Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834961 nr. 3

34 961 Voorstel van wet van het lid Ziengs tot wijziging van de Drank- en Horecawet en enkele andere wetten in verband met verruiming van de mogelijkheid tot het inzetten van mengformules (Wet regulering mengformules)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Aanleiding

1.1 Inspelen op een veranderende consumentenvraag

Winkels zijn samen met horecagelegenheden een belangrijke factor voor de aantrekkelijkheid, leefbaarheid en vitaliteit van steden en dorpen in Nederland. In de centra van deze steden en dorpen vinden op dit moment grote veranderingen plaats. Die veranderingen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door veranderingen in de demografie, economische en technologische ontwikkelingen en daarmee de wens van de consument. Consumenten winkelen steeds vaker online en gaan beter geïnformeerd en gerichter op zoek naar producten. Daarbij houden zij minder dan vroeger vast aan bepaalde winkelformules. De keuze voor een winkel, horecagelegenheid of slijterij wordt in toenemende mate bepaald door het specifieke assortiment, aanbiedingen, prijs, sfeer en beleving. Daardoor verandert het gemiddelde bestedingspatroon. Winkelen, al dan niet gecombineerd met een bezoek aan een horecagelegenheid, wordt voor veel mensen steeds meer een beleving.

De laatste jaren hebben veel bedrijven hun deuren helaas moeten sluiten als gevolg van deze veranderingen. Sommige ondernemers waren onvoldoende in staat mee te bewegen met de economische en technologische ontwikkelingen en de veranderingen in het consumentengedrag. In steeds meer winkelstraten staan panden voor een langere tijd leeg. Dit heeft direct invloed op de aantrekkelijkheid van de winkelstraat dan wel de binnenstad als geheel en daarmee de economische vitaliteit van een stad of dorp.1

De initiatiefnemer is van mening dat ondernemers de ruimte moet worden geboden om in te spelen op de veranderende consumentenvraag door verschillende traditionele bedrijfsmodellen, waaronder horeca en detailhandel, te combineren. Ondernemers kunnen daardoor beter inspelen op de klantbeleving en de verblijfsduur van de consument verlengen. Op die manier wordt winkelstraten nieuw leven ingeblazen, zodat de vitaliteit van steden en dorpen in Nederland behouden blijft. De veranderingen in het gedrag van consumenten en daarmee de huidige winkelstraten leiden tot een grotere behoefte aan flexibiliteit van winkelruimten. Om tegemoet te komen aan de beleving van consumenten, moeten ondernemers hun klanten een totaalproduct kunnen aanbieden. Dat betekent dat de grenzen tussen branches en sectoren steeds meer zullen vervagen. Deze trend is op dit moment al zichtbaar in de winkelstraten. Er bestaan bijvoorbeeld al ondernemingen waar maaltijden vers worden bereid om mee naar huis of het werk te nemen, óf ter plaatse te nuttigen. Een ander voorbeeld is een bakkerswinkel waarin een bakkerij – en daarmee het verkopen van broden voor consumptie elders dan ter plaatse – en een lunchroom – voor het ter plaatse nuttigen van broodjes en gebak – samenkomen. Ook zijn er boekwinkels waarin een gedeelte van de vloeroppervlakte is ingericht voor (niet-alcoholverstrekkende) horeca.

De komende jaren zal deze ontwikkeling zich blijven doorzetten. Nieuwe concepten zullen vaker combinaties bieden van horeca, showroom, ontmoetingsplek en winkel. Ondernemers willen vaker gebruik maken van dergelijke mengformules, zodat zij kunnen inspelen op de vraag van de consument en hen daarmee een passend (totaal)product kunnen bieden. De initiatiefnemer is van mening, dat door deze diversiteit en innovatie de ruimte te bieden, een aantrekkelijke binnenstad ontstaat en economische ontwikkeling wordt gestimuleerd.

1.2 Gelijk speelveld creëren voor ondernemers

Hoewel er tal van mogelijkheden zijn om mengformules toe te passen, knelt de huidige wet- en regelgeving met name daar waar het gaat om het aanbieden dan wel verkopen van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse of gebruik elders. De huidige Drank- en Horecawet is voornamelijk langs de scheiding van traditionele sectoren georganiseerd. Een gevolg hiervan is dat het restaurateurs op dit moment bijvoorbeeld verboden is koffiebonen of schilderijen te verkopen aan hun gasten in dezelfde ruimte als het horecagedeelte, het voor slijterijen verboden is voedingsmiddelen te verkopen en (luxe) kapperszaken geen glas prosecco mogen schenken tijdens de knipbeurt. Zaken die door veel mensen in de Nederlandse samenleving als normaal worden gezien, zijn op dit moment volgens de huidige wet- en regelgeving verboden.

Volgens de initiatiefnemer is de strikte functiescheiding tussen levensmiddelenwinkels, slijterijen, horecagelegenheden en niet-levensmiddelenwinkels niet meer functioneel. Bovendien levert het een ongelijk speelveld op voor ondernemers. Winkels mogen immers wel producten verkopen die traditioneel thuishoren in de horeca, waaronder belegde broodjes en koffie, maar horecazaken mogen geen andere producten verkopen in dezelfde ruimte naast reguliere horecaproducten voor gebruik ter plaatse, met uitzondering van kleinhandel in condooms en damesverband.

2. Het wetsvoorstel op hoofdlijnen

2.1 Strekking wetsvoorstel en huidige situatie

Ondernemers de ruimte geven om in te spelen op trends, zich te specialiseren in producten en te kiezen voor een branche-overstijgende visie is hetgeen dit wetsvoorstel tracht te bereiken door de huidige knelpunten voor horeca- en slijtersbedrijven en detailhandel in de Drank- en Horecawet weg te nemen. Daarnaast wordt het ook voor winkels mogelijk gemaakt onder voorwaarden tegen betaling of anders dan om niet zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken. De initiatiefnemer is van mening dat ondernemers meer ruimte en flexibiliteit moet worden geboden. Hiermee kunnen zij beter inspelen op het veranderende consumentengedrag. Dat heeft niet alleen een meerwaarde voor de specifieke ondernemer, maar ook voor de aantrekkelijkheid en vitaliteit van een specifieke winkelstraat of de binnenstad als geheel.

Horecabedrijf

Op dit moment is het verboden in een horecagelegenheid detailhandel uit te oefenen. Een uitzondering is gemaakt voor condooms en maandverband. Wel is het toegestaan om goederen te verkopen in een lokaal van een horeca-inrichting, mits die ruimte voor het publiek toegankelijk is zonder de lokaliteit te betreden waarin alcoholhoudende drank aanwezig is. Het betreft dan meestal een zaaltje in het horecabedrijf met een eigen toegang naar buiten.

Voor horecabedrijven is het bijvoorbeeld niet mogelijk om de wijnen die zij per glas schenken, in gesloten flessen te verkopen aan hun klanten voor gebruik elders dan ter plaatse. Daarnaast is het verboden om combinaties van producten, bijvoorbeeld de receptuur met bijbehorende ingrediënten van één van de gerechten op de kaart, te verkopen aan klanten. Dit wetsvoorstel brengt hierin verandering.

Slijtersbedrijf

In een slijtersbedrijf is het naast de verkoop van alcoholvrije of alcoholhoudende drank alleen toegestaan bepaalde goederen te verkopen. Deze goederen zijn uitputtend opgesomd in het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf. Het betreft goederen in het verlengde van de drankverkoop zoals glazen, kurkentrekkers, koelboxen, biertapinstallaties, voorlichtingsboeken en dergelijke, voor zover die verkoop geen overwegend deel gaat uitmaken van de bedrijfsvoering. Ook is het toegestaan biertapinstallaties, glaswerk en partymeubilair te verhuren.

Op dit moment is het voor slijtersbedrijven niet mogelijk om losse eenheden alcoholhoudende drank te verstrekken aan klanten, tenzij deze hier zelf specifiek om hebben gevraagd. Tevens is het voor slijtersbedrijven niet mogelijk om bijvoorbeeld hapjes te serveren om een wijn-spijscombinatie onder de aandacht te brengen bij klanten, of nootjes en kaas te verkopen. Dit wetsvoorstel brengt hierin verandering.

Gemengd kleinhandelsbedrijf

Momenteel is het voor winkels waar detailhandel wordt uitgeoefend, niet mogelijk om alcoholhoudende drank te verkopen voor gebruik ter plaatse of elders. De wens bij ondernemers om dit te kunnen doen is er echter wel. Dat blijkt onder andere uit het aantal gemeenten dat in 2016 en 2017 heeft deelgenomen aan de VNG pilot «Reguleren van mengvormen winkel/horeca»2 en daarbinnen het grote aantal ondernemers dat zich heeft aangemeld voor deze pilot. Dit wetsvoorstel brengt ook in deze onmogelijkheid verandering.

2.2 Inhoud wetsvoorstel

Het wetsvoorstel richt zich op het mogelijk maken van (gereguleerde) mengformules in drie sectoren, zijnde horecabedrijven, slijtersbedrijven en gemengde kleinhandelsbedrijven. Horeca- en slijtersbedrijven vallen op dit moment onder de Drank- en Horecawet; gemengde kleinhandelsbedrijven kennen hier nog geen wettelijke basis.

Op dit moment hebben horeca- en slijtersbedrijven een vergunning nodig op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet. De Drank- en Horecawet kent ook veel verbodsbepalingen, die het deze bedrijven momenteel onmogelijk maken om «mengvormen» uit te oefenen. Het wetsvoorstel laat de huidige vergunningssystematiek voor horeca- en slijtersbedrijven intact, maar creëert daarnaast een extra optie. De horeca- en slijtersbedrijven die dit willen, kunnen namelijk verzoeken dat de vergunning die zij nodig hebben voor het horeca- of slijtersbedrijf, tevens wordt verleend voor het verrichten van «nevenactiviteiten». Het gaat hierbij om activiteiten die verband houden met de activiteit die in ieder geval door het horeca- of slijtersbedrijf wordt verricht. Bij algemene maatregel van bestuur zullen voorwaarden worden gesteld waaronder de vergunning tevens wordt verleend voor het verrichten van dergelijke nevenactiviteiten.

De vergunning wordt dus in principe alleen verleend voor het uitoefenen van een horeca- of slijtersbedrijf, maar indien de aanvrager van de vergunning daarom verzoekt, kan de vergunning ook worden verleend voor het verrichten van nevenactiviteiten onder de voorwaarden die bij algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld.

Een horeca- of slijtersbedrijf mag – onder de voorwaarden die in de algemene maatregel van bestuur worden gesteld – nevenactiviteiten verrichten, maar er mag geen twijfel over bestaan dat de functie van horeca – of slijtersbedrijf in ieder geval behouden blijft. In het geval van horecabedrijven zullen de nevenactiviteiten bijvoorbeeld bestaan uit het uitoefenen van detailhandel in de ruimte waar ook horeca wordt uitgeoefend. Restauranteigenaren zullen bijvoorbeeld in staat worden gesteld om de schilderijen die in het restaurant hangen, recepten, olijfolie, wijnen die zij per glas schenken of zelfgemaakte sauzen te verkopen in hun restaurant; allemaal activiteiten die samenhangen met de activiteiten die in ieder geval worden uitgeoefend in het horecabedrijf. Indien alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse, zal dat, op grond van de bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met het oog op de openbare orde en veiligheid, altijd als totaalproduct en in een gesloten verpakking moeten plaatsvinden.

Voor een slijtersbedrijf zal het verrichten van nevenactiviteiten bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het aanbieden van proeverijen tegen betaling. Ook kunnen bijvoorbeeld lichte spijzen worden verkocht, die veelal samen met de alcoholhoudende drank elders dan ter plaatse genuttigd kunnen worden. In de algemene maatregel van bestuur zullen de randvoorwaarden voor deze verkoop worden opgenomen. De regels zullen bijvoorbeeld betrekking hebben op het verband dat moet bestaan tussen de activiteiten die in ieder geval worden uitgeoefend en de nevenactiviteiten, het percentage van de totale omzet (of winst) dat gegenereerd mag worden met de nieuwe activiteiten ten opzichte van de reeds bestaande activiteiten, of op het gedeelte van het vloeroppervlak waarop de nevenactiviteit mag worden verricht.

Het gemengde kleinhandelsbedrijf wordt met het voorliggende wetsvoorstel geïntroduceerd in de Drank- en Horecawet. In een gemengd kleinhandelsbedrijf wordt in hoofdzaak detailhandel (wettelijke term: kleinhandel) uitgeoefend in een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte (oftewel een winkel), waarbij tevens (als nevenactiviteit, ondergeschikt aan de hoofdzaak) bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank kan worden verstrekt. Om een gemengd kleinhandelsbedrijf uit te oefenen, is een vergunning nodig. Bij algemene maatregel van bestuur zullen voorwaarden worden gesteld waaronder in een gemengd kleinhandelsbedrijf anders dan om niet alcoholhoudende drank kan worden verstrekt. Hier geldt dat deze regels zullen waarborgen dat de hoofdactiviteit van een gemengd kleinhandelsbedrijf zal blijven bestaan uit het zijn van «winkel», en dat de «nevenactiviteiten» (in de vorm van het verstrekken van alcoholhoudende drank tegen betaling) aan regels zijn gebonden, die bijvoorbeeld verband houden met de maximale omzet (of winst) die daarmee mag worden behaald ten opzichte van de omzet (of winst) die wordt behaald met het uitoefenen van kleinhandel. Bestaande winkels die niet de wens hebben alcoholhoudende drank te verstrekken, hoeven uiteraard geen vergunning op grond van artikel 3b van de Drank- en Horecawet aan te vragen. Hiermee is deze mogelijkheid volledig facultatief en alleen bedoeld voor winkels die hieraan behoefte hebben. Zij hebben zich bij het uitoefenen van gemengde kleinhandel uiteraard te houden aan alle voor hen relevante artikelen van de Drank- en Horecawet, waaronder de aanwezigheid van een leidinggevende, voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne en het toepassen van leeftijdsgrenzen bij het verstrekken van alcoholhoudende dranken. Daardoor wordt een zo gelijk mogelijk speelveld gecreëerd voor alle ondernemers.

2.3 Regelgevende bevoegdheid

Hierboven is de systematiek van de algemene maatregel van bestuur toegelicht. Aanvullend hierop kent de huidige Drank- en Horecawet bepalingen, waarmee gemeenten zelf verschillende mogelijkheden hebben om hun eigen beleid te bepalen. Zo is in het huidige artikel 25a van de Drank- en Horecawet bepaald dat het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank in inrichtingen bij gemeentelijke verordening kan worden verboden of aan beperkingen kan worden onderworpen. Het wetsvoorstel kent nog een dergelijke bepaling toe aan het wetsvoorstel; in het voorgestelde artikel 25a is bepaald dat bij gemeentelijke verordening ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde, regels kunnen worden gesteld over de verlening van vergunningen voor het toepassen van mengformules aan horecabedrijven, slijtersbedrijven en gemengde kleinhandelsbedrijven. Het gaat dan bijvoorbeeld om regels met betrekking tot de inrichting van het bedrijf, waaronder het al dan niet toestaan van een terras, partijen en het ten gehore brengen van versterkt geluid, en de mogelijkheid om andere openingstijden te hanteren dan voor de hoofdfunctie.

De noodzaak tot deze nadere regels zal per gemeente en mogelijk per winkelgebied verschillen. De initiatiefnemer wil de verantwoordelijkheid tot het stellen van nadere regels neerleggen bij de gemeenteraad, zodat kan worden ingespeeld op de lokale situatie en maatwerk kan worden geboden aan de ondernemingen die actief zijn in de gemeente.

2.4 Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet

Artikel 10 van de huidige Drank- en Horecawet biedt de grondslag voor het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. In dit besluit zijn nadere regels neergelegd over sociaal-hygiënische eisen aan de inrichting waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. De initiatiefnemer stelt voor dat de grondslag voor dit besluit gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel vervalt. Een groot deel van de eisen uit het besluit is tevens opgenomen in het Bouwbesluit 20123 of is verouderd. Het gaat onder andere om de aanwezige ventilatiecapaciteiten, de kwaliteitseisen voor de drinkwatervoorziening en waterspoeling, aanwezigheid van elektriciteitsvoorzieningen en de minimale hoogte van horeca- en slijterijinrichtingen. Dat geldt tevens voor het besluit4 waarin de nadere toegestane handelingen van een slijtersbedrijf zijn neergelegd.

2.5 Langs de snelweg

Vanuit het oogpunt van een gelijk speelveld voor iedere ondernemer stelt de initiatiefnemer tot slot voor om het huidige artikel 22 van de Drank- en Horecawet te wijzigen. Het huidige verbod op de verkoop van alcoholhoudende dranken door benzinestations, bij winkels verbonden aan benzinestations dan wel winkels in restaurants langs de auto(snel)weg wordt opgeheven. De initiatiefnemer acht het de verantwoordelijkheid van de bestuurder om niet te drinken als de bestuurder zijn weg nog dient te vervolgen. De initiatiefnemer ziet dat het in de huidige situatie voor bijvoorbeeld restauranthouders langs de auto(snel)weg wel mogelijk is om alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse te verstrekken. Het gebruik van alcoholhoudende dranken door de bestuurder zal in die gevallen hetzelfde effect hebben als het gebruik van alcoholhoudende dranken elders. Tegelijkertijd is het voor andersoortige ondernemingen binnen de bebouwde kom dan wel langs de provinciale weg nu wel mogelijk om alcoholhoudende dranken voor gebruik elders te verkopen, terwijl dit voor benzinestations aan de andere zijde van de weg gelegen niet mogelijk is. De initiatiefnemer wil deze verschillen wegnemen.

2.6 Overige aanpassingen

Naast de Drank- en Horecawet zal op lokaal niveau per gemeente nog een aantal aanpassingen gedaan moeten worden om ondernemers ook daadwerkelijk de ruimte te bieden hun sectoroverstijgende bedrijfsmodel te laten exploiteren. Het is gelet op de lokale verschillen niet opportuun om deze aanpassingen via de huidige Drank- en Horecawet te regelen; dit zal moeten gebeuren in plaatselijke regelgeving.

In eerste instantie zal het in sommige gevallen nodig zijn om bestaande bestemmingsplannen aan te passen, dan wel ontheffingen te verlenen voor de voorschriften uit het bestemmingsplan door het college van burgemeester en wethouders. Het toevoegen van horeca-activiteiten aan een ruimte met de bestemming «detailhandel» is immers niet toegestaan, tenzij de horeca kan worden gekwalificeerd als incidenteel, voortvloeiend uit, en ondergeschikt aan de oorspronkelijke bedrijfsactiviteiten. Hoewel de horeca-activiteiten ondergeschikt zijn aan de oorspronkelijke bedrijfsactiviteiten, zal in sommige gevallen geen sprake zijn van incidentele activiteiten. Daarom zal de bestemming in sommige gevallen moeten worden gewijzigd. Het is eventueel ook mogelijk om met een omgevingsvergunning een ontheffing van de voorschriften uit het bestemmingsplan aan te vragen.

Ten tweede is ook de contractuele bestemming die is opgenomen in de huurovereenkomst van belang. Uit de rechtspraak5 blijkt dat een zekere branchevervaging, doordat ook andere producten worden verkocht dan oorspronkelijk overeengekomen, niet meteen tot een contractuele bestemmingswijziging zal leiden daar dit niet direct in strijd hoeft te zijn met de huurovereenkomst. Dit is bijvoorbeeld te zien bij bouwmarkten die naast bouwmateriaal ook speelgoed verkopen. De huurder zal in geval van twijfel schriftelijk toestemming moeten vragen aan de verhuurder.

2.7 Bescherming jongeren onder 18 jaar

De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat een groot deel van de huidige bepalingen in de Drank- en Horecawet zijn opgenomen om jongeren onder de 18 jaar te beschermen tegen alcoholgebruik en alcoholmisbruik in de samenleving te voorkomen. Met het voorliggende wetsvoorstel worden de bepalingen rond de strafbaarheid van jongeren onder de 18 jaar als zij alcohol in hun bezit hebben in het openbaar en de verkoop van alcohol aan jongeren onder de 18 jaar niet gewijzigd. De vergunningsvoorwaarden voor de verkoop van alcohol zullen in de nieuwe situatie ook gelden voor iedere onderneming – waaronder horeca- en slijterijbedrijven en gemengde kleinhandelsbedrijven – die alcoholhoudende dranken wil schenken aan haar klanten. Gemeenten moeten toezicht blijven houden op de naleving van de geldende leeftijdsgrenzen en de vergunningsvoorwaarden voor de verkoop van alcohol.

3. Toezicht en handhaving

Sinds 1 januari 2013 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van vrijwel alle bepalingen van de Drank- en Horecawet. De burgemeester heeft het bevoegd gezag en wijst nieuwe gemeentelijke toezichthouders aan. Gemeenteraden zijn verantwoordelijk om periodiek een preventie- en handhavingsplan alcohol vast te stellen, waarin onder andere wordt opgenomen op welke wijze de gemeente invulling geeft aan de handhavingstaken en welke handhavingsacties in de door het plan bestreken periode worden ondernomen. In de huidige wet is opgenomen dat het plan tussentijds gewijzigd kan worden. Hoewel de initiatiefnemer het niet wenselijk vindt om gemeenten te belasten met extra administratieve lasten, stelt de initiatiefnemer dat het de verantwoordelijkheid van gemeenteraden is om te bepalen op welke wijze zij invulling zullen geven aan het handhavingsbeleid in de nieuwe situatie waarin naar verwachting op meer plekken alcoholhoudende dranken zullen worden verstrekt. De initiatiefnemer is van mening dat het in de beleidsvrijheid van gemeenten ligt op welke wijze zij dit willen vormgeven en op welke manier zij dit opnemen in het geldende preventie- en handhavingsplan. Overigens blijkt uit de eindevaluatie6 van de VNG-pilot «Reguleren van mengvormen winkel/horeca», uitgevoerd door Berenschot, dat in de deelnemende gemeenten geen sprake is van (negatieve) effecten op de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Er zijn gedurende de pilot enkele overtredingen geconstateerd, maar dit heeft niet geleid tot (noodzaak tot) handhavend optreden door de gemeente. Ook zijn er geen klachten of signalen bij gemeenten binnengekomen die duiden op een nadelig effect voor de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Overigens blijkt uit dezelfde eindevaluatie dat gemeenten en ondernemers een positief effect zien op de ontwikkeling van winkelgebieden door meer ruimte te geven aan ondernemers om ondernemerschap te tonen. Het geeft ondernemers de mogelijkheid meer beleving aan winkelende klanten of bezoekers van horeca- of slijtersbedrijven te bieden. Ook heeft de pilot geleid tot meer en betere samenwerking tussen ondernemers en (daardoor) meer levendigheid in de betreffende winkelgebieden.

4. Gevolgen voor regeldruk en overige bedrijfseffecten

4.1 Verruiming mogelijkheden detailhandel in horecagelegenheden

De voorgenomen wijziging betekent dat het voor horecagelegenheden straks mogelijk wordt om detailhandelsactiviteiten te verrichten in dezelfde ruimte als waar alcoholhoudende drank aanwezig is. Dit betekent een verruiming van de mogelijkheden voor horecabedrijven die nu geen ruimte kunnen creëren die niet te bereiken is via een horecalokaliteit, noch beschikken over een aparte ruimte waar de detailhandelsactiviteiten kunnen worden aangeboden.

4.2 Toestaan proeverijen in slijterijen

De voorgenomen wijziging waarmee het voor slijterijen mogelijk wordt om direct verkrijgbare drank kosteloos aan te bieden om te proeven, neemt een door slijters als knellend ervaren wettelijke beperking weg. Tevens wordt het voor slijterijen mogelijk om wijn-spijscombinaties aan te bieden nu zij ook hapjes mogen serveren bij de verkrijgbare alcoholhoudende drank. Het voorstel vermindert derhalve de ervaren regeldruk.

4.3 Gemengde kleinhandelsbedrijven

Met dit initiatiefwetsvoorstel wordt het voor detailhandel mogelijk om alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse dan wel voor gebruik elders. Kleding- en boekenwinkels, warenhuizen, delicatessen- en levensmiddelenwinkels, dienstverlenende bedrijven et cetera kunnen de keuze maken om alcoholhoudende dranken te gaan verstrekken om op die wijze in te spelen op de veranderende vraag en behoeften van consumenten. De ondernemingen zullen hiertoe een vergunning moeten aanvragen. Tevens moeten zij voldoen aan de reeds bestaande wet- en regelgeving waar bij het onder meer gaat om eisen die worden gesteld aan sociale hygiëne, de aanwezigheid van een leidinggevende en het niet verstrekken van alcoholhoudende drank aan jongeren onder de 18 jaar. Voor deze gemengde kleinhandelsbedrijven zal, indien zij een vergunning aanvragen, de regeldruk toenemen, maar dit zal resulteren in veel meer flexibiliteit bij het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten.

5. Financiële gevolgen voor de rijksbegroting

Er zijn geen gevolgen voor de rijksbegroting.

6. Consultatie

Een conceptversie van het wetsvoorstel is ter consultatie aangeboden aan onder meer vertegenwoordigers van de detailhandel, horecabedrijven, gemeenten, tankstations en individuele gemeenten die hebben deelgenomen aan de VNG-pilot. Met name (individuele) gemeenten, de detailhandel en tankstations hebben positief gereageerd op het voorliggende wetsvoorstel. Naar aanleiding van de ontvangen adviezen zijn het wetsvoorstel en deze memorie van toelichting op enkele punten aangepast en verbeterd.

Zo is de definitie van het gemengd kleinhandelsbedrijf in artikel 1 aangescherpt, zodat duidelijker is dat de nevenactiviteit te allen tijde ondergeschikt dient te zijn aan de hoofdactiviteit van het gemengd kleinhandelsbedrijf.

Ook is verduidelijkt dat de gemeenteraad in het kader van de openbare orde en veiligheid in een verordening nadere regels kan stellen over bijvoorbeeld het toestaan van terrassen en partijen en het gebruik van versterkt geluid.

Daarnaast is verduidelijkt dat de eisen die gesteld worden aan leidinggevenden van het horeca- en slijtersbedrijf ook gelden voor leidinggevenden van het gemengd kleinhandelsbedrijf.

7. Inwerkingtreding

Artikel IV van het wetsvoorstel voorziet in de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Bepaald is dat inwerkingtreding plaatsvindt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De initiatiefnemer beoogt het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in werking te laten treden, met inachtneming van de vaste verandermomenten.7 Het is belangrijk om op te merken dat ten aanzien van horeca- en slijtersbedrijven die reeds een vergunning bezitten, geen dwingende veranderingen plaatsvinden. Zij kunnen gebruik blijven maken van de vergunning die zij vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel hebben verkregen op grond van het huidige artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Aan de basis van de vergunningverlening verandert immers niets; voor bedrijven die dat willen, wordt alleen – optioneel – de mogelijkheid gecreëerd om, onder voorwaarden, nevenactiviteiten te verrichten. Dit betekent dat horeca- en slijtersbedrijven geen nieuwe vergunningen hoeven aan te vragen, tenzij zij gebruik willen maken van de verruimde mogelijkheden die onder het nieuwe vergunningensysteem bestaan. In dat geval kunnen zij een gewijzigde vergunning aanvragen op grond van het voorgestelde artikel 3 (horecabedrijven) of 3a (slijtersbedrijven). Indien zij geen gebruik willen maken van de verruimde mogelijkheden, blijft voor hen de situatie die vóór de inwerkingtreding van het wetvoorstel bestond, intact. Horeca- en slijtersbedrijven worden dus niet geconfronteerd met administratieve lasten vanwege de verplichte aanvraag van nieuwe vergunningen, tenzij zij hun activiteiten willen uitbreiden.

Omdat gemengde kleinhandelsbedrijven pas vanaf de inwerkingtreding van dit voorstel bestaansrecht hebben, is het logisch dat ieder op te richten gemengd kleinhandelsbedrijf een vergunning zal moeten aanvragen (op grond van het voorgestelde artikel 3b).

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdeel A

In artikel 1 van de Drank- en Horecawet wordt in de definitiebepaling een aantal wijzigingen aangebracht.

Van een horecabedrijf is sprake indien in ieder geval (bedrijfsmatig of anders dan om niet) alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt. Omdat die activiteit als gevolg van dit voorstel onder voorwaarden ook door slijtersbedrijven of gemengde kleinhandelsbedrijven kan worden verricht, is noodzakelijk om de definitie van horecabedrijf aan te vullen met de zinsnede «niet zijnde het uitoefenen van een slijtersbedrijf of een gemengd kleinhandelsbedrijf». Zie in dit verband tevens de toelichting bij onderdeel B.

Voorgesteld wordt om de definitie van slijtersbedrijf zodanig aan te passen dat het (bedrijfsmatig of anders dan om niet) verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse wordt aangemerkt als de activiteit die in ieder geval wordt uitgeoefend. Indien in het slijtersbedrijf tevens zwak-alcoholhoudende drank of alcoholvrije drank wordt verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse, wordt dat tevens geschaard onder de activiteit die in ieder geval wordt verricht. Het vervangen van «al dan niet gepaard gaande met» door «waaronder in voorkomend geval mede wordt begrepen» is nodig omdat conform dit voorstel tevens een vergunning kan worden verleend voor activiteiten die verband houden met de activiteit die «in ieder geval» door het slijtersbedrijf worden verricht (zie onderdeel C).

Naast de definities van horecabedrijf en slijtersbedrijf wordt een definitie van «gemengd kleinhandelsbedrijf» geïntroduceerd. Het gemengd kleinhandelsbedrijf wordt gedefinieerd als «de activiteit, in hoofdzaak bestaande uit het, al dan niet gepaard gaande met dienstverlening, uitoefenen van kleinhandel in een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank». In een gemengd kleinhandelsbedrijf wordt dus in hoofdzaak de activiteit van detailhandel (wettelijke term: kleinhandel) uitgeoefend. Indien de detailhandel gepaard gaat met dienstverlening, wordt die dienstverlening conform de voorgestelde definitie ook aangemerkt als activiteit die in hoofdzaak wordt verricht. Detailhandel ziet op het leveren van fysieke goederen, in dit geval in een winkel (een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte). Detailhandel kan, zoals gezegd, plaatsvinden in combinatie met de verlening van diensten; hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een kapperszaak waarin ook shampoo wordt verkocht. In een gemengd kleinhandelsbedrijf kan de hoofdactiviteit (het uitoefenen van detailhandel, al dan niet gecombineerd met dienstverlening) worden gecombineerd met een nevenactiviteit, zijnde het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank. Een gemengd kleinhandelsbedrijf kan bijvoorbeeld een boekenwinkel zijn waar ook een glas wijn kan worden geschonken. Ook voor het uitoefenen van een gemengd kleinhandelsbedrijf is een vergunning nodig.

Een horecabedrijf, slijtersbedrijf en gemengd kleinhandelsbedrijf verschillen zeer van elkaar omdat zij in beginsel elk een andere activiteit uitvoeren. Voor de uitvoering van hoofd- en nevenactiviteiten zijn zij steeds gehouden aan de daarvoor geldende voorwaarden.

Naast «horecabedrijf» en «slijtersbedrijf» bepaalt het huidige artikel 1 van de Drank- en Horecawet ook de definities van «horecalokaliteit» en «slijtlokaliteit». Tevens wordt het begrip «inrichting» gedefinieerd. Steeds wordt gedoeld op de locatie waar het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. Met het wetsvoorstel wordt ook de ruimte waar een gemengd kleinhandelsbedrijf wordt uitgeoefend, toegevoegd aan de definitiebepaling. Gekozen is voor het begrip «kleinhandelsruimte», waaronder wordt verstaan: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waar een gemengd kleinhandelsbedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen, voor zover die terrassen in de onmiddellijke nabijheid van die ruimte zijn gelegen.8 Indien een vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van een gemengd kleinhandelsbedrijf, kan in die vergunning worden bepaald dat gemengde kleinhandel tevens mag worden uitgeoefend op een dergelijk terras. Uiteraard dient daarbij aan de vergunningsvoorwaarden te worden voldaan, die bijvoorbeeld te maken hebben met de maximale omzet die met het verstrekken van alcoholhoudende drank kan worden behaald. Het uitoefenen van detailhandel zal immers altijd het hoofddoel zijn van het gemengd kleinhandelsbedrijf. Anders dan op grond van artikel 7 voor een inrichting geldt, hoeft voor een kleinhandelsruimte geen separate vergunning te worden aangevraagd. Zoals uit het voorgaande blijkt kunnen bij de verlening van een vergunning voor een gemengd kleinhandelsbedrijf wel voorwaarden worden gesteld aan de kleinhandelsruimte en de eventueel daarvan deel uitmakende terrassen. Door geen aparte vergunning aan te hoeven vragen voor de kleinhandelsruimte, blijven de administratieve lasten voor de toekomstige uitbaters van gemengde kleinhandelsbedrijven zo veel mogelijk beperkt.

Ook de definitie van «leidinggevende» wordt aangepast. Onder een leidinggevende wordt, na de inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging, ook de leidinggevende van een gemengd kleinhandelsbedrijf verstaan. Dit betekent dat de eisen die momenteel worden gesteld aan leidinggevenden van horeca- en slijtersbedrijven, ook zullen gelden voor de leidinggevende van een gemengd kleinhandelsbedrijf.

Het is niet nodig om de definitie van «bezoeker» aan te passen, omdat de bepalingen in de Drank- en Horecawet die op bezoekers zien, niet van toepassing hoeven te worden verklaard op bezoekers van kleinhandelsruimtes. Deze zien namelijk op de leeftijd van bezoekers in slijtersbedrijven (artikel 20) en de toelatingsleeftijd bij horecabedrijven (artikel 25b).

Onderdelen B en C

Voor horeca- en slijtersbedrijven blijft de bestaande systematiek van vergunningverlening intact, maar wordt in dit wetsvoorstel een extra optie voorgesteld. Voor gemengde kleinhandelsbedrijven wordt een nieuw vergunningensysteem gecreëerd. Hieronder wordt eerst op horeca- en slijtersbedrijven ingegaan, waarna het systeem voor gemengde kleinhandelsbedrijven zal worden toegelicht.

Horeca- en slijtersbedrijven (artikelen 3 en 3a)

Het huidige artikel 3 van de Drank- en Horecawet regelt dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Met het wetsvoorstel wordt aan deze hoofdregel een extra optie toegevoegd. Geregeld wordt dat de vergunning, onder voorwaarden die bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld, op verzoek van degene die de vergunning aanvraagt ook kan gaan gelden voor het verrichten van activiteiten die verband houden met de activiteit die in ieder geval door een horecabedrijf- of slijtersbedrijf worden verricht (hierna «nevenactiviteiten» genoemd).

Aan de bestaande systematiek van vergunningverlening voor horeca- en slijtersbedrijven verandert niets. Indien een horecabedrijf of slijtersbedrijf geen behoefte heeft aan het uitoefenen van nevenactiviteiten die thans niet zijn toegestaan, blijft de vergunningverlening voor dat bedrijf identiek aan de huidige situatie. Voor horeca- of slijtersbedrijven die naast de activiteiten die zij in ieder geval verrichten, dergelijke nevenactiviteiten willen ontplooien, wordt deze mogelijkheid facultatief gecreëerd. Nieuwe horeca- en slijtersbedrijven kunnen een vergunning aanvragen die tevens voor dergelijke nevenactiviteiten wordt verleend. Bestaande horeca- en slijtersbedrijven, die reeds in het bezit zijn van een vergunning, kunnen om een gewijzigde (lees: verruimde) vergunning verzoeken.

Bij algemene maatregel van bestuur zullen voorwaarden worden gesteld waaronder de vergunning tevens wordt verleend voor het verrichten van activiteiten die verband houden met de activiteit die in ieder geval door een horecabedrijf of slijtersbedrijf worden verricht. De vergunning wordt dus in beginsel alleen verleend voor het verstrekken van alcoholhoudende drank door een horeca- of slijtersbedrijf, maar indien de aanvrager van de vergunning daarom verzoekt, kan de vergunning ook worden verleend voor het verrichten van nevenactiviteiten, onder de voorwaarden die bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.

De voorwaarden die in de algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld, zullen zien op de omvang van de nevenactiviteiten. Het is belangrijk dat de nevenactiviteiten altijd ondergeschikt zijn aan de reeds toegestane activiteiten. Een horeca- of slijtersbedrijf mag op kleine schaal nevenactiviteiten verrichten, maar er mag geen twijfel over bestaan dat de functie van horeca- of slijtersbedrijf in hoofdzaak behouden blijft. In het geval van horecabedrijven zullen de nevenactiviteiten bijvoorbeeld bestaan uit het uitoefenen van detailhandel op kleine schaal in de ruimte waar ook horeca wordt uitgeoefend. Restauranteigenaren zullen bijvoorbeeld in staat worden gesteld om schilderijen, recepten, olijfolie of zelfgemaakte sauzen te verkopen in hun restaurant; allemaal activiteiten die samenhangen met de activiteit die het horecabedrijf in ieder geval verricht. Voor een slijtersbedrijf zal het verrichten van nevenactiviteiten bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het aanbieden van proeverijen tegen betaling of het aanbieden van wijn-spijspakketten. In de algemene maatregel van bestuur zullen de randvoorwaarden voor deze verkoop worden opgenomen. De regels zullen bijvoorbeeld betrekking hebben op het percentage van de totale omzet (of winst) dat gegenereerd mag worden met de nieuwe activiteit, of op het gedeelte van het vloeroppervlak waarop de nevenactiviteit mag worden verricht.

Belangrijk is dat de voorwaarden in de algemene maatregel van bestuur alleen zullen zien op het creëren van extra mogelijkheden in de vorm van de hiervoor genoemde nevenactiviteiten. De bepaling kan dus in geen geval worden gebruikt om ten opzichte van de huidige situatie de vergunningverlening voor horecabedrijven en slijtersbedrijven lastiger te maken.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de vergunningsaanvraag. Indien niet tijdig op een aanvraag tot het verstrekken van een vergunning wordt beschikt, is deze derhalve niet van rechtswege verleend (artikelen 3, 3a en 3b, derde lid).

Gemengde kleinhandelsbedrijven (artikel 3b)

Het voorgestelde artikel 3b regelt dat het verboden is om zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het gemengd kleinhandelsbedrijf uit te oefenen (eerste lid). Bij algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden gesteld waaronder in een gemengd kleinhandelsbedrijf bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank kan worden verstrekt (tweede lid).

Gemengde kleinhandelsbedrijven zijn altijd «winkels»; voor het publiek toegankelijke besloten ruimtes waarin kleinhandel wordt uitgeoefend. Dit wetsvoorstel beoogt voor kleinhandelsbedrijven de mogelijkheid te creëren om als nevenactiviteit anders dan om niet (gereguleerde hoeveelheden) alcoholhoudende drank te verstrekken. De kapper die een glas prosecco wil schenken, de boekhandel die een glas wijn wil schenken en de kaasspeciaalzaak die een glas port wil kunnen aanbieden, kunnen allemaal een vergunning voor een gemengd kleinhandelsbedrijf aanvragen. De voorwaarden waaronder de vergunning kan worden verleend, worden vastgelegd bij algemene maatregel van bestuur. Deze regels zullen onder andere zien op de maximale omzet of winst die met het schenken van alcohol mag worden behaald en de vloeroppervlakte die maximaal mag worden benut voor het aanbieden van alcoholhoudende drank. Vanwege deze regels zal het voor bedrijven die puur gericht zijn op horeca, niet aantrekkelijk zijn hun horecavergunning in te wisselen voor een vergunning voor een gemengd kleinhandelsbedrijf. Bovendien kunnen horecabedrijven en gemengde kleinhandelsbedrijven goed van elkaar worden onderscheiden.

Onderdeel D

In artikel 8 van de Drank- en Horecawet worden eisen gesteld aan leidinggevenden. In het eerste lid wordt gesproken over «leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf». Omdat in de definitiebepaling in artikel 1 reeds is opgenomen dat onder leidinggevenden óók leidinggevenden van gemengde kleinhandelsbedrijven vallen, kan deze specificering in het eerste lid van artikel 8 vervallen. In het vierde lid is het nodig om «gemengd kleinhandelsbedrijf» juist toe te voegen. Deze technische bepalingen leiden er allen toe dat onder «leidinggevende» voortaan ook leidinggevende van een gemengd kleinhandelsbedrijf wordt verstaan.

Onderdeel E

Het huidige artikel 10 van de Drank- en Horecawet bevat de rechtsgrondslag om bij algemene maatregel van bestuur in het belang van de sociale hygiëne eisen aan inrichtingen te stellen. Deze eisen zijn thans opgenomen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Met onderdeel E van het wetsvoorstel komt dit artikel te vervallen. Reden hiervoor is dat de eisen in het Bouwbesluit 20129 volstaan voor horeca, slijters en gemengde kleinhandelsbedrijven. Volgens de initiatiefnemer is het niet nodig om aan deze bedrijven extra regels te stellen. Een beleidsmatige toelichting op deze keuze is opgenomen in paragraaf 2.4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Onderdelen F en G

Onderdelen F en G van het wetsvoorstel zien op de artikelen 12 en 13 van de Drank- en Horecawet en hangen met elkaar samen. In artikel 12 is momenteel geregeld dat het in beginsel verboden is alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse anders dan in of op een in de vergunning vermelde horecalokaliteit of terras. Ook is geregeld dat het verboden is sterke drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse anders dan in een slijtlokaliteit. Artikel 13 regelt dat het verboden is in een horecalokaliteit of op een terras alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, en dat het in een slijtlokaliteit verboden is alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse, tenzij een klant verzoekt om drank te proeven.

Het wetsvoorstel regelt dat horeca- en slijtersbedrijven kunnen opteren voor de mogelijkheid nevenactiviteiten te verrichten binnen de vergunning die zij nodig hebben voor het verrichten van hun horeca- of slijterij-activiteiten. Deze nevenactiviteiten zullen onder andere kunnen zien op het verstrekken van alcoholhoudende drank vanuit horecalokaliteiten voor gebruik elders dan ter plaatse (het is bijvoorbeeld denkbaar dat horecalokaliteiten zelfgemaakte zwak-alcoholische dranken zullen verkopen) en dat in slijtlokaliteiten proeverijen zullen worden georganiseerd. Deze nevenactiviteiten zullen vaak verband houden met de hoofdactiviteit van het horeca- of slijtersbedrijf, hetgeen een voorwaarde is voor het uitvoeren daarvan. Ook in kleinhandelsruimtes kan onder de voorwaarden van de vergunning alcoholhoudende drank worden verstrekt, voor gebruik ter plaatse of elders. Zoals gezegd worden bij algemene maatregel van bestuur de precieze voorwaarden voor het verrichten van de nevenactiviteit bepaald. Juist omdat deze nevenactiviteiten mogelijk worden, moeten de huidige verbodsbepalingen in de artikelen 12 en 13 worden herschreven.

