Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834859 nr. 6

34 859 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2018)

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 16 februari 2018

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Van Zuilen

INLEIDING

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2018). Dit wetsvoorstel verstevigt de juridische positie van de toezichthouders op enkele aspecten. Deze leden hebben hierover een aantal vragen. Zij vragen daarbij vooral aandacht voor het mogelijk eenzijdige karakter van de voorstellen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Wijzigingswet financiële markten 2018.Naar aanleiding van het genoemde punt brengen deze leden het volgende naar voren.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij maken gebruik van de gelegenheid voor het stellen van enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en willen de regering nog enkele vragen voorleggen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen over het beloningsbeleid in de financiële sector.

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van de Wijzigingswet financiële markten 2018.

I. ALGEMEEN

§ 1. Inleiding

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering een reeks aan wijzigingen voorstelt, waarbij enkele wijzingen vergaande invloed kunnen hebben op de privacy van betrokkenen. Zij constateren dat desondanks de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geen reactie heeft gegeven op dit wetsvoorstel. Heeft de regering advies gevraagd aan de AP over de proportionaliteit van de verschillende wijzigingsvoorstellen uit deze wet, in het bijzonder de wijziging tot meer informatie-uitwisseling door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) met de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens door de AFM en De Nederlandsche Bank (DNB) met de Dienst Justis? Wanneer dit niet is gevraagd, kan de regering dit alsnog doen en het advies delen met de Kamer?

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat in de consultatieversie van dit wetsvoorstel een onderdeel was opgenomen over beloningsbeleid. Dat onderdeel is niet langer opgenomen in onderhavig wetsvoorstel, vanwege de nog lopende evaluatie van beloningsregels uit de Wft. Deze leden zouden graag vernemen om welke voorstellen het hier precies ging, welke van deze voorstellen zijn vervallen en welke van deze voorstellen op welke momenten alsnog ingediend zullen worden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen voorts of op dit moment inderdaad nog uitzonderingen bestaan op het bonusplafond. Voor welke typen financiële ondernemingen geldt op dit moment geen bonusplafond en waarom geldt dit voor hen niet? Is de regering van plan deze uitzonderingen te laten vervallen en zo ja, wanneer? Is het waar dat de regering van plan was om het bonusplafond van 20% van de vaste beloning te verhogen tot 100% van het vaste salaris? Zo ja, waarom? Wat is er veranderd sinds het moment dat het plafond op 20% werd vastgesteld?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering op dit moment al uitgebreider te reageren op de opmerkingen van de Raad van State omtrent het beloningsbeleid.

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom er geen overgangsrecht bij de wijzigingen over het beloningsbeleid zijn opgenomen. Deze leden vragen dit omdat in 2015 nieuwe richtsnoeren voor het beloningsbeleid vastgesteld zijn. Deze richtsnoeren zijn op 1 januari 2017 in werking getreden. Het wetsvoorstel brengt de Wet op het financieel toezicht (Wft) in overeenstemming met de uitleg die in de richtsnoeren aan de aangepaste richtlijn kapitaalvereisten (CRD IV) wordt gegeven. Daartoe wordt voorgesteld de definitie van de vaste beloning nader te regelen bij algemene maatregel van bestuur en de algehele uitzonderingen voor het bonusplafond te beperken, zodat dochterondernemingen die blijkens de nieuwe richtsnoeren onder de beloningsregels van CRD IV vallen, daar niet langer van worden uitgezonderd. Deze leden vragen de regering dit zo snel mogelijk te regelen.

Ook menen de leden van de SP-fractie dat in de richtsnoeren verduidelijkt wordt dat uit CRD IV voortvloeit dat dochterondernemingen die binnen de vertrouwelijke sfeer vallen, moeten voldoen aan de beloningsregels van CRD IV. Dergelijke dochterondernemingen vallen onder het bereik van de beloningsregels van CRD IV, indien in de voor die dochteronderneming geldende sectorspecifieke regelgeving geen aan CRD IV gelijkluidende regels zijn opgenomen. De voorgenoemde leden menen dat de Wft op dit punt de uitvoering van CRD IV, zoals uitgelegd in de richtsnoeren, in de weg staat, omdat in artikel 1:121, zevende lid, van de Wft een algehele uitzondering van het bonusplafond is opgenomen. Dit betekent dat er binnen de wet een eind komt aan het uniforme bonusplafond van 20% en een onderscheid wordt geïntroduceerd tussen de bonusplafonds voor verschillende ondernemingen onderling. Deze leden vragen de regering of dit consequenties dient te hebben voor bepaalde ondernemingen die onder het huidige regime reeds onder het bonusbeleid vallen. De leden van de SP-fractie vragen de regering dit dusdanig te repareren dat er geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen de verschillende bonusplafonds en hierover transparant aan de Kamer te rapporteren.

§ 2. Informatie-uitwisseling door de AFM met de ACM

De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat gevoelige informatie zonder de juiste waarborgen gedeeld wordt. Welke waarborgen zijn daar concreet voor vastgelegd en om wat voor gegevens gaat dit concreet?

Ten aanzien van de informatie-uitwisseling door de AFM met de ACM willen de leden van de PVV-fractie weten in welke andere situaties zowel de AFM als de ACM tegen een muur aanlopen. Welke organisaties vallen, naast incassobureaus, onder het toezicht van zowel de AFM als de ACM?

De leden van de D66-fractie ondersteunen het doel van verbetering van toezicht door de toezichthouders. Zij zien wel dat verruiming van de mogelijkheden tot informatie-uitwisseling mogelijk knelt met de privacy van betrokkenen. De uitwisseling van gegevens moet zich om die reden beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het toezicht effectief uit te voeren. Hoe wordt deze balans bewaakt? Is er voorzien in een toets op proportionaliteit? Wie zou een dergelijke toets moeten uitvoeren? Wordt de betrokkene op de hoogte gebracht van de uitwisseling van gegevens? Kan de betrokkene hiertegen in beroep gaan en door wie en op basis van welke beginselen wordt dit dan beslecht?

De leden van de D66-fractie ondersteunen voorts een betere samenwerking tussen de AFM en de ACM. Deelt de regering de mening dat verbetering van samenwerking mogelijk is, en zo ja, hoe zet de regering zich hiervoor in?

De leden van de SP-fractie vragen de regering nader in te gaan op de Europeesrechtelijke geheimhoudingsverplichtingen die van toepassing zijn op de informatie die de AFM beschikbaar heeft, en welke informatie daarvan op grond van (bijzondere) Europese regelgeving gedeeld mag worden met de ACM. Deze leden vragen de regering deze informatiedeling mogelijk te maken.

§ 3. Verbod op derdenbeslag onder DNB

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting de overwegingen voor een verbod op derdenbeslag onder DNB. Kan de regering aangeven hoe vaak dit thans voorkomt en om welke bedragen het daarbij gaat? Deze leden constateren dat conservatoir beslag in Nederland relatief gemakkelijk kan worden ingeroepen, namelijk slechts na een marginale toetsing van de rechter. Ligt het niet voor de hand, zo vragen deze leden, het derdenbeslag ten principale te herzien, in plaats van een publieke partij ervan uit te zonderen?

Hoe dan ook zal het voorliggende voorstel tot verbod ertoe leiden dat beslag op andere goederen en tegoeden wordt gelegd, zoals «kantoormeubilair, dienstauto’s of onroerende zaken.» Heeft de regering een beeld van de mate waarin dit meer, dan wel minder ontwrichtend werkt voor de continuïteit van de financiële instelling in kwestie, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De leden van de PVV-fractie willen ten aanzien van het verbod op derdenbeslag onder DNB weten of deze wijziging direct dan wel indirect strategisch gedrag van banken om excessieve liquiditeiten bij DNB aan te houden stimuleert. Zo ja, is dit wenselijk en hoe zal hiermee worden omgegaan? Tevens willen de leden van de PVV-fractie weten in welke mate de voorgestelde wijziging, de kredietverlening aan huishoudens en het bedrijfsleven beperkt.

De leden van de CDA-fractie vragen naar het verbod op derdenbeslag op goederen gestald bij DNB. Is de situatie ooit voorgekomen dat een derdenbeslag op goederen bij DNB als resultaat had dat het betalingsverkeer, al dan niet ernstig, werd verstoord? Zo ja, kan de regering aangeven wanneer dit was en wat de gevolgen daarvan waren? Zo nee, wat is dan de precieze aanleiding om het verbod nu wel in de wet vast te leggen? Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of er met het verbod op derdenbeslag bij DNB niet een grote prikkel ontstaat voor een financiële instelling om maar zo veel mogelijk goederen bij DNB te stallen, omdat op deze goederen nooit beslag door een derde kan worden gelegd? Hoe beoordeelt de regering een dergelijke prikkel?

De leden van de D66-fractie lezen dat de voorzieningenrechter in het verleden heeft geoordeeld dat het algemeen belang van een stabiel betalingsverkeer niet altijd zwaarder weegt dan de belangen van een individuele schuldeiser. Wat was hierbij de redenering van de rechter en waarom is de regering het niet eens met deze redenering?

De leden van de SP-fractie vragen de regering aan te geven hoe vaak een derdenbeslag bij DNB voorkomt en in hoeverre dat om bedragen gaat die het betalingsverkeer daadwerkelijk verstoren. Welke redenen zijn aangemerkt voor het plaatsgevonden derdenbeslag, zo vragen deze leden. De regering kwalificeert de schade aan grote belangen als «niet geheel denkbeeldig». Kan de regering aangegeven in welke situaties het wel denkbeeldig is? Wanneer is de regering tot het inzicht gekomen dat er grote risico’s zijn bij een derdenbeslag? De voorgenoemde leden vinden het belangrijk om goed zicht te krijgen op de analyses die leiden tot dit verbod, omdat het de mogelijkheden voor gedupeerde partijen ernstig aantast. De regering wijst er voorts op dat een verbod ook bestaat in andere landen. Zij willen weten of er ook landen zijn die geen verbod kennen.

§ 4. Verlengen beslistermijn aanvraag bankvergunning

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de beslissing over een vergunningverlening in de praktijk zo dikwijls wordt opgeschort, dat het realistischer is de beslistermijn te verlengen. De mogelijkheid tot opschorting wordt echter niet beperkt. Evenmin blijkt uit de memorie van toelichting een poging het proces daadwerkelijk te verkorten, afgezien van de in paragraaf 8 genoemde informatievoorziening. Kan de regering aangeven welke pogingen tot verkorting van de procedure zijn of worden ondernomen? Hoe staat het met de «bankvergunning-light», die de fracties van de VVD en D66 hebben bepleit als startkwalificatie?

De leden van de VVD-fractie constateren dat de onzekerheid bij markttoetreders niet wordt weggenomen, maar juist toeneemt. Tegelijkertijd is de bankensector in hoge mate geconcentreerd en is toetreding van nieuwe marktpartijen gewenst. Hoe ziet de regering de ontwikkeling van de marktstructuur? Welke maatregelen zijn voorzien om de aanbodkant te verbeteren en toetredingsdrempels te verlagen?

De leden van de PVV-fractie willen weten waarom de regering heeft gekozen voor het verlengen van de wettelijke beslistermijn. Hoe verhoudt dit zich tot de breed gedragen wens van de Kamer om toetredingsbarrières weg te nemen, mede gelet op het gegeven dat hiermee bewerkstelligd kan worden dat het voor nieuwe toetreders langer kan duren om een bankvergunning te krijgen? Actal geeft immers aan naarmate het traject duurt, dit ook meer kosten met zich meebrengt. Welke andere toetredingsbarrières zijn er en op welke wijze kunnen deze worden weggenomen?

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering wel de beslistermijn voor verlening van een bankvergunning wil verlengen van 13 naar 26 weken, maar tegelijkertijd niet de mogelijkheden voor opschorting beperkt. Zij vragen de regering waarom zij van mening is dat dit meer duidelijkheid schept richting de aanvrager. Deze leden constateren voorts dat de duur van de procedure bij de Europese Centrale Bank (ECB) mede wordt aangedragen als reden voor verlenging van de beslistermijn. De procedure van de ECB is echter niet veranderd en bedraagt maximaal 20 dagen. Waarom is de regering van mening dat dit een verdubbeling van de beslistermijn legitimeert? In hoeverre is de regering van mening dat dit proportioneel is, ook gezien de kosten van een langere beslistermijn voor de aanvrager?

De leden van de D66-fractie constateren voorts dat de regering niet eveneens inzet op een effectievere en efficiëntere inrichting van de procedure. Een toets van hoge kwaliteit is essentieel voor de stabiliteit van de financiële sector. De voorgenoemde leden zijn van mening dat gekeken moet worden hoe de procedure versneld kan worden zonder aan kwaliteit in te boeten. Zij vragen hoe de regering zich tegelijkertijd hiervoor inzet en of dit mogelijkheden biedt de verlenging van de beslistermijn te beperken.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat een verlening van de toets voor alle aanvragers disproportioneel is. Zij zijn van mening dat er een relatie moet bestaan tussen het type activiteit dat een aanvrager wil ontplooien en de voorwaarden die worden gesteld aan een vergunning. Een «bankvergunning light» voor aanvragers die activiteiten willen ontplooien met beperkt risico, zou daarom een minder lange beslistermijn kunnen hebben. Een dergelijke vergunning in lichtere vorm stimuleert de toetreding van innovatieve bedrijven en concurrentie binnen de sector. Wanneer deelt de regering de uitwerking van een «bankvergunning light» met de Kamer?

De leden van de SP-fractie zouden graag een overzicht ontvangen van de problemen die zich voordoen bij een aanvraagtermijn van een kwart jaar, teneinde goed te kunnen beoordelen of de verdubbeling van de termijn naar een half jaar ook echt nodig is. Deze leden vinden het zorgelijk dat toezichthouders zo lang nodig hebben om te beoordelen of een aanvraag wel of niet kan leiden tot een vergunning. Wat zegt dit precies over de mogelijkheid toe te treden tot het bancaire systeem? De voorgenoemde leden hebben de indruk dat dit de belangen van bestaande (groot-)banken dient en betreuren dat de regering dit voorstelt zonder duidelijke onderbouwing van de problemen in de huidige situatie. Ook hier willen de leden van de SP-fractie graag een overzicht van de termijnen van andere landen. Zij erkennen dat het starten van een bank geen sinecure is, maar dat er wel behoefte is aan vernieuwing in het aanbod, zoals bijvoorbeeld de full reserve of de depositobank proberen te bieden.

De leden van de SP-fractie zijn voorts verbaasd dat de ECB mee moet kijken naar de vergunning, omdat de toezichtrol van de ECB zich alleen uitstrekt tot grootbanken. Kan de regering dit uitleggen?

§ 5. Gebruik informatiesysteem inzake beroepskwalificaties door de AFM

De leden van de VVD-fractie juichen deze reductie in administratieve lasten voor kleine adviseurs en ondernemers toe. Zij vragen welke stappen de regering verder zal zetten om de lasten te verminderen. Is duidelijk in kaart gebracht welke bepalingen voor kleine ondernemers de grootste administratieve lasten opleveren en worden er stappen gezet om deze te verminderen?

De leden van de D66-fractie ondersteunen een efficiëntere inrichting van de controle van beroepskwalificaties door de AFM. Zij begrijpen dat de AFM niet direct toegang krijgt tot individuele dossiers, maar dit uitvraagt bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Zij vragen de regering hoe accountants inzicht krijgen in de gegevens die DUO van hen heeft, zodat zij zelf ook kunnen kijken of hun dossier klopt en compleet is. Zij vragen voorts of DUO ook diploma’s die zijn behaald in het buitenland, waaronder diploma’s behaald buiten de EU, verifieert en opneemt in een dossier. Blijft voor accountants van buiten Europa, die ook hun diploma’s buiten Europa hebben behaald, de huidige procedure bestaan?

De leden van de SP-fractie steunen een praktische werkwijze om te kunnen beoordelen of een adviseur vakbekwaam is. Zij vinden het zorgelijk dat het huidige systeem veel tijd kost voor de adviseur en de toezichthouder. Zijn er plannen om het voor de toekomst mogelijk te maken een minder intensieve vorm dan de huidige te hanteren voor medewerkers van een adviesbureau? Deze leden willen daar wel op aandringen, omdat het geen goed signaal is dat de vakbekwaamheid van een adviesbureau met de eigenaar als adviseur wel wordt bijgehouden en voor werknemers van grotere kantoren niet. Zij zien hier een gat in het toezicht en willen graag dat dat op een zo praktisch mogelijke manier wordt gedicht.

§ 6. Overige wijzigingen

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de overige wijzigingen die de regering voorstelt. Zij lezen dat de regering de samenstelling van de Accountantskamer flexibeler wil maken. Zij vragen de regering hoe daarbij de onafhankelijkheid van de Accountantskamer wordt geborgd. Hoe wordt gegarandeerd dat een tijdelijk lid van de Accountantskamer geen huidige of historische betrokkenheid heeft bij de voorliggende casus?

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat wordt voorgesteld de AFM en DNB meer mogelijkheden te bieden om vertrouwelijk informatie te verstrekken aan de Dienst Justis. Zij vragen de regering of er in de huidige situatie knelpunten zijn bij de Dienst Justis teneinde misbruik te constateren. Hebben deze knelpunten geleid tot het onterecht verlenen van een Verklaring Omtrent het Gedrag? Is de regering van mening dat het vergroten van de mogelijkheden om vertrouwelijke informatie uit te wisselen proportioneel is? Welke beperkingen worden aan de ruimere mogelijkheden voor informatie-uitwisseling gesteld? Welke waarborgen worden ingevoerd om te garanderen dat alleen noodzakelijke informatie wordt gedeeld? Wordt de betrokkene wiens gegevens worden gedeeld op de hoogte gesteld hiervan? Kan hij of zij hiertegen in beroep gaan?

§ 7. Regeldruk

De leden van de CDA-fractie nemen met instemming kennis van de besparingen die de AFM behaalt door het op een andere manier opvragen van gegevens bij DUO. De aan het woord zijnde leden vragen naar de wijze waarop deze besparing zal worden ingezet. Komt deze ten goede aan de begroting van de AFM of wordt het bedrag weer teruggeslagen op de bedrijven die de begroting van de AFM betalen?