Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202034972 nr. 18

34 972 Algemene regels inzake het elektronisch verkeer in het publieke domein en inzake de generieke digitale infrastructuur (Wet digitale overheid)

Nr. 18 DERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 12 november 2019

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid, onderdeel c, wordt na «natuurlijke personen» ingevoegd «, ondernemingen of rechtspersonen».

B

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

In het tweede lid wordt, voor de punt aan het slot van dat lid, ingevoegd «en doen daarvan op bij die regeling gestelde wijze mededeling».

C

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: «Toezicht en handhaving».

2. In het zevende lid wordt «krachtens de artikelen 9, vierde lid, 11 en 13» vervangen door «krachtens de artikelen 9, vierde, zevende en achtste lid, 11, 13 en 14, tweede en derde lid».

3. In het achtste lid wordt «krachtens artikel 9, vierde lid, of artikel 13, eerste, tweede, derde of vierde lid,» vervangen door «krachtens artikel 9, vierde, zevende of achtste lid, 11, 13 en 14, tweede en derde lid».

D

Het opschrift van hoofdstuk 8 komt te luiden: «Overgangs- en slotbepalingen».

E

Het opschrift «Hoofdstuk 9. Wijziging andere wetten en regelingen» vervalt.

F

In artikel 29, derde lid, wordt «Onverminderd de inwerkingtreding van de artikelen 7 en 15 op grond van een koninklijk besluit, bedoeld in het tweede lid, zijn de in die artikelen opgenomen acceptatieplichten» vervangen door «De in de artikelen 7 en 15 opgenomen acceptatieplichten zijn».

Toelichting

Deze nota van wijziging is primair wetstechnisch van aard, behelst redactionele aanpassingen en verduidelijkingen en herstel van een enkele omissie.

Onderdeel A verduidelijkt dat de (technische, publieke) voorziening die er voor zorgt dat verschillende koppelvlakken worden ontsloten, waardoor dienstverleners eenvoudig kunnen aansluiten op de toegelaten en erkende identificatiemiddelen, van toepassing is op middelen voor natuurlijke personen, ondernemingen en rechtspersonen. Dit wordt ook wel routering of «ontzorging» genoemd.

Onderdeel B verduidelijkt dat publieke dienstverleners, om redenen van kenbaarheid voor burgers en bedrijven, het betrouwbaarheidsniveau van hun diensten bekend moeten maken.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze die bekendmaking plaatsvindt.

Onderdeel C specificeert dat artikel 17 bepalingen inzake toezicht op de naleving bevat alsmede, in het zevende en achtste lid, bevoegdheden tot oplegging van een bestuurlijke sanctie. Op grond van de artikelen 9 en 14 kan aan degene wiens erkenning wordt ingetrokken of geschorst een verplichting worden opgelegd om de elektronische dienstverlening waarvoor de erkenning is verleend gedurende een bepaalde periode voort te zetten. Met onderdeel C wordt geborgd dat handhavend kan worden opgetreden tegen degene die niet voldoet aan deze verplichting.

De onderdelen D en E hangen samen. Bij nader inzien is het passender om de artikelen 23–30 onder een brede noemer «overgangs- en slotbepalingen» te vatten.

Tenslotte brengt onderdeel F het derde lid van artikel 29, dat overgangsrechtelijk van aard is, meer in lijn met de Aanwijzingen voor de regelgeving.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops