34 871 Wijziging van de wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen (Stb. 1855, 33) en aanpassing van daarmee verband houdende bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht in verband met het aanbrengen van enkele moderniseringen

J BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 juli 2021

Mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zend ik u hierbij het rapport «Niet boven maar in de wet. Een werkbare en faire regeling voor de opsporing, vervolging en berechting van ambtsdelicten van Kamerleden en bewindspersonen» van de Commissie herziening wetgeving ambtsdelicten Kamerleden en bewindspersonen, dat wij vandaag uit handen van haar voorzitter, de heer Fokkens, mochten ontvangen.

Met het rapport heeft de commissie uitvoering gegeven aan haar opdracht om ons te adviseren over een fundamentele herziening van de wetgeving inzake vervolging en berechting van leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen wegens ambtsdelicten.1

De commissie heeft een hecht doortimmerd rapport uitgebracht, met concrete en bruikbare voorstellen voor noodzakelijke verbeteringen van de huidige wetgeving op dit terrein. Wij zijn de leden van de commissie hiervoor zeer erkentelijk.

De commissie adviseert om tegelijkertijd zowel een wetsvoorstel tot wijziging van de «gewone» wet als een voorstel tot grondwetswijziging in procedure te brengen. Op beide ministeries worden voorbereidingen getroffen om het nieuwe kabinet hier snel beslissingen over te kunnen laten nemen. Uw Kamer zal hierover vanzelfsprekend nader worden geïnformeerd.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Zie Kamerstukken I 2017/18, 34 871, G + bijlagen.

Naar boven