Het voorgestelde artikel 12 ziet op het verstrekken van alcoholhoudende drank ter plaatse en het voorgestelde artikel 13 op het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse. In artikel 12 wordt bepaald dat het altijd mogelijk is om alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een in de vergunning vermelde horecalokaliteit of terras. Voor slijtlokaliteiten en kleinhandelsruimtes geldt dat dit mogelijk is indien de vergunning hiertoe strekt. In artikel 13 wordt bepaald dat het altijd mogelijk is om alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse te verstrekken vanuit een slijtlokaliteit die in de vergunning is vermeld. Voor horecalokaliteiten en kleinhandelsruimtes geldt weer dat dit alleen mogelijk is indien de vergunning hiertoe strekt.

Onderdeel H

In onderdeel H van het wetsvoorstel wordt artikel 14 van de Drank- en Horecawet opnieuw vastgesteld. Het verbod om in een slijtlokaliteit gelijktijdig andere bedrijfsactiviteiten te verrichten dan die welke tot het slijtersbedrijf behoren en het verbod om een horecalokaliteit tevens in gebruik te hebben voor het uitoefenen van kleinhandel, komen te vervallen. Ingevolge het wetsvoorstel wordt deze mogelijkheid namelijk juist wel gecreëerd, onder de voorwaarden die in de vergunning daartoe zijn gesteld. Voor het overige blijft het artikel intact, met dien verstande dat de reeds genoemde verboden ook van toepassing worden ten aanzien van kleinhandelsruimtes. Daarbij geldt dat in eerste lid, onderdeel b, wordt voorgesteld dat in kleinhandelsruimtes wel persoonlijke dienstverlening mag worden verricht. Dit is nodig zodat ook bedrijven waar dienstverlening en detailhandel worden gecombineerd (zoals kapperszaken, schoonheids- of massagesalons) een gemengd kleinhandelsbedrijf kunnen uitoefenen.

Onderdeel I

Artikel 15 van de Drank- en Horecawet bevat twee verboden. In het eerste lid is het verbod opgenomen om kleinhandel uit te oefenen in een lokaliteit behorende tot een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, indien het publiek uitsluitend toegang heeft tot die lokaliteit door een lokaliteit te betreden waar alcoholhoudende drank aanwezig is. In het tweede lid is het verbod opgenomen dat een slijtlokaliteit in verbinding staat met een ruimte waarin de kleinhandel of zelfbedieningsgroothandel wordt uitgeoefend, tenzij wordt voldaan aan bepaalde voorschriften. In lijn met de strekking van het wetsvoorstel komen deze verboden te vervallen.

Onderdeel J

Het huidige artikel 18, eerste lid, bevat het verbod om in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken. In het tweede lid zijn bijvoorbeeld supermarkten van dit verbod uitgezonderd.

Ingevolge het wetsvoorstel kunnen zwak-alcoholhoudende dranken onder bepaalde voorwaarden ook worden verkocht door horecabedrijven en gemengde kleinhandelsbedrijven. Deze twee categorieën worden dan ook aan het eerste lid toegevoegd, zodat duidelijk is dat voor hen geen verbod geldt om zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse te verstrekken. Uiteraard bestaat deze mogelijkheid alleen als die onder hun vergunning valt.

Onderdeel K

Artikel 20 van de Drank- en Horecawet betreft, kort gezegd, de bescherming van minderjarigen tegen alcohol. Omdat vanuit een kleinhandelsruimte onder voorwaarden ook alcoholhoudende drank kan worden verstrekt, wordt op verschillende plaatsen in artikel 20 «kleinhandelsruimte» toegevoegd. Op deze manier staat buiten kijf dat ook in kleinhandelsruimtes geen alcoholhoudende drank mag worden verstrekt aan personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Ook in een kleinhandelsruimte zal duidelijk moeten worden aangegeven welke leeftijdsgrenzen gelden. Tevens is het ook in een kleinhandelsruimte verboden personen toe te laten die in kennelijke staat van dronkenschap verkeren, of dergelijke personen dienst te laten doen.

Onderdeel L

Dit onderdeel schrapt artikel 22, eerste lid. Daarmee vervalt het verbod om alcohol te verkopen op plaatsen waar benzine aan particulieren wordt verstrekt, in winkels die aan een benzinestation zijn verbonden en in winkels in wegrestaurants langs autowegen en autosnelwegen. Zie paragraaf 2.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting voor een nadere toelichting hierop.

Onderdeel M

In artikel 24 van de Drank- en Horecawet zijn eisen opgenomen waaraan lokaliteiten dienen te voldoen indien zij in bedrijf zijn. Het is bijvoorbeeld verboden een horeca- of slijtlokaliteit voor het publiek geopend te houden indien geen leidinggevende aanwezig is, of een persoon wiens bijschrijving is gevraagd (eerste lid). Ook mogen in een horeca- of slijtlokaliteit geen personen jonger dan 16 jaar dienst doen gedurende de tijd dat alcoholhoudende dranken worden verstrekt. Onderdeel M regelt dat deze eisen ook gaan gelden voor kleinhandelsruimtes.

Onderdeel N

Ook artikel 25 wordt van toepassing verklaard op gemengde kleinhandelsbedrijven. Artikel 25 verbiedt degene die een ruimte voor het publiek geopend houdt, om in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben (een in het artikel genoemde uitzondering daargelaten). In het artikel is bepaald dat dat verbod niet geldt ten aanzien van degene die rechtmatig een horeca- of slijtersbedrijf uitoefent. Onderdeel N van het wetsvoorstel voegt hieraan toe dat het verbod logischerwijs óók niet geldt ten aanzien van degene die rechtmatig een gemengd kleinhandelsbedrijf uitoefent.

Onderdeel O

Met dit onderdeel wordt een nieuw artikel 25a0 ingevoegd in paragraaf 3a van de Drank- en Horecawet; de gemeentelijke verordenende bevoegdheid. Geregeld wordt dat bij gemeentelijke verordening ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde, regels gesteld kunnen worden over de verlening van vergunningen voor horeca-, slijters- of gemengde kleinhandelsbedrijven. Deze regels zien niet op de voorwaarden waaronder de vergunning kan worden verleend (die worden immers bij algemene maatregel van bestuur vastgelegd), maar op het gemeentelijk beleid inzake horeca, slijters- of gemengde kleinhandelsbedrijven. In de verordening kan bijvoorbeeld worden vastgelegd hoeveel vergunningen kunnen worden afgegeven en in welke gebieden de bedrijven zich kunnen vestigen. Ook kan worden bepaald of verschillende openingstijden voor de hoofd- en nevenactiviteiten mogen worden gehanteerd dan wel of versterkt geluid ten gehore mag worden gebracht.

