuurde en waarin u heeft gereageerd op het gebruikelijke halfjaarlijkse toezeggingenrappel van de Kamer. In deze brief wordt onder andere ingegaan op toezegging T03006.6 Deze toezegging ziet op afstemming van de diverse door het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gehanteerde definities in de Voortgangsrapportages Natuur. De leden van de fractie van GroenLinks wensen de regering naar aanleiding hiervan enkele vragen te stellen.

De leden van de fractie van GroenLinks lezen in de reactie van de regering, inzake de status van toezegging T03006, dat zij aangeeft dat de afstemming tussen provincies ertoe heeft geleid dat de uniformiteit bij de gehanteerde definities in de Voorgangsrapportages Natuur van het NNN (de voormalige Ecologische Hoofstructuur (EHS)) is verstrekt. Deze leden vragen de regering of bedoelde afstemming voldoende is en of provincies (en burgers) niet meer gebaat zijn bij een heldere definitie van wat er onder de terminologie in het Digitaal Stelsel (DSO) van de Omgevingswet en de Voortgangsrapportages Natuur eigenlijk valt en verwacht kan worden.

De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat in de Omgevingswet (Ow) geen definitie is opgenomen van gebieden die behoren tot het NNN (een NNN-gebied). In artikel 2.44 lid 4 van de Ow is nu enkel opgenomen dat bij een omgevingsverordening gebieden worden aangewezen die behoren tot het NNN. In artikel 2.31a onder d van de Ow is bepaald dat het Rijk over de aanwijzing en bescherming van gebieden, behorende tot het NNN, voor zover noodzakelijk ter voldoening aan internationaalrechtelijke verplichtingen, verplicht instructieregels dient op te stellen. Dat laatste gebeurt op grond van artikel 2.24 van de Ow bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. Deze leden stellen de regering onder verwijzing naar het vorenstaande graag de volgende vragen:

  • 1. De regering geeft aan belang te hechten aan gelijke definities in de Voortgangsrapportages Natuur van het NNN zodat deze vergelijkbaar zijn. Op welke wijze wordt dit gegarandeerd? En op welke wijze is dit wettelijk verankerd?

  • 2. Zoals gezegd dient het Rijk instructieregels op te stellen over het aanwijzen van NNN-gebieden door provincies. De leden van de fractie van GroenLinks constateren echter dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nauwelijks sturing wordt gegeven aan welke gebieden moeten worden aangewezen. Deze leden wijzen erop dat het van belang is dat provincies deze gebieden zo aanwijzen dat dit bijdraagt aan het behoud of herstel van dier- en plantensoorten en habitats die in Nederland van nature voorkomen. Deze leden verzoeken de regering dan ook om, net als in artikel 7.7 van het Bkl, in artikel 7.6 van het Bkl over het aanwijzen van NNN-gebieden, op te nemen dat provincies daarbij de doelstellingen uit artikel 2.18 lid 1 sub g van de Ow in acht dienen te nemen.

  • 3. De leden van de fractie van GroenLinks wijzen erop dat de instructieregels voor provincies zijn opgenomen in afdeling 7.3 van het Bkl, die overigens als gevolg van artikel 7.5 van het Bkl niet van toepassing zijn op bepaalde wateren. Deze leden constateren echter dat in het Bkl ook geen duidelijke definitie van een NNN-gebied is opgenomen. In artikel 7.6 van het Bkl is weliswaar opgenomen dat provincies de gebieden aanwijzen, maar niet is aangegeven op grond van welke criteria provincies dit moeten doen. Kan de regering aangeven welke criteria een provincie hiervoor moet hanteren? Op welke wijze wordt gegarandeerd dat gelijke gebieden onder het NNN gelijk worden gedefinieerd en daarmee gelijke bescherming wordt geboden.

  • 4. De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat wanneer een NNN-gebied is vastgesteld, de provincie op grond van artikel 7.7 van het Bkl vervolgens in de omgevingsverordening ook de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied moet vaststellen. Daarbij geeft het Bkl iets meer richting: de provincies moeten in ieder geval de doelstellingen in acht nemen die staan in de Omgevingswet (in artikel 2.18 lid 1, onder g) waaronder:

    «het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen».7

    Kan de regering aangeven welke juridische en planologische samenhang hierbij wordt gezocht tussen de gebruikte termen en materiële betekenis van die termen, die in de Ow worden genoemd en die in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) opgenomen worden? Welke daarvan zullen een afdwingbare juridische status krijgen?

De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken de regering om de beantwoording ― in verband met het onder voorbehoud geplande plenaire debat over de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het ontwerpbesluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding op 7 maart a.s. ― uiterlijk 28 februari a.s. te mogen ontvangen. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft een gelijkluidende brief ontvangen.

Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, H.J. Meijer

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden.

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR NATUUR EN STIKSTOF

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 maart 2023

Hierbij deel ik u, mede namens de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, mede dat de bij brief van 24 februari 2023 gestelde vragen van de vaste commissies voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving en Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake toezegging T03006 niet, zoals verzocht, op 28 februari 2023 kunnen worden beantwoord. Deze vragen zien op de afstemming van de diverse door het Natuurnetwerk Nederland gehanteerde definities in de Voortgangsrapportages Natuur. Mede namens de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal ik uw Kamer uiterlijk 17 maart 2023 de antwoorden op de vragen doen toekomen.

Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR NATUUR EN STIKSTOF

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 april 2023

Mede namens de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zend ik u hierbij de antwoorden op de vragen van de leden van de fractie GroenLinks over de beantwoording van vragen inzake toezegging T03006 (kenmerk: 172028.17U; ingezonden 24 februari 2023). Het betreffen vragen over de criteria tot aanwijzing van Natuur Netwerk Nederland-gebieden.

Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink

172028.17U

1

De regering geeft aan belang te hechten aan gelijke definities in de Voortgangsrapportages Natuur van het NNN zodat deze vergelijkbaar zijn. Op welke wijze wordt dit gegarandeerd? En op welke wijze is dit wettelijk verankerd?

Antwoord

Ik hecht er belang aan dat er eenduidige definities over het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de jaarlijkse Voortgangsrapportage Natuur gebruikt worden. Op 26 november 2021 heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd in de zevende Voortgangsrapportage Natuur. In de begeleidende brief is ingegaan op hoe invulling is gegeven aan de eenduidigheid van definities in de Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 253). De totstandkoming van de Voortgangsrapportage Natuur is een gezamenlijk proces van Rijk en provincies, waarbij op basis van uniforme uitvraag informatie bij provincies wordt ingewonnen en verwerkt in een gezamenlijke rapportage over de begrenzing, verwerving, inrichting en het beheer van het NNN. De basis voor deze afspraken tussen Rijk en provincies over de realisatie en uitvoering van het natuurbeleid wordt gevormd door Het Natuurpact (2013). De toegepaste definities in de rapportage van het NNN zijn niet wettelijk verankerd.

2

Zoals gezegd dient het Rijk instructieregels op te stellen over het aanwijzen van NNN-gebieden door provincies. De leden van de fractie van GroenLinks constateren echter dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nauwelijks sturing wordt gegeven aan welke gebieden moeten worden aangewezen. Deze leden wijzen erop dat het van belang is dat provincies deze gebieden zo aanwijzen dat dit bijdraagt aan het behoud of herstel van dier- en plantensoorten en habitats die in Nederland van nature voorkomen. Deze leden verzoeken de regering dan ook om, net als in artikel 7.7 van het Bkl, in artikel 7.6 van het Bkl over het aanwijzen van NNN-gebieden, op te nemen dat provincies daarbij de doelstellingen uit artikel 2.18 lid 1 sub g van de Ow in acht dienen te nemen.

Antwoord

De provincies wijzen NNN-gebieden aan zoals bepaald in artikel 2.44, vierde lid, van de Omgevingswet. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl worden daarover instructieregels gesteld. Er zijn geen verdere criteria opgenomen. Dat laat onverlet dat daarnaast op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder g, van die wet een specifieke taak bij de provincie is belegd, waar het gaat om het behoud en herstel van natuurwaarden in het licht van de internationale biodiversiteitsdoelstellingen. In artikel 3.57 van het Bkl wordt dit verder uitgewerkt en wordt de provincies opgedragen daartoe maatregelen te treffen en deze zodanig af te stemmen op maatregelen van andere provincies dat tezamen de doelstellingen voor heel Nederland kunnen worden bereikt. Onder deze maatregelen worden zowel fysieke maatregelen als juridische maatregelen verstaan (zoals instructieregels, algemene regels, vergunningplichten, toegangsverboden, enzovoort). De aanwijzing en bescherming van NNN is één van de maatregelen, naast andere maatregelen binnen en buiten NNN om tot doelbereik te komen. Gelet op de instructieregel in artikel 3.57 van het Bkl, is het dan ook niet noodzakelijk om in artikel 7.6 van het Bkl nog eens specifiek te bepalen dat de aanwijzing geschiedt met inachtneming van de doelstellingen van artikel 2.18, eerste lid, onder g, van de wet. De regering zal wel bezien of bij gelegenheid van een volgende wijziging van de artikelen van het NNN op dit punt een verduidelijking kan worden opgenomen.

