Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201934910 nr. 23

34 910 Regels met betrekking tot het verlenen van trustdiensten en het toezicht daarop (Wet toezicht trustkantoren 2018)

Nr. 23 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 januari 2019

Met deze brief kom ik terug op enkele toezeggingen gedaan tijdens het plenaire debat over de Wet toezicht trustkantoren 2018 op 4 juli 2018 (Handelingen II 2017/18, nr. 102, item 3) en het debat over het verslag van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies op 5 september 2018 (Handelingen II 2017/18, nr. 105, item 8). Daarnaast ga ik in op de uitvoering van de motie van de leden Omtzigt en Van Weyenberg over onderzoek naar het verbieden van domicilieverlening ingediend bij het debat over het verslag van de parlementaire ondervragingscommissie (Kamerstuk 34 566, nr. 11).

Wenselijkheid combinatie bankdiensten en trustdiensten

Tijdens het plenaire debat over de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Handelingen II 2017/18, nr. 102, item 3) heb ik toegezegd de wenselijkheid van het verlenen van bank- en trustdiensten aan dezelfde cliënt te onderzoeken. Een vergelijkbare scheiding is in de wet geïntroduceerd voor het verlenen van trustdiensten en het verstrekken van belastingadvies. Deze scheiding moet het risico op belangenverstrengeling wegnemen en een onafhankelijk cliëntenonderzoek bevorderen. Ik heb nogmaals gekeken of dit ook opgaat voor de combinatie van het verlenen van bank- en trustdiensten. De conclusie is dat ik, en De Nederlandsche Bank (DNB) met mij, op dit moment geen grote risico’s zie in het combineren van deze twee diensten. Met een bankdienst wordt een specifiek product afgenomen, zoals een krediet of bankrekening; de dienst leidt niet tot een advies voor een trustdienst en biedt ook geen basis voor een trustdienst. Omdat het van elkaar losstaande diensten betreft, is het risico op belangenverstrengeling bij het verrichten van onafhankelijk cliëntenonderzoek niet of nauwelijks aanwezig. In de praktijk van het toezicht is bij de combinatie trustdiensten en bankdiensten ook geen spanning geconstateerd in het kader van het cliëntenonderzoek.

Deskundigheid complianceofficer

Daarnaast heb ik in het debat over de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Handelingen II 2017/18, nr. 102, item 3) toegezegd dat ik in gesprek zou gaan met DNB over benodigde deskundigheid van de complianceofficer bij trustkantoren en de wettelijke verankering hiervan. Een adequate vervulling van de compliancefunctie bij trustkantoren is van cruciaal belang gezien de complexe werkzaamheden met inherent hoge integriteitrisico’s. In samenspraak met DNB is daarom besloten nadere eisen te stellen aan de vervulling van de compliancefunctie. In het Besluit toezicht trustkantoren 2018 is bepaald dat de complianceofficer beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om zijn taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen. Daarnaast is bepaald dat trustkantoren het aantal uren dat personen de compliancefunctie uitvoeren, afstemmen op het aantal cliënten van het trustkantoor, de aard van de activiteiten en de daaraan verbonden integriteitrisico’s. Een onderbouwing van de omvang van de compliancefunctie moet een trustkantoor schriftelijk vastleggen.1

Jaarlijkse rapportage

Bij de behandeling van het verslag van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies (Handelingen II 2017/18, nr. 105, item 8) heb ik toegezegd om DNB, tot de formele evaluatie van de Wet toezicht trustkantoren 2018, jaarlijks een rapportage over de stand van zaken in de trustsector te vragen. Deze rapportage heb ik ook opgenomen in mijn Agenda financiële sector van 17 december 2018.2 Sinds 1 januari 2019 is de wetgeving voor trustkantoren aanzienlijk aangescherpt. Ik vind het van belang dat ikzelf en uw Kamer van de effecten hiervan op de hoogte blijven. Ik zal de Tweede Kamer daarom informeren over deze jaarlijkse rapportages. DNB neemt de rapportage op in haar zbo-verantwoording. De eerste rapportage kan derhalve begin 2020 verwacht worden. Ik vraag DNB bij de eerste rapportage ook specifiek te kijken naar de ontwikkeling van het aantal trustkantoren zoals gevraagd tijdens het debat. De laatste jaren is er een trend zichtbaar dat het aantal trustkantoren daalt en het is denkbaar dat met de strengere regels die afname doorzet. Omdat het van belang is dat deze dienstverlening niet op illegale wijze wordt aangeboden, vraag ik DNB tevens of zij meer signalen krijgt over illegale trustkantoren en hier vaker tegen op moet treden.

Motie over onderzoek naar het verbieden van domicilieverlening

Tot slot ga ik nog graag in op de uitvoering van de motie van de leden Omtzigt en Van Weyenberg die verzoekt om onderzoek te doen naar de mogelijkheden om domicilieverlening door de trustsector aan doorstroomvennootschappen en brievenbusmaatschappijen onmogelijk te maken en hierover binnen een halfjaar aan de Kamer te rapporteren.3 Zowel domicilieverlening samen met het verrichten van aanvullende diensten als het ten behoeve van een cliënt gebruik maken van een doorstroomvennootschap zijn als vergunningplichtige trustdiensten opgenomen in de Wet toezicht trustkantoren 2018.4 Het reguleren van deze werkzaamheden geschiedt conform de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) en de EU anti-witwasregelgeving. Gezien het bovenstaande wil ik mij goed laten informeren over de wenselijkheid en haalbaarheid van een verbod van deze dienstverlening. Omdat deze werkzaamheden zijn opgenomen in de wet die onlangs op 1 januari 2019 in werking is getreden en ik uw Kamer jaarlijks informeer over de werking van de aangescherpte wetgeving, ben ik voornemens om bij de aanbieding van de eerste rapportage over de nieuwe wet uw Kamer te informeren over de mogelijkheid van een verbod op domicilieverlening ten behoeve van doorstroomvennootschappen.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra


X Noot
1

Zie artikel 17 van het Besluit toezicht trustkantoren 2018.

X Noot
2

Kamerstuk 32 013, nr. 200.

X Noot
3

Kamerstuk 34 566, nr. 11.

X Noot
4

Zie artikel 1, eerste lid, onderdelen b en c van het begrip trustdienst.