34 843 Seksuele intimidatie en geweld

A VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 april 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie over het rapport van GREVIO «Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation report». Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 23 december 2025.

  • De antwoordbrief van 7 april 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Graag

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan Minister van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 23 december 2025

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben met belangstelling kennisgenomen van het rapport van GREVIO «Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence», dat op 21 oktober 2025 is gepubliceerd onder de titel «Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation».2 De leden van de fracties van de BBB en D66 hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De fractieleden van de BBB achten de noodzaak voor het agenderen van het GREVIO-rapport helder. Femicide is geen incident, maar een probleem. Elke acht dagen wordt in ons land een vrouw of meisje vermoord, vaak door een partner of ex-partner. Het rapport bevat een evaluatie van de Nederlandse inspanningen om geweld tegen vrouwen en meisjes te bestrijden.

In het rapport is op diverse plaatsen aangegeven dat kleine stappen ter bestrijding van femicide al resultaat kunnen hebben. Genoemd werd in dit kader één aanspreekpunt binnen de politie.3 De Tweede Kamer heeft hierover al anderhalf jaar geleden verschillende moties ingediend.4 Deze moties zijn nog niet uitgevoerd. Kunt u toezeggen dat deze moties op korte termijn worden uitgevoerd?

In het Notaoverleg in de Tweede Kamer hebben bewindspersonen meerdere keren toegezegd «zo snel als het maar kan» zaken op te pakken.5 De fractieleden van de BBB vragen u welke acties concreet dit jaar nog opgepakt worden en welke acties voor 2026 geagendeerd zijn.

Ook seksuele voorlichting en seksuele educatie kwamen in het overleg in de Tweede Kamer aan de orde als onderdeel van de aanpak. Uit een aantal casussen van geweld tegen vrouwen, met name door jonge mannen, blijkt dat hun beeld van seksualiteit en de omgang met vrouwen heel sterk gedefinieerd wordt door de porno die ze voortdurend online zien. Voornoemde leden vragen wanneer deze voorstellen daadwerkelijk opgepakt gaan worden.6

In het eerdergenoemde Notaoverleg is ook meerdere keren ingegaan op het ingewikkelde onderwerp hoe een levensovertuiging zich verhoudt tot veiligheid van personen, in dit geval van vrouwen.7 Deze leden hebben daarover nog de volgende vragen:

Hoe kunt u de veiligheid van vrouwen en meisjes waarborgen in religieuze gemeenschappen waar bijna absolute vrijheid van organisatie binnen de vrijheid van religie geldt?

Op welke wijze kunt u de veiligheid van vrouwen en meisjes in deze gemeenschappen waarborgen als er geen zicht is op de prevalentie van (seksueel) geweld tegen vrouwen en meisjes in religieuze gemeenschappen in Nederland? Afgezien van het rapport van de commissie Deetman over de Rooms-Katholieke kerk is er immers geen grootschalig onderzoek gedaan naar (seksueel) geweld binnen religieuze gemeenschappen, zo stellen de leden van de BBB-fractie.

Hoe kunt u hulp bieden aan slachtoffers van (seksueel) geweld uit religieuze gemeenschappen wanneer binnen sommige gemeenschappen het zoeken van hulp van buiten wordt ontmoedigd of zelfs onmogelijk wordt gemaakt?

Hoe kan de Nederlandse overheid de veiligheid van vrouwen in religieuze gemeenschappen waarborgen als er gemeenschappen zijn waarin verkrachting binnen het huwelijk nog altijd wordt gezien als huwelijkse plicht?

De invloed van conservatieve (religieuze) influencers (vaak getypeerd als manosfeer) op kinderen en jongeren is enorm, aldus de fractieleden van de BBB. Hierin worden stereotype opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid (bijvoorbeeld tradwives) onder een groot en zeer jong publiek verspreid. Dit heeft mogelijk twee gevolgen: Het taboe op mannelijk slachtofferschap wordt verder versterkt en (seksueel) geweld tegen vrouwen/meisjes wordt genormaliseerd. Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling als het om de veiligheid van vrouwen en meisjes gaat. De Staatssecretaris antwoordde dat zij deze onderdelen zou gaan uitzetten.8 Deze leden ontvangen graag een update en vervolg.

Femicide is de meest voorspelbare moord en daarom ook de meest voorkombare.9 In 2024 heeft de toenmalig Staatssecretaris Coenradie de toezegging gedaan om in 2025 met een wetsvoorstel te komen om psychisch geweld expliciet strafbaar te stellen. De fractieleden van de BBB vragen naar de status van het beoogde wetsvoorstel.

Deze leden hebben eerder gezien dat de aanpak van femicide en huiselijk geweld begint met goede bedoelingen, maar strandt op versnippering. Vier ministeries, tientallen gemeenten, Veilig Thuis, politie, het Openbaar Ministerie: nog steeds vallen vrouwen tussen wal en schip. In de genoemde initiatiefnota zijn veertien voorstellen geformuleerd.10 De fractieleden van de BBB verzoeken u om de beantwoording van vragen in het kader van de initiatiefnota en ook de implementatie van de initiatiefnota ter informatie voor te leggen aan de Eerste Kamer.

Tot slot maken merken de leden van de BBB-fractie op dat tijdens een bijeenkomst op 25 november 2025 over de onderdrukking van vrouwen in Iran werd vermeld dat Zahra Tabari, één van de vrouwelijke politieke gevangenen in Iran, ter dood veroordeeld is, enkel omdat in haar huis een stuk stof werd gevonden met de slogan «Vrouw, Verzet, Vrijheid» erop.11 Er is een brede internationale campagne opgezet om deze executie te voorkomen. De fractieleden van de BBB vragen of het Nederlandse kabinet zich uit wil spreken vóór deze campagne en bereid is zich in te spannen om deze campagne tot een succes te maken.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 willen u graag enkele vragen stellen over de Nederlandse aanpak van femicide en de onderliggende structurele factoren die in het onlangs verschenen thematische evaluatierapport van GREVIO worden benoemd.

De fractieleden van D66 merken op dat GREVIO constateert dat in de periode 2014–2023 maar liefst 75% van de vermoorde vrouwen is gedood door een (ex-)partner of familielid, en dat deze aantallen al jaren nagenoeg constant blijven. Volgens GREVIO ontbreekt het in Nederland aan een voldoende geïntegreerd en gendersensitief kader om de risico’s op gender gerelateerd dodelijk geweld tijdig te herkennen en daarop te interveniëren. De fractieleden van D66 vragen hoe u deze bevinding duidt, en in het bijzonder of u erkent dat een structureel genderbewuste benadering van partnergeweld noodzakelijk is om femicide te voorkomen. Deze leden vragen tevens of in het Stop Femicide! Actieplan concrete reductiedoelen of indicatoren zijn opgenomen, en zo ja, welke. Ook vernemen zij graag op welke wijze u gaat monitoren of de beoogde effecten daadwerkelijk worden bereikt.

In dit verband wijzen deze leden ook op praktijkvoorbeelden binnen Nederland die mogelijk aanknopingspunten bieden voor verbetering. Wat kan men leren van de Rotterdamse aanpak om femicide en geweld tegen vrouwen tegen te gaan? In Rotterdam is er één officier van justitie die gespecialiseerd is in deze problematiek en die geheel is vrijgemaakt om alle aspecten van geweld tegen vrouwen mee te nemen in het behandelen van strafzaken. Daarmee worden positieve resultaten geboekt. Waarom krijgt deze aanpak geen navolging in andere arrondissementen?

Voorts merken de fractieleden van D66 op dat GREVIO herhaaldelijk kritische kanttekeningen plaatst bij de conceptualisering van huiselijk geweld als «geweld in afhankelijkheidsrelaties», omdat deze term het risico in zich draagt dat intiem partnergeweld wordt geduid als een wederzijds conflict en niet als geweld met een duidelijke primaire agressor. Dit zou volgens GREVIO ertoe kunnen leiden dat interventies van onder meer Veilig Thuis en wijkteams onvoldoende oog hebben voor machtsverschillen, controlerend gedrag en eerdere signalen van escalatie. Hoe beoordeelt u deze kritiek en op welke wijze wordt gewaarborgd dat professionals genderspecifieke risicofactoren – zoals eerdere niet-fatale verstikking, stalking en coercive control – systematisch meenemen in hun risicotaxatie en besluitvorming?

Daarnaast wijzen deze leden erop dat GREVIO stelt dat de huidige Nederlandse beschermingsmaatregelen, zoals het tijdelijk huisverbod, onderbenut worden en bovendien een hogere risicodrempel kennen dan de Istanbulconventie vereist. Deze leden vragen u waarom Nederland bij het opleggen van huis- en contactverboden een hogere drempel hanteert dan internationaal noodzakelijk is, of zij erkent dat dit kan leiden tot het missen van cruciale interventiemomenten bij dreigend dodelijk geweld, en of zij bereid is de wettelijke criteria te herzien. Ook vragen deze leden waarom kinderen niet automatisch onder een huisverbod vallen, terwijl zij vaak mede gevaar lopen bij escalatie van partnergeweld, en of u bereid bent dit te corrigeren. Klopt het dat het huisverbod aan een bepaalde termijn is gebonden en dat het meer dan incidenteel voorkomt dat de dader na afloop van die termijn naar huis terugkeert en dat de vrouw (met kinderen) elders opvang moet zien te krijgen? Heeft u plannen om aan die situatie een eind te maken?

GREVIO signaleert bovendien dat de opvangcapaciteit voor vrouwen die risico lopen op ernstig of dodelijk geweld in meerdere regio’s onvoldoende is, en dat vrouwen die met meervoudige discriminatie te maken hebben – zoals vrouwen zonder verblijfsstatus, vrouwen met een beperking en jonge vrouwen – soms moeilijk toegang krijgen tot veilige opvang. Hoe verklaart u deze tekorten? Welke stappen worden gezet om de regionale verschillen in beschikbaarheid te verkleinen, en hoe wordt gewaarborgd dat ook ongedocumenteerde vrouwen toegang hebben tot bescherming, conform de verdragsverplichtingen?

Verder wijzen deze leden op de constatering van GREVIO dat Nederland geen uniform systeem kent voor de registratie en monitoring van femicide, en dat vermoedelijk aan geweld gerelateerde zelfdodingen van vrouwen helemaal niet in beeld zijn. Bent u bereid om een landelijke monitor femicide en gender gerelateerd dodelijk geweld in te richten, waarin onder meer de relatie tot de dader, eerdere meldingen, aanwezige risicofactoren en keteninterventies worden opgenomen. Ook vragen zij of u voornemens bent om, naar het voorbeeld van andere landen, bij elke voltooide femicide een onafhankelijke casusbespreking in te stellen om te bezien of eerdere signalen zijn gemist.

Daarnaast willen de fractieleden van D66 weten hoe u staat tegenover de beslissing van het Italiaanse parlement om femicide aan te merken als een apart misdrijf, afzonderlijk van moord. In Italië gaat femicide voortaan gestraft worden met een levenslange gevangenisstraf. Andere Europese landen zoals Malta, Kroatië en Cyprus zijn hiermee al voorgegaan. Graag ontvangen deze leden uw reflectie op deze ontwikkeling en of u dit voor Nederland een begaanbare weg acht.

In het Verenigd Koninkrijk is Clare’s Law ingevoerd: vrouwen kunnen bij de politie informeren of hun (nieuwe) partner een geschiedenis van geweld tegen vrouwen heeft, en de politie kan ongevraagd een vrouw op de hoogte brengen dat haar nieuwe partner bekend is bij de politie vanwege geweld tegen vrouwen in eerdere relaties. In de Tweede Kamer is hierover de motie van het Kamerlid Van der Werff c.s. aangenomen.12 Hoe staat het met de uitwerking van dit voorstel voor de Nederlandse wetgeving? Zijn er binnen de privacywetgeving nog hindernissen die een adequate bescherming van vrouwen tegen geweld achter de voordeur in de weg staan? Kunt u deze hindernissen beschrijven en aangeven of, en zo ja hoe, u die wil opheffen?

Deze leden merken op dat GREVIO aandacht vraagt voor de wisselwerking tussen partnergeweld en het familierecht, waaronder de inzet van mediation en omgangsregelingen zonder voorafgaande screening op geweld. De fractieleden van D66 vragen of u erkent dat dit risico’s oplevert voor vrouwen die zich in een onveilige situatie bevinden, en of u bereid bent te komen tot een verplicht onderzoek naar partnergeweld voordat mediation of andere contactbevorderende maatregelen worden voorgesteld. In dit verband vragen deze leden of u kennis heeft genomen van het interview in de Volkskrant van 4 december 2025 met jeugd- en familierechter Ellen van Kalveen.13 Zij erkent dat niet alle familierechters kennis hebben van wat intieme terreur inhoudt voor vrouwen en kinderen. Bovendien wisselen strafrechters en familierechters niet alle relevante informatie uit, waardoor het kan voorkomen dat de familierechter beslissingen over gezag, voogdij en omgang neemt zonder dat kennis is genomen van bezwaren die in het strafdossier voorkomen. Hoe reageert u hierop? Bent u bereid om met de rechterlijke macht na te gaan hoe de informatie-uitwisseling kan verbeteren?

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag voor 3 februari 2026.

Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 april 2026

De BBB- en D66-fractie van de Eerste Kamer hebben de Minister van Justitie en Veiligheid vragen gesteld over het rapport van GREVIO «Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence».

Gezien mijn coördinerende rol op dit onderwerp, zend ik u, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, de antwoorden op deze vragen.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk

Antwoorden op vragen van de BBB- en D66-fractie van de Eerste Kamer over het rapport van GREVIO «Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence» (179257 ingezonden 23 december 2025)

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

1.

De fractieleden van de BBB achten de noodzaak voor het agenderen van het GREVIO-rapport helder. Femicide is geen incident, maar een probleem. Elke acht dagen wordt in ons land een vrouw of meisje vermoord, vaak door een partner of ex-partner. Het rapport bevat een evaluatie van de Nederlandse inspanningen om geweld tegen vrouwen en meisjes te bestrijden.

In het rapport is op diverse plaatsen aangegeven dat kleine stappen ter bestrijding van femicide al resultaat kunnen hebben. Genoemd werd in dit kader één aanspreekpunt binnen de politie14. De Tweede Kamer heeft hierover al anderhalf jaar geleden verschillende moties ingediend.15 Deze moties zijn nog niet uitgevoerd. Kunt u toezeggen dat deze moties op korte termijn worden uitgevoerd?

Antwoord

De fractieleden van de BBB vragen naar de voortgang van de moties inzake het aanwijzen van één aanspreekpunt binnen de politie en verzoeken om een toezegging dat deze moties op korte termijn worden uitgevoerd16. Het kabinet herkent het belang dat de fractieleden van BBB hechten aan concrete verbeteringen in de aanpak van femicide en aanverwante vormen van geweld, zoals ook benoemd in het GREVIO-rapport en werkt daarom aan de uitvoering van de moties.

Dit gebeurt door een verbetertraject, parallel aan het vergelijkbare traject voor slachtoffers van seksueel geweld en misbruik, waarin wordt gewerkt aan het verbeteren van het contact met slachtoffers van (ex-)partnerstalking en aan de samenwerking tussen ketenpartners, steeds aansluitend bij de behoeften van slachtoffers17. Aanleiding hiervoor vormen de bevindingen uit het rapport Gestalkt, gezien, gehoord? van de Inspectie van Justitie en Veiligheid. Binnen dit verbetertraject werken onder meer de politie, het Openbaar Ministerie, Veilig Thuis, de Reclassering, de VNG en Slachtofferhulp Nederland samen. Daarbij wordt tevens gebruikgemaakt van expertise vanuit de advocatuur.

De eerste fase van dit traject is in januari 2026 afgerond. Dit heeft eerste inzichten opgeleverd over wat nodig is om het contact met slachtoffers van (ex-) partnerstalking gedurende de vaak langdurige stalking te verbeteren. Dit vraagt verdere uitwerking bijvoorbeeld over de precieze rol van elke organisatie. Tegelijkertijd is er sprake van urgentie voor de slachtoffers en hebben de organisaties ook de behoefte om snel over te gaan tot actie en te leren in de praktijk. Samen met de betrokken organisaties gaat het Ministerie van Justitie en Veiligheid de eerste helft van 2026 verder met de benodigde uitwerking en het voorbereiden van het toepassen van de opgedane inzichten in de praktijk. In dat licht kan op dit moment geen toezegging worden gedaan over het moment van de afdoening van de genoemde moties. Dit hangt namelijk af van de verdere besluitvorming die zal worden gebaseerd op de uitkomsten van dit lopende verbetertraject.

2.

In het Notaoverleg in de Tweede Kamer hebben bewindspersonen meerdere keren toegezegd «zo snel als het maar kan» zaken op te pakken.18 De fractieleden van de BBB vragen u welke acties concreet dit jaar nog opgepakt worden en welke acties voor 2026 geagendeerd zijn.

Antwoord

Op 18 december jl.19 heeft de Tweede Kamer de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling ontvangen met daarin een overzicht van concrete acties.

In 2026 zet het kabinet in op het versterken van de coördinatie van de aanpak geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling met de aanstelling van een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld. Deze coördinator is ambtelijk en valt onder de verantwoordelijkheid van de coördinerend bewindspersoon, de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Samen met een klein team realiseert de Nationaal Coördinator samenhang en overzicht door het ontwikkelen van een Nationaal Actieplan en het sturen op daadwerkelijke uitvoering hiervan. Voor gemeenten en uitvoeringsorganisaties wordt de Nationaal Coördinator het primaire aanspreekpunt. Lessen en ervaringen uit eerdere programma’s worden meegenomen en benut in het nationaal actieplan, en daarbij wordt afgestemd met de huidige regeringscommissaris.

Daarbij werkt het kabinet aan de inrichting van een adviesorgaan of -organen zoals voorgeschreven in artikel 22 van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Dit is begin 2027 afgerond.

3.

Ook seksuele voorlichting en seksuele educatie kwamen in het overleg in de Tweede Kamer aan de orde als onderdeel van de aanpak. Uit een aantal casussen van geweld tegen vrouwen, met name door jonge mannen, blijkt dat hun beeld van seksualiteit en de omgang met vrouwen heel sterk gedefinieerd wordt door de porno die ze voortdurend online zien. Voornoemde leden vragen wanneer deze voorstellen daadwerkelijk opgepakt gaan worden.20

Antwoord

Binnen het herziene wettelijk verplicht curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs is reeds aandacht opgenomen voor respectvolle omgang met seksualiteit en (seksuele) diversiteit. De kerndoelen en examenprogramma’s geven kinderen en jongeren in den brede kennis en vaardigheden die bijdragen aan een brede relationele en seksuele vorming. Dit gaat ook over wensen en grenzen, en kritisch omgaan met wat men online tegenkomt. Scholen hebben de ruimte om binnen deze kaders specifiek aandacht te besteden aan thema’s als pornografie en omgang onderling.

4.

In het eerdergenoemde Notaoverleg is ook meerdere keren ingegaan op het ingewikkelde onderwerp hoe een levensovertuiging zich verhoudt tot veiligheid van personen, in dit geval van vrouwen.21 Deze leden hebben daarover nog de volgende vragen:

Hoe kunt u de veiligheid van vrouwen en meisjes waarborgen in religieuze gemeenschappen waar bijna absolute vrijheid van organisatie binnen de vrijheid van religie geldt?

Antwoord

De veiligheid van vrouwen en meisjes, al dan niet in religieuze gemeenschappen, kan worden gewaarborgd door een combinatie van preventie, (vroeg)signalering, juridische begrenzing en gerichte bescherming, waarbij de vrijheid van godsdienst wordt gerespecteerd maar nooit absoluut is.

De vrijheid van godsdienst beschermt onder andere het belijden van een godsdienst en de individuele invulling van die belijdenis. Deze vrijheid kent echter grenzen wanneer religieuze overtuigingen of praktijken leiden tot schending van fundamentele rechten van anderen, zoals het recht op lichamelijke integriteit, vrijheid en veiligheid. Dit betekent dat niet alle gedragingen kunnen worden gerechtvaardigd met een beroep op de vrijheid van godsdienst. De wet stelt duidelijke grenzen aan de belijdenis. Zo zijn bepaalde gedragingen strafbaar gesteld, ongeacht de religieuze context waarin zij plaatsvinden. Hieronder vallen bijvoorbeeld uitlatingen die aanzetten tot geweld, bedreigingen en mishandelingen. Die gedragingen kunnen strafrechtelijk vervolgd worden door het Openbaar Ministerie. De vrijheid van organisatie binnen de vrijheid van religie, mag derhalve niet leiden tot het beperken van de vrijheid, autonomie en grondrechten van vrouwen en meisjes. De veiligheid van vrouwen en meisjes, ook binnen religieuze gemeenschappen, maken onderdeel uit van de aanpak geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.

5.

Op welke wijze kunt u de veiligheid van vrouwen en meisjes in deze gemeenschappen waarborgen als er geen zicht is op de prevalentie van (seksueel) geweld tegen vrouwen en meisjes in religieuze gemeenschappen in Nederland? Afgezien van het rapport van de commissie Deetman over de Rooms-Katholieke kerk is er immers geen grootschalig onderzoek gedaan naar (seksueel) geweld binnen religieuze gemeenschappen, zo stellen de leden van de BBB-fractie.

Antwoord

Vooropgesteld staat dat de bescherming van en hulpverlening aan slachtoffers van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen gericht is op alle slachtoffers, ook slachtoffers uit religieuze gemeenschappen. Het specifiek vaststellen van de prevalentie van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen wordt bemoeilijkt door het verborgen karakter van dit geweld. Er zijn diverse prevalentieonderzoeken waarmee wordt geprobeerd zicht te krijgen op de aard en omvang van verschillende vormen van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen. Voorbeelden zijn de prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag, het prevalentieonderzoek schadelijke praktijken en het prevalentieonderzoek ouderenmishandeling. In deze prevalentieonderzoeken wordt geen uitsplitsing gemaakt naar religie.