3

De leden van de fractie van GroenLinks wijzen erop dat de instructieregels voor provincies zijn opgenomen in afdeling 7.3 van het Bkl, die overigens als gevolg van artikel 7.5 van het Bkl niet van toepassing zijn op bepaalde wateren. Deze leden constateren echter dat in het Bkl ook geen duidelijke definitie van een NNN-gebied is opgenomen. In artikel 7.6 van het Bkl is weliswaar opgenomen dat provincies de gebieden aanwijzen, maar niet is aangegeven op grond van welke criteria provincies dit moeten doen. Kan de regering aangeven welke criteria een provincie hiervoor moet hanteren? Op welke wijze wordt gegarandeerd dat gelijke gebieden onder het NNN gelijk worden gedefinieerd en daarmee gelijke bescherming wordt geboden.

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 2

4

De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat wanneer een NNN-gebied is vastgesteld, de provincie op grond van artikel 7.7 van het Bkl vervolgens in de omgevingsverordening ook de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied moet vaststellen. Daarbij geeft het Bkl iets meer richting: de provincies moeten in ieder geval de doelstellingen in acht nemen die staan in de Omgevingswet (in artikel 2.18 lid 1, onder g) waaronder: «het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen».8 Kan de regering aangeven welke juridische en planologische samenhang hierbij wordt gezocht tussen de gebruikte termen en materiële betekenis van die termen, die in de Ow worden genoemd en die in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) opgenomen worden? Welke daarvan zullen een afdwingbare juridische status krijgen?

Antwoord

De instructieregels van het Bkl leggen een direct verband met vanuit een ecologisch oogpunt wezenlijke bestaande of potentiële kenmerken en waarden in het licht van de internationale biodiversiteitsverplichtingen van Nederland. De provincie moet in haar omgevingsverordening deze kenmerken en waarden binnen het NNN aanwijzen en moet instructieregels ten aanzien van gemeentelijke omgevingsplannen stellen in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van die kenmerken en waarden.

Het NPLG richt zich op meerdere doelen voor het landelijk gebied, waaronder de natuurdoelen zoals die in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (VHR) zijn vastgelegd. De provincie werkt dit verder uit in haar gebiedsprogramma. Het NPLG laat aan de provincie vrijheid om af te wegen met welke maatregelen zij hieraan het best invulling kan geven.

Het NPLG werkt niet direct op bindende wijze door via de instructieregels van het Bkl. De concrete invulling daarvan kan uiteraard wel gevolgen hebben voor de begrenzing en aanwijzing van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in de provinciale omgevingsverordening en voor de daarin gestelde instructieregels ten aanzien van de gemeentelijke omgevingsplannen.


X Noot
1

Samenstelling:

Atsma (CDA), De Boer (GL), Van Dijk (SGP), Pijlman (D66), Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), Arbouw (VVD), Bezaan (PVV), Fiers (PvdA), Dessing (FVD), Geerdink (VVD), Janssen (SP), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Meijer (VVD) (voorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Prins (CDA), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), vacant (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Raven (OSF) en Karakus (PvdA) (ondervoorzitter).

X Noot
2

Samenstelling:

Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), vacant (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en N.J.J. van Kesteren (CDA).

X Noot
3

Kamerstukken I 2022/23, 36 200 XIV, E.

X Noot
5

Kamerstukken I 2022/23, 36 200 XIV, E.

X Noot
7

Artikel 2.18 lid 1 onder g Aanvullingswet natuur Omgevingswet.

X Noot
8

Artikel 2.18 lid 1 onder g Aanvullingswet natuur Omgevingswet.

Naar boven