Onderdeel P

Artikel 25a regelt dat bij gemeentelijke verordening een verbod of beperkingen kunnen worden opgelegd aan inrichtingen voor de verstrekking van alcoholhoudende drank gedurende bijvoorbeeld een bepaalde tijdsruimte. Met onderdeel P van het wetsvoorstel wordt geregeld dat dit ook ten aanzien van de verstrekking van alcoholhoudende drank vanuit kleinhandelsruimtes mogelijk is.

Onderdeel Q

Artikel 25d regelt, kort gezegd, dat grote aanbiedingen van alcoholhoudende drank (happy hour) kunnen worden verboden. Ondanks dat deze aanbiedingen in gemengde kleinhandelsbedrijven niet aannemelijk zijn, wordt geregeld dat dit verbod ook aan hen kan worden opgelegd.

Onderdeel R

In artikel 26 is de aanvraag voor een vergunning geregeld. Omdat de vergunningen voor horeca- en slijtersbedrijven ingevolge dit wetsvoorstel zijn gesplitst in twee afzonderlijke artikelen (artikel 3 ziet op vergunningen voor horecabedrijven, artikel 3a op slijtersbedrijven) en ook voor de uitoefening van een gemengd kleinhandelsbedrijf een vergunning is vereist (artikel 3b), is artikel 26 hierop aangepast.

Onderdeel S

Artikel 27 bevat de weigeringsgronden voor de vergunningverlening. Uiteraard dient hierin ook het gemengd kleinhandelsbedrijf te worden betrokken, om welke reden dit begrip in dit artikel is toegevoegd. Omdat ingevolge dit wetsvoorstel artikel 10 vervalt, wordt de verwijzing hiernaar in artikel 27 geschrapt.

Onderdeel T

Met onderdeel T wordt het gemengd kleinhandelsbedrijf toegevoegd aan artikel 29, waardoor het systeem van vergunningverlening aan gemengde kleinhandelsbedrijven gelijk wordt getrokken met dat van horeca- en slijtersbedrijven.

Onderdeel U

Ingevolge de voorgestelde wijziging in artikel 30 dient het gemengd kleinhandelsbedrijf dat veranderingen ondergaat waardoor zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, deze veranderingen door te geven aan de burgemeester. Dit geldt al voor horeca- en slijtersbedrijven.

Onderdeel V

Met de voorgestelde wijziging in artikel 30a van de Drank- en Horecawet worden ook de eisen voor de aanpassing van vergunningen waar het leidinggevenden betreft, van toepassing verklaard op gemengde kleinhandelsbedrijven.

Onderdeel W

Artikel 31 ziet op de intrekking van vergunningen. Net als vergunningen voor horeca- en slijtersbedrijven, kunnen vergunningen voor gemengde kleinhandelsbedrijven worden ingetrokken. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor horeca- en slijtersbedrijven.

Onderdeel X

In artikel 32 wordt een verwijzing naar de artikelen 3a en 3b ingevoegd; ook vergunningen voor gemengde kleinhandelsbedrijven (en voor slijtersbedrijven, maar dat was al het geval) moeten immers kunnen worden geschorst door de burgemeester.

Onderdeel Y

In artikel 44a is geregeld dat de burgemeester een bestuurlijke boete kan opleggen ter zake van overtreding van bijvoorbeeld de vergunning die is verleend op grond van het huidige artikel 3. Hieraan worden ingevolge dit wetsvoorstel de artikelen 3a en 3b toegevoegd, waardoor de boetebevoegdheid ook kan worden ingezet ten aanzien van gemengde kleinhandelsbedrijven (en slijtersbedrijven, maar dat was al het geval). Omdat de vergunningverlening aan slijtersbedrijven in een nieuw artikel is geregeld (artikel 3a), is ook een verwijzing naar dit artikel opgenomen).

De verwijzing naar artikel 22, tweede lid, komt te vervallen, omdat dit artikellid met dit wetsvoorstel vervalt.

Onderdeel Z

Met onderdeel Z wordt artikel 45 ook van toepassing verklaard op gemengde kleinhandelsbedrijven.

Onderdeel AA

Artikel 46 komt te vervallen. Dit is nodig omdat met het wetsvoorstel ook artikel 10 vervalt, waarnaar het huidige artikel 46 verwijst.

Onderdeel AB

Vanwege de mogelijkheden tot verruiming die het wetsvoorstel creëert voor het verstrekken van alcoholhoudende drank (onder vergunningsvoorwaarden), kan artikel 47 komen te vervallen.

Artikel II

Het voorgestelde artikel 3a ziet op vergunningen voor slijtersbedrijven (voorheen was deze vergunningsplicht, net als die van horecabedrijven, opgenomen in artikel 3 van de Drank- en Horecawet). Artikel 3b introduceert een vergunning voor de uitoefening van een gemengd kleinhandelsbedrijf. De artikelen 3a en 3b worden met de in dit artikel II voorgestelde wijziging eveneens toegevoegd aan artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Op deze manier geldt voor de vergunningen voor horeca- slijters- en gemengde kleinhandelsbedrijven ook op dat gebied hetzelfde regime.

Artikel III

Dit artikel regelt dat de voorgestelde artikelen 3a en 3b worden toegevoegd aan de reeks artikelen van de Drank- en Horecawet die staan opgesomd in artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten (WED). Daarmee wordt ook overtreding van het bepaalde bij of krachtens de voorgestelde artikelen 3a en 3b van de Drank- en Horecawet aangemerkt als economisch delict hetgeen overeenkomstig de WED kan worden bestraft.

Artikel IV

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dit geschiedt op een tijdstip dat bij koninklijk besluit wordt bepaald. Het streven is om dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Zie tevens paragraaf 7 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Artikel V

Het wetsvoorstel heeft de volgende citeertitel: Wet regulering mengformules.

Ziengs


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/2015, 27 838, nr. 13

X Noot
2

Eindrapport Pilot mengvormen Drank- en Horecawet (Berenschot 16 augustus 2017), online raadpleegbaar via: https://vng.nl/onderwerpenindex/veiligheid/drank-en-horecawet/publicaties/eindrapport-pilot-mengvormen-drank-en-horecawet.

X Noot
3

Het Bouwbesluit 2012 zal te zijner tijd worden vervangen door het Besluit bouwwerken leefomgeving.

X Noot
4

Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf.

X Noot
5

Rb. Rotterdam (ktr.) 17 juli 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5803, r.o. 4.3, WR 2009, 114.

X Noot
6

Eindrapport Pilot mengvormen Drank- en Horecawet (Berenschot 16 augustus 2017), zie ook https://vng.nl/onderwerpenindex/veiligheid/drank-en-horecawet/nieuws/mengvormen-in-winkels-en-horeca-hebben-positief-effect.

X Noot
7

Op grond van Aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving treden nieuwe wetten in beginsel op vaste momenten in werking (namelijk 1 januari of 1 juli), zodat degenen tot wie wetgeving zich richt, niet op te veel verschillende momenten worden geconfronteerd met wijzigingen en tijd krijgen zich erop voor te bereiden.

X Noot
8

Het criterium «besloten ruimte» strekt ertoe dat gemengde kleinhandel niet op straat wordt uitgeoefend. Het hoeft dus uitdrukkelijk niet te gaan om een afgesloten ruimte.

X Noot
9

Het Bouwbesluit 2012 zal te zijner tijd worden vervangen door het Besluit bouwwerken leefomgeving.