Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202034972 nr. 47

34 972 Algemene regels inzake het elektronisch verkeer in het publieke domein en inzake de generieke digitale infrastructuur (Wet digitale overheid)

Nr. 47 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juni 2020

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet digitale overheid (WDO) (Handelingen II 2019/20, nr. 48, item 5 en nr. 50, item 3) en vanuit de vaste commissie voor Financiën is door meerdere Kamerfracties aangegeven dat het inlogmiddel waarmee bedrijven belastingaangifte doen weer kosteloos moet worden. Met deze brief willen wij uw Kamer, zoals verzocht, informeren over de opties die hiervoor onderzocht zijn, alsmede wat daarbij de voor- en nadelen en geschatte kosten zijn. Hiervoor plaatsen wij eerst het Nederlandse beleid voor inloggen in het bedrijvendomein in de Europese context.

Europees perspectief

Conform toezegging hebben wij het Nederlandse beleid met een privaat stelsel en betaald inloggen in het bedrijvendomein vergeleken met enkele andere Europese landen. Hierbij valt op dat Nederland met geen enkel Europees land exact overeen komt. Meer in het algemeen is ook het beeld dat de verschillende Europese landen lastig eenduidig zijn te categoriseren. Wel sluit het Nederlandse model het meeste aan bij landen als Italië, België en Denemarken. Deze landen kennen ook private stelsels of betaalde middelen. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich landen als Finland, Duitsland en Frankrijk. Hier treffen we met name kosteloze en met publieke middelen gefinancierde middelen aan (zie ook de bijlage).

Onderzochte alternatieven

Zoals tijdens de behandeling van de Wet digitale overheid is aangegeven, is één van de pijlers van de WDO dat in het bedrijvendomein in beginsel alleen private partijen inlogmiddelen aanbieden en zij daarvoor een tarief in rekening kunnen brengen. Hier staan voordelen voor de ondernemer tegenover, omdat deze inlogmiddelen toegang geven tot de diensten van alle voor hen relevante overheidsorganisaties1 en eHerkenning ook business-to-business kan worden gebruikt. Het wetsvoorstel is inmiddels in behandeling bij de Eerste Kamer.

Organisaties die het inlogmiddelmiddel echter alleen voor het doen van Belastingaangifte nodig hebben, realiseren dit voordeel nu niet. Zij gebruiken het middel uitsluitend voor het voldoen aan de belastingplicht en nemen er geen verdere diensten mee af. Mede op basis van de Europese scan zijn twee alternatieven onderzocht waarin hieraan binnen de Nederlandse context tegemoet kan worden gekomen.

1. Een «kosteloos» publiek inlogmiddel voor de belastingaangifte

De Belastingdienst kan een publiek authenticatiemiddel realiseren op voldoende betrouwbaarheidsniveau, alleen voor het doen van belastingaangifte. De doorlooptijd om een «Belastingdienst authenticatiemiddel» te realiseren is meer dan een jaar. De Belastingdienst zal daarvoor ook ruimte moeten creëren in het ICT-portfolio. Realisatiekosten op korte termijn worden geschat op 1,5 miljoen euro. De jaarlijkse exploitatielasten zijn niet verder onderzocht.

Het uitgeven van een publiek Belastingdienst authenticatiemiddel voor bedrijven kan mogelijk gezien worden als economische activiteit zoals bedoeld in de Wet Markt en Overheid (WMO) en kan een verplichting inhouden om integrale kosten door te berekenen aan ondernemers.

Dit alternatief doet geen recht aan de bedoeling van de Wet digitale overheid.

2. Compensatie «eHerkenning-Belastingdienst»

In de brief2 van 3 maart jl. is gesteld dat het niet zonder meer mogelijk is om kleine ondernemers te compenseren voor de aanschaf van eHerkenning. Juridische risico’s, gelegen in het verlenen van onrechtmatige staatssteun, precedentwerking, handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het ontbreken van een wettelijke grondslag, zijn bezien. In dit licht is verder onderzocht onder welke condities (nadeel)compensatie niettemin mogelijk zou kunnen zijn. Hierbij zijn zowel juridische als uitvoeringstechnische aspecten betrokken.

Ten aanzien van het risico op onrechtmatige staatssteun is het van belang dat de compensatie er niet voor zorgt dat de bestaande leveranciers van eHerkenning hogere prijzen kunnen gaan rekenen en/of meer afzet genereren (dan zonder compensatie). De vergoeding moet daarom vastgesteld worden op basis van de laagste prijs in de markt om geen prijsopdrijvend effect te hebben. Ook kan maximaal één middel per organisatie worden gecompenseerd. Als er meerdere middelen per KvK-nummer worden vergoed, zorgt dit potentieel voor meer afzet dan zonder de compensatie het geval zou zijn geweest. Overigens is één inlogmiddel ook voldoende om (zelf) aangifte te kunnen doen. Als de compensatie wordt uitgekeerd aan de organisatie die eHerkenning aanschaft, dan is deze zo gering (ong. € 24 per jaar) dat het niet aannemelijk is dat hierdoor het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig wordt beïnvloed of de mededinging dreigt te worden vervalst. Ook gaat het om compensatie van een uitgave die vanwege een door overheid opgelegde verplichting moet worden gedaan.

Precedentwerking kan voorkomen worden door alleen het inlogmiddel te vergoeden en daarbij alleen de partijen die enkel belastingaangifte doen met hun inlogmiddel. De compensatie zal op generlei wijze bedoeld moeten zijn om andere kosten gepaard gaand met belastingaangifte te vergoeden, zoals het inschakelen van een intermediair of het aanschaffen van een laptop. Compensatie voor alleen kleine ondernemers is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarom mag de regeling geen onderscheid maken tussen organisaties die via het ondernemersportaal alleen aangifte kunnen doen door in te loggen met eHerkenning.

Uit de initiële uitvoeringtoets door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) komt naar voren dat de uitvoeringskosten al snel niet meer in verhouding staan tot het lage bedrag aan compensatie. De compensatieregeling moet daarom zo simpel mogelijk gehouden worden. Dit kan door te werken met een standaardbedrag aan compensatie en de introductie van een specifiek «eHerkenning Belastingdienst» inlogmiddel. Met dit middel kan de ondernemer alleen belastingaangifte doen en ook online de bijpassende compensatie aanvragen. Ondernemers die reeds een bij alle voor hem relevante overheidsinstanties te gebruiken versie van eHerkenning hebben aangeschaft, kunnen deze downgraden naar «eHerkenning Belastingdienst». Desgewenst kunnen klanten op een later moment ook weer een upgrade aanschaffen om met hetzelfde middel weer bij meer overheidsorganisaties in te kunnen loggen. Met dit algemeen bruikbare inlogmiddel kan dan geen compensatie meer worden aangevraagd.

Compensatie «eHerkenning Belastingdienst»

Uit de afweging van de alternatieven blijkt dat compensatie op dit moment de meest passende oplossing voor een «kosteloos» inlogmiddel voor de belastingaangifte door bedrijven is. De uitwerking en het online aanvragen van de compensatie zou rond augustus gereed kunnen zijn. De compensatie wordt per jaar uitgekeerd. De ondernemer verliest immers het recht op compensatie als een upgrade wordt aangeschaft en toch meer diensten met het inlogmiddel worden afgenomen. Er wordt gekozen voor een standaardbedrag aan compensatie op basis van de laagste marktprijs voor een driejarig contract (nu € 24,20 incl. BTW per jaar). Dit voorkomt een prijsopdrijvend effect en het houdt de uitvoeringskosten op een acceptabel niveau. Het zou ondoenlijk zijn om bij elke aanvraag te controleren welke looptijd een ondernemer exact heeft afgesloten.

De kosten worden geschat op € 2–4 mln. per jaar. Hierbij gaan wij er vanuit dat hooguit een derde van de betreffende organisaties kiest voor een exclusief «eHerkenning Belastingdienst» inlogmiddel en het aantal vragen en bezwaren van ondernemers beperkt zal blijven. De compensatie is inclusief BTW, omdat ondernemers die van BTW vrijgestelde prestaties leveren of onder de kleine ondernemersregeling vallen, de BTW voor eHerkenning niet kunnen terugvragen of verrekenen. Voor die ondernemers vormt die BTW dus een kostenpost die moet worden gecompenseerd om te kunnen spreken van een «kosteloos» inlogmiddel voor de belastingaangifte. Eenmanszaken komen niet in aanmerking voor compensatie, omdat deze met DigiD kunnen inloggen bij de Belastingdienst. De compensatieregeling kent een looptijd van twee jaar. Daarna bezien wij op basis van een evaluatie van effectiviteit, doelmatigheid van de regeling en de dan geldende (markt)omstandigheden en beleidskeuzes of compensatie nog steeds het meest passende instrument is.

In de brief die wij op 3 maart naar uw Kamer stuurden, is aangegeven dat er ongeveer 350 rechtspersonen zijn die aangifte loonheffing en vennootschapsbelasting moeten doen en zich onder de huidige Handelsregisterwet niet kunnen inschrijven in het Handelsregister. Zij kunnen daarom geen eHerkenning aanvragen. Het betreft voor de loonheffing ambassades en buitenlandse rechtsvormen. Voor de vennootschapsbelasting betreft dit open fondsen voor gemene rekening, samenwerkingsverbanden en buitenlandse rechtsvormen. De Belastingdienst heeft deze organisaties, voorzover bekend is bij de Belastingdienst dat zij binnen de doelgroep vallen, benaderd en gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van commerciële aangiftesoftware of een fiscaal dienstverlener. De gefactureerde kosten hiervoor zullen tot een maximum van 450 euro worden vergoed, zowel in het geval dat aangifteplichtigen een fiscaal dienstverlener inschakelen als in het geval dat zij commerciële aangiftesoftware aanschaffen. In uitzonderlijke gevallen waarin toepassing van dit maximum – gelet op de doelstelling en de strekking van de compensatiemaatregel – niet billijk zou zijn, kan hiervan worden afgeweken.

Wij realiseren ons dat de geboden oplossing kort dag is voor rechtspersonen die nog geen eHerkenning hebben aangeschaft en nog aangifte Loonheffing moeten doen. Daarom wordt het eerder geboden uitstel voor aangifte loonheffing met één maand verlengd tot 1 augustus van dit jaar.

Tot slot onderzoeken wij, aanvullend op de compensatieregeling, verder wat de mogelijkheden zijn voor de in dezelfde brief genoemde oplossing waarmee klanten hun gegevens digitaal aan een erkende leverancier ter beschikking kunnen stellen. Doel is zo het aanvraagproces te kunnen automatiseren en kosten te besparen. Ook kan een eHerkenningsmiddel dan sneller en betrouwbaarder worden uitgegeven.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief

Bijlage: Europese landenvergelijking

Italië, België en Denemarken

De SPID in Italië is niet kosteloos en ligt zo rond de € 35 per jaar. Het middel kan zowel door burgers als bedrijven worden gebruikt. Het maakt onderdeel uit van een stelsel waarin zowel private als publieke partijen actief zijn. Belastingaangifte gaat evenwel met een specifiek inlogsysteem. Het Belgische Itsme is alleen bedoeld voor burgers en wordt aangeboden door een stelsel van private banken en telecomproviders. Er kan ook belastingaangifte mee gedaan worden. De Deense NemID is niet kosteloos en kan zowel door burgers als bedrijven worden gebruikt. Bedrijven betalen voor services, niet per authenticatie. Met NemID kan ook belastingaangifte worden gedaan.

Finland, Duitsland en Frankrijk

De KatsoID uit Finland maakt geen onderscheid tussen burgers en bedrijven en is kosteloos. Er wordt ook belastingaangifte mee gedaan. Aan de andere kant kent Finland ook de BankID, die wordt uitgegeven door private banken. De German eID is een publiek en kosteloos middel dat zowel door burgers als bedrijven kan worden gebruikt. Ook voor de Belastingaangifte. Franceconnect is een kosteloos middel voor zowel burgers als bedrijven om daarmee tevens belastingaangifte te doen. Het is echter geen volledig publiek middel, maar een stelsel waarbinnen zowel publieke als private partijen actief zijn.


X Noot
1

Per april 2020 zijn 458 overheidsorganisaties op eHerkenning aangesloten en 1832 diensten geregistreerd.

X Noot
2

Kamerstuk 34 972, nr. 44