Daarnaast wordt momenteel het onderzoek «Seksueel grensoverschrijdend gedrag in religieuze gemeenschappen; een verkenning van de visie op en omgang met ervaringen en hulpvragen van slachtoffers» uitgevoerd. De bevindingen uit eerdere onderzoeken naar seksueel geweld binnen bepaalde religieuze gemeenschappen en de meldingen van misbruik in andere religieuze gemeenschappen in binnen- en buitenland gaven aanleiding tot het opzetten van een breed onderzoek naar het fenomeen van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen religieuze gemeenschappen, de (veranderde) omgang daarmee de afgelopen 20 jaar en de gevolgen voor het slachtoffer. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) is eind 2023 in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid gestart met dit onderzoek. Er worden verschillende geloofsgemeenschappen en organisaties onderzocht en bij het onderzoek betrokken. Het onderzoek heeft vier verschillende doelen:

  • 1. In kaart brengen van de visie op en omgang met seksueel misbruik in een religieuze context in binnen- en buitenland en de factoren die hiermee samenhangen;

  • 2. Het verkrijgen van een actueler beeld van de prevalentie van seksueel misbruik in religieuze gemeenschappen;

  • 3. Inzicht krijgen in de hulpvraag van slachtoffers van seksueel misbruik in religieuze gemeenschappen;

  • 4. Inzicht krijgen in de omgang met en hulpverlening aan slachtoffers van seksueel misbruik in religieuze gemeenschappen.

De onderzoeksresultaten worden voor de zomer van 2026 opgeleverd, voorzien van een beleidsreactie waarbij wordt ingegaan op de aanbevelingen.

6.

Hoe kunt u hulp bieden aan slachtoffers van (seksueel) geweld uit religieuze gemeenschappen wanneer binnen sommige gemeenschappen het zoeken van hulp van buiten wordt ontmoedigd of zelfs onmogelijk wordt gemaakt?

Antwoord

Het is van groot belang dat alle slachtoffers van (seksueel) geweld hulp ontvangen en weten waar zij terecht kunnen voor deze hulp. Dat geldt ook voor slachtoffers uit religieuze gemeenschappen. Er zijn verschillende organisaties die zich richten op (toeleiding naar) hulpverlening voor alle slachtoffers van dit geweld, dus ook uit religieuze gemeenschappen, en er wordt op verschillende manieren ingezet op het verbeteren van de toeleiding naar hulpverlening. Een voorbeeld is de subsidie aan stichting «Veilige Kerk» die van 2023 tot en met 2025 is verstrekt. Het doel van dit subsidieproject was het versterken van de inzet om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld te voorkomen en aan te pakken. Stichting Veilige Kerk stimuleert onder andere het gesprek over seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, gedragscodes en protocollen, (bij)scholing van vertrouwenspersonen en de inrichting van meldpunten met doorverwijzingen naar professionele hulpverleners en/of klachtenprocedures. Om de juiste hulp aan slachtoffers te bieden werkt Veilige Kerk samen met het Centrum Seksueel Geweld en Slachtofferhulp Nederland. Zo was er een samenwerking voor de Lotgenotendag en de landelijke conferentie «Veilige Kerk – een hoopvol perspectief» waar 550 predikanten, voorgangers, christelijke organisaties, kerkelijk werkers en slachtoffers aanwezig waren. Ook heeft Veilige Kerk de website uitgebreid met informatie voor slachtoffers, ervaringsverhalen, bijdragen van deskundigen en best practices. Daarnaast wordt momenteel een onderzoek uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) naar de hulpvraag van, omgang met en hulpverlening aan slachtoffers van seksueel misbruik uit religieuze gemeenschappen (zie ook het antwoord op vraag 5).

Specifiek voor hulp aan en doorverwijzing van slachtoffers van onveiligheid en dwingende controle in gesloten groeperingen bestaat het Hulppunt Onder Controle (HOC) van Fier. Hier kunnen ook personen terecht met vragen over mogelijke onveilige situaties die zich afspelen binnen religieuze gemeenschappen. Fier heeft expertise verworven op dit gebied en verwijst door naar specialistische ondersteuning wanneer noodzakelijk en/of gewenst.

7.

Hoe kan de Nederlandse overheid de veiligheid van vrouwen in religieuze gemeenschappen waarborgen als er gemeenschappen zijn waarin verkrachting binnen het huwelijk nog altijd wordt gezien als huwelijkse plicht?

Antwoord

Om vrouwen te beschermen tegen verkrachting binnen het huwelijk neemt het kabinet zowel strafrechtelijke als hulpverlenende en preventieve maatregelen.

Seks zonder wederzijdse toestemming wordt gezien als seksueel geweld en is strafbaar gesteld in de artikelen 240 tot en met 244 van het Wetboek van Strafrecht. Wanneer sprake is van aanranding of verkrachting is het wettelijk niet vereist om dwang te bewijzen. Wanneer een persoon weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de ander geen seks (meer) wilde en de handeling desondanks is begonnen of heeft doorgezet, is dit een strafbaar feit, ongeacht de huwelijkse status van de betrokken personen. Iemand die – binnen of buiten het huwelijk – seks tegen zijn of haar zin heeft ondergaan, kan aangifte doen bij de politie. Slachtoffers kunnen voor hulpverlening terecht bij reguliere, bestaande hulporganisaties, zoals het Centrum Seksueel Geweld (CSG).

In aanvulling hierop zet het kabinet in op normverandering binnen de gemeenschappen zelf, onder andere via de Alliantie Verandering van Binnenuit. Met een «verandering van binnenuit» wordt bedoeld dat gesloten gemeenschappen veranderen door mensen die daar zelf deel van uitmaken of hebben uitgemaakt. Deze voortrekkers zijn personen uit religieuze of migrantengemeenschappen die werken aan gendergelijkheid door het organiseren van bijeenkomsten in buurthuizen, kerken, moskeeën of andere ontmoetingsplaatsen. Het doel is dat sociale normen van binnenuit veranderen, in plaats van dat veranderingen opgelegd worden door externe instanties.

Door deze aanpak wordt de veiligheid en autonomie van vrouwen en meisjes versterkt, omdat schadelijke normen rond mannelijkheid, vrouwelijkheid en relaties bespreekbaar worden gemaakt en omgezet in niet-schadelijke normen.

8.

De invloed van conservatieve (religieuze) influencers (vaak getypeerd als manosfeer) op kinderen en jongeren is enorm, aldus de fractieleden van de BBB. Hierin worden stereotype opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid (bijvoorbeeld tradwives) onder een groot en zeer jong publiek verspreid. Dit heeft mogelijk twee gevolgen: Het taboe op mannelijk slachtofferschap wordt verder versterkt en (seksueel) geweld tegen vrouwen/meisjes wordt genormaliseerd.

Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling als het om de veiligheid van vrouwen en meisjes gaat. De Staatssecretaris antwoordde dat zij deze onderdelen zou gaan uitzetten.22 Deze leden ontvangen graag een update en vervolg.

Antwoord

Het kabinet erkent dat de manosfeer negatieve gevolgen heeft met betrekking tot het normaliseren van geweld tegen vrouwen. Het kabinet integreert daarom maatregelen in het beleid tegen gendergerelateerd geweld gericht op meer kennis over en het tegengaan van de invloed van de manosfeer.

Een voorbeeld hiervan is de subsidieregeling van OCW voor de oprichting van een mannenalliantie die zich zal richten op de rol van jongens en mannen bij het voorkomen van geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide. Deze subsidieregeling wordt in het eerste kwartaal van 2026 gepubliceerd. Hierbij wordt expliciet meegegeven dat de mannenalliantie aandacht besteedt aan het herkennen van, en interveniëren bij aanhaking bij online subculturen waarin genderongelijkheid en/of geweld tegen vrouwen wordt genormaliseerd of verheerlijkt, zoals de manosfeer.

Andere voorbeelden zijn het bevorderen van digitale geletterdheid en burgerschap op scholen. Hierdoor worden leerlingen gestimuleerd sociale vaardigheden en kritische denkvaardigheden te ontwikkelen en om respectvol te communiceren, offline en online. De organisatie Emancipator betrekt jongens en mannen bij het bevorderen van gendergelijkheid en het voorkomen van geweld door mannelijkheidsnormen te doorbreken. Zij wijzen op de zogenoemde «crisis van verbinding» die verwijst naar de uitdagingen die mannen ervaren door rigide mannenlijkheidsnormen. Deze zogenoemde «Man Box» kan onder mannen, in combinatie met een gebrek aan positieve rolmodellen, ertoe leiden dat sommige jongens in de manosfeer terechtkomen. Door met mannen en jongens in gesprek te gaan wat hen aantrekt in de manosfeer en vervolgens hen alternatieve, positieve boodschappen over mannelijkheid aan te bieden, wordt ingezet om schadelijke genderstereotypen te doorbreken. Ook is het van belang om te blijven inzetten op mediawijsheid en jongeren kritisch te leren kijken naar boodschappen die ze online voorgeschoteld krijgen. Daarnaast ontwikkelt de alliantie Act4Respect Unlimited, een samenwerkingsverband van Rutgers, Atria en COC Nederland, interventies voor risicogroepen en kwetsbare groepen, zoals jongens. Eén van de interventies is de Lefgozers-training, gericht op het bevorderen van gezonde mannelijkheid, gendergelijkheid en respectvol gedrag bij jongens van 12 tot 18 jaar. Het programma stimuleert kritische reflectie op gendernormen, schadelijke stereotypen en sociale druk. Vanuit de Alliantie Worden Wie Je Bent voert Stichting School & Veiligheid momenteel een onderzoek uit naar de mogelijke invloed van de manosfeer op sociale veiligheid in het onderwijs.

9.

Femicide is de meest voorspelbare moord en daarom ook de meest voorkombare.23

In 2024 heeft de toenmalig Staatssecretaris Coenradie de toezegging gedaan om in 2025 met een wetsvoorstel te komen om psychisch geweld expliciet strafbaar te stellen. De fractieleden van de BBB vragen naar de status van het beoogde wetsvoorstel.

Antwoord

De fractieleden van de BBB vragen naar de status van het wetsvoorstel dat strekt tot afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld. De toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft tijdens het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen in oktober 2024 toegezegd dat de Tweede Kamer in mei 2025 zou worden geïnformeerd over de contouren van dit wetsvoorstel. Deze contouren zijn als bijlage bij de Kamerbrief over de voortgang van de prioriteiten uit het plan van aanpak «Stop femicide!» op 10 juli 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.24 Het wetsvoorstel zal naar verwachting voor de zomer van 2026 in consultatie worden gebracht.

10.

Deze leden hebben eerder gezien dat de aanpak van femicide en huiselijk geweld begint met goede bedoelingen, maar strandt op versnippering. Vier ministeries, tientallen gemeenten, Veilig Thuis, politie, het Openbaar Ministerie: nog steeds vallen vrouwen tussen wal en schip. In de genoemde initiatiefnota zijn veertien voorstellen geformuleerd.25 De fractieleden van de BBB verzoeken u om de beantwoording van vragen in het kader van de initiatiefnota en ook de implementatie van de initiatiefnota ter informatie voor te leggen aan de Eerste Kamer.

Antwoord

De kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Mutluer is op 1 april 2025 aan de Tweede Kamer aangeboden26, deze is gezamenlijk met de initiatiefnota op 22 september 2025 besproken tijdens een notaoverleg in de Tweede Kamer. Daarmee zijn de vragen in het kader van de initiatiefnota reeds beantwoord. De verdere opvolging zal landen in reguliere brieven aan de Tweede Kamer over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, inclusief femicide, en gendergerelateerd geweld.

11.

Tot slot maken merken de leden van de BBB-fractie op dat tijdens een bijeenkomst op 25 november 2025 over de onderdrukking van vrouwen in Iran werd vermeld dat Zahra Tabari, één van de vrouwelijke politieke gevangenen in Iran, ter dood veroordeeld is, enkel omdat in haar huis een stuk stof werd gevonden met de slogan «Vrouw, Verzet, Vrijheid» erop.27 Er is een brede internationale campagne opgezet om deze executie te voorkomen. De fractieleden van de BBB vragen of het Nederlandse kabinet zich uit wil spreken vóór deze campagne en bereid is zich in te spannen om deze campagne tot een succes te maken.

Antwoord.

Het kabinet is bekend met de zaak van Zahra Tabari en steunt de initiatieven om deze executie en alle andere voorgenomen executies in Iran te voorkomen. Deze zaak is exemplarisch voor de systematische mensenrechtenschendingen in Iran. Zo heeft Iran in 2025 meer dan 2.000 mensen geëxecuteerd en zijn er bij de demonstraties begin dit jaar duizenden mensen gedood. Nederland blijft zich inzetten voor het tegengaan van al deze mensenrechtenschendingen en accountability daarvoor. Daarom heeft Nederland actief meegewerkt aan de totstandkoming van de onafhankelijke internationale Fact Finding Mission Iran, ingesteld door de Verenigde Naties. Ook blijft Nederland zich inzetten voor EU-sancties tegen Iraanse mensenrechtenschenders.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

1.

De leden van de fractie van D66 willen u graag enkele vragen stellen over de Nederlandse aanpak van femicide en de onderliggende structurele factoren die in het onlangs verschenen thematische evaluatierapport van GREVIO worden benoemd.

De fractieleden van D66 merken op dat GREVIO constateert dat in de periode 2014–2023 maar liefst 75% van de vermoorde vrouwen is gedood door een (ex-)partner of familielid, en dat deze aantallen al jaren nagenoeg constant blijven. Volgens GREVIO ontbreekt het in Nederland aan een voldoende geïntegreerd en gendersensitief kader om de risico’s op gender gerelateerd dodelijk geweld tijdig te herkennen en daarