Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834879 nr. 4

34 879 Wijziging van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 in verband met een wijziging in de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in de Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2017

Nr. 4 VERSLAG

Vastgesteld 23 maart 2018

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

   

Algemeen

1

Financiële gevolgen

2

Artikelsgewijs

3

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nieuwe voorstellen van de Wijziging van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945. Zij zijn verheugd te vernemen dat gekozen is voor een zo eenvoudig mogelijke wijziging. Deze leden hebben slechts één verhelderende vraag.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 in verband met een wijziging in de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in de Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2017. Genoemde leden hebben een aantal vragen over de gevolgen van dit wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie zijn hoogst verbaasd dat wederom een afwijking nodig is van de regels binnen de inkomstenbelasting in box 3 over vaststelling van het vermogen. Eerder is al gerepareerd dat het vervallen van de ouderentoeslag in box 3 zou gaan leiden tot fors hogere vermogensinkomensbijtellingen.

Nu blijkt dat het nieuwe forfaitaire tariefsysteem voor de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv) tot technische problemen zou gaan leiden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De huidige software van de SVB voor het verwerken van deze uitkeringen kan maar één percentage voor het forfaitair rendement aan en geen drie.

Kan de regering aangeven of dit probleem bij de wijziging van het aantal forfaitaire rendementen in box 3 voorzien was? Zo nee, waarom wordt bij wijzigingen in de wetgeving met betrekking tot de vermogensrendementsheffing niet geïnventariseerd in welke wetten de regels om het vermogen of het genoten rendement vast te stellen nog meer doorwerken, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Deze leden hechten eraan dat bij toekomstige wetswijzigingen deze doorwerking wel in de gaten wordt gehouden. Is de regering hiertoe bereid? En kan de regering tevens alvast vooruitkijken naar een toekomstige vermogensrendementsheffing op basis van een werkelijk genoten rendement, zoals zij voornemens is om in te voeren? Wat zullen de gevolgen zijn van een heffing op basis van het werkelijk genoten rendement voor de berekening van de Wubo en de Wuv? Genoemde leden vragen dan zowel naar consequenties voor de uitvoering als naar de verwachte financiële consequenties.

Kennen behalve de Wubo en de Wuv ook andere regelingen die bedoeld zijn voor oorlogsslachtoffers een verrekening met het vermogen, zoals bijvoorbeeld de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR)? Zo ja, wordt de gekozen oplossing bij de Wubo en de Wuv ook voor deze regelingen toegepast? Zo nee, waarom niet? Zijn er naast de SVB nog andere zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) of uitvoeringsorganisaties, denk daarbij aan gemeenten, die technische problemen hebben met de verwerking van de wijzigingsvoorstellen van box 3 per 1 januari 2017? Zo ja, sinds wanneer zijn deze problemen bekend?

De leden van de CDA-fractie hebben ook een vraag over de motivatie van de regering dat mogelijk verwarring kan optreden doordat het hier om personen gaat die bijna exclusief op vergevorderde leeftijd zijn gekomen voor wie veranderingen snel tot verwarring kunnen leiden. Betekent dit dat de Belastingdienst voor hen ook geen veranderingen gaat doorvoeren in de heffing van box 3? Immers de veranderingen in box 3 an sich kunnen toch ook tot verwarring bij deze groep leiden? Zijn er nog meer wijzigingen die voor deze groep tot verwarring zullen leiden of zijn er nog meer groepen die door algemene regels in verwarring kunnen raken?

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van wet en hebben enkele algemene vragen. In het regeerakkoord is afgesproken dat er in deze kabinetsperiode wordt gewerkt aan een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement. Genoemde leden vragen op welke manier dit invloed kan hebben op deze wet.

Financiële gevolgen

Uit de memorie van toelichting maken de leden van de VVD-fractie op dat nieuw toegekende uitkeringen hoger zullen uitvallen dan ze voor 1 januari 2017 waren geweest en dat voor degenen voor wie de uitkeringen opnieuw worden vastgesteld, gemiddeld een hogere uitkering zal volgen dan het geval was geweest vóór 1 januari 2017. Genoemde leden vinden het van belang dat niemand er met deze wijziging op achteruit gaat, en het liefst ook dat iedereen erop vooruit gaat. Graag zien zij dit nog bevestigd. Kan de regering garanderen dat de gehele doelgroep er met deze wijzigingen op vooruit gaat?

De leden van de CDA-fractie zijn blij dat de SVB zelf de uitkeringsgerechtigden heeft aangeschreven met een aanvraagformulier voor een nieuwe vaststelling. Was het, gezien de verwachte hogere uitkomst van de uitkering, niet mogelijk dat de SVB zelf de nieuwe berekening uitvoert zonder verzoek van de uitkeringsgerechtigde?

Hoeveel mensen zijn door de SVB hierover aangeschreven en hoeveel uitkeringsgerechtigden hebben niet gereageerd op de brief van de SVB? Wat was de reden dat in 900 gevallen de uitkering niet is aangepast? Hadden deze gerechtigden een hoger vermogen dan op het moment van de eerdere vaststelling?

De leden van de CDA-fractie vernemen graag van de regering of het feit dat voor deze kleine groep mensen de facto een lagere vermogensrendementsheffing gaat gelden, ook kan betekenen dat de rechter besluit dat dit voor een andere groep mensen ook van toepassing kan zijn.

Artikelsgewijs

Artikel III

De leden van de D66-fractie vragen hoe er in het vervolg nauwer aangesloten kan worden op de fiscale wijzigingen, zodat een dergelijke wijziging niet met terugwerkende kracht in werking hoeft te treden.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De adjunct-griffier van de commissie, Clemens