Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834912 nr. 5

34 912 Wijziging van de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten en de Databankenwet ter implementatie van Richtlijn (EU) 2017/1564 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake bepaalde toegestane vormen van gebruik van bepaalde werken en ander materiaal die door het auteursrecht en naburige rechten beschermd zijn ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, en tot wijziging van Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PbEU L242/6), alsmede ter uitvoering van Verordening (EU) 2017/1563 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake de grensoverschrijdende uitwisseling tussen de Unie en derde landen van exemplaren in toegankelijke vorm van bepaalde werken en ander materiaal die door het auteursrecht en naburige rechten beschermd zijn ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben (PbEU L242/1) (Wet ter implementatie leesgehandicaptenrichtlijn en ter uitvoering leesgehandicaptenverordening)

Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 7 juni 2018

1. Inleiding

Met genoegen heb ik ervan kennis genomen dat de leden van de fractie van de ChristenUnie het belang van de beschikbaarheid van gepubliceerde werken voor leesgehandicapten onderschrijven. Ik deel hun hoop dat dit wetsvoorstel waarmee de Leesgehandicaptenrichtlijn en de Leesgehandicaptenverordening worden omgezet hieraan bijdraagt. De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen gesteld over de verhouding tussen het Leesgehandicapten-verdrag en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (het «VN-Gehandicaptenverdrag»), alsmede over een ieder verbindende bepalingen in verdragen.

2. VN-Gehandicaptenverdrag

De leden van de VVD-fractie merken op dat het Leesgehandicaptenverdrag – en de daaruit voortkomende Leesgehandicaptenrichtlijn en Leesgehandicaptenverordening – voortbouwen op de artikelen 9, 21 en 30 van het VN-Gehandicaptenverdrag. Zij stellen enkele vragen over de verhouding tussen het Leesgehandicaptenverdrag en het VN-Gehandicaptenverdrag.

Het Leesgehandicaptenverdrag is op 27 juni 2013 tot stand gekomen en dateert van voor de aanvang van de parlementaire behandeling van het goedkeurings- en uitvoeringswetsvoorstel van het VN-Gehandicaptenverdrag. Hoewel het Leesgehandicaptenverdrag en het VN-Gehandicaptenverdrag een soortgelijk doel dienen, te weten het bevorderen van de gelijkberechtiging van personen met een (lees)handicap, zijn de verdragen autonoom, in separate onderhandelingstrajecten, tot stand gekomen. Het Leesgehandicaptenverdrag is opgesteld onder de vlag van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (World Intellectual Property Organization, de «WIPO»). Het VN-Gehandicaptenverdrag is onder auspiciën van de Verenigde Naties tot stand gebracht. Hoewel in de overwegingen bij de Leesgehandicaptenverdrag verwezen wordt naar enkele bepalingen uit het VN-Gehandicaptenverdrag, betekent dit niet dat het verdrag rechtstreeks uit het VN-Gehandicaptenverdrag voortvloeit. Er vloeien ook voor het overige geen verdragen rechtstreeks uit het VN-Gehandicaptenverdrag voort.

3. Bepalingen die een ieder kunnen verbinden

De leden van de VVD-fractie vragen naar aanleiding van het Leesgehandicaptenverdrag naar de informatie die de Kamer krijgt over rechtstreeks werkende bepalingen in verdragen (vgl. de artikelen 93 en 94 van de Grondwet). Zij wijzen op artikel 2, tweede lid, van de Rijkswet tot goedkeuring en bekendmaking van verdragen waaruit volgt dat de Staten-Generaal geïnformeerd wordt over dergelijke bepalingen. Zij vragen of bij verdragen waarvoor de Europese Unie exclusief bevoegd is om tot ratificatie over te gaan, de regering bereid is om aan te geven of die verdragen bepalingen kennen die een ieder kunnen verbinden.

Artikel 2, tweede lid, van de Rijkswet tot goedkeuring en bekendmaking van verdragen is van toepassing wanneer een wet ter goedkeuring van een verdrag aan de Staten-Generaal wordt voorgelegd. Uit de memorie van toelichting bij het voorstel van Rijkswet waarmee dit lid is ingevoegd in de Rijkswet (Kamerstukken II, 34 158 (R 2048), nr. 5), blijkt dat de bedoeling was de democratische legitimatie bij het sluiten, wijzigen en opzeggen van verdragen met een ieder verbindende bepalingen te vergroten, en om de rechter meer houvast te bieden bij de interpretatie van verdragsbepalingen. Een ieder verbindende verdragsbepalingen hebben rechtstreekse werking. Dit houdt in dat burgers en bedrijven bij de rechter rechtstreeks een beroep op deze bepalingen kunnen doen waarna de rechter toetst of nationale wetgeving in overeenstemming is met deze een ieder verbindende verdragsbepalingen.

Zoals de leden van de VVD-fractie in hun vraagstelling al min of meer aangeven, behoort het ratificeren van het Leesgehandicaptenverdrag tot de exclusieve bevoegdheid van de EU (en niet van de individuele EU-lidstaten). Dat heeft het Hof van Justitie van de EU op 14 februari 2017 beslist, gelet op de inhoud van het verdrag (advies 3/15 van 14 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:114). Nederland zal uit hoofde van de ratificatie door de Unie gebonden zijn aan de verplichtingen uit het verdrag. Artikel 2, tweede lid, van voornoemde Rijkswet is dus niet van toepassing; er komt geen goedkeuringswet.

Dat laat onverlet dat de Kamer over het Leesgehandicaptenverdrag op de gebruikelijke wijze is geïnformeerd. Te weten over het op 26 november 2012 door de Raad verleende onderhandelingsmandaat om te komen tot een verdrag, het Raadsbesluit van 14 april 2014 op basis waarvan de Unie is overgegaan tot ondertekening van het Leesgehandicaptenverdrag, de voorstellen van de Commissie van 14 september 2016 om te komen tot de richtlijn en verordening (waarmee uitvoering wordt gegeven aan de verdragsverplichtingen), alsmede het voornemen van de EU om over te gaan tot ratificatie van het verdrag, de Besluiten van de Raad en het Europees Parlement van 13 september 2017 waarbij de verordening en richtlijn zijn aangenomen, alsmede over het Raadsbesluit van 15 februari 2018 tot ratificatie van het verdrag. In het bij de Commissievoorstellen inzake de verordening en de richtlijn opgestelde BNC-fiche van 4 november 2016 (Kamerstuk 22 112, nr. 2239) is de Kamer geïnformeerd over alle verplichtingen die uit de richtlijn en de verordening voortvloeien en daarmee ook over alle verplichtingen die voor Nederland uit het verdrag voortvloeien.

Met betrekking tot andere verdragen waarvoor de EU exclusief bevoegd is, wordt u op soortgelijke wijze geïnformeerd over mandaatverlening, onderhandelingen en de totstandkoming van een verdrag, de verplichtingen die uit een verdrag voortvloeien, de wijze waarop het EU-acquis wordt gewijzigd door een verdrag, de ondertekening en de ratificatie door de Unie van een verdrag. De Unie is op grond van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) exclusief bevoegd op de volgende gebieden: de douane-unie, de vaststelling van mededingingsregels die voor de werking van de interne markt nodig zijn, het monetair beleid voor de lidstaten die de euro als munt hebben, de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de gemeenschappelijke handelspolitiek. De Unie is daarnaast op grond van artikel 3, tweede lid, VWEU exclusief bevoegd een internationale overeenkomst te sluiten indien een wetgevingshandeling van de Unie in die sluiting voorziet, indien die sluiting noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen of wanneer die sluiting gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen. In verband met het Leesgehandicaptenverdrag achtte het Hof van Justitie van de EU de Unie exclusief bevoegd op grond van artikel 3, tweede lid, VWEU: de verplichtingen van het Leesgehandicaptenverdrag behoren tot een gebied dat reeds grotendeels door gemeenschappelijke regels van de Unie wordt bestreken. In zo’n geval onderhandelt de Unie omdat de gemeenschappelijke regels kunnen worden aangetast of gewijzigd via het verdrag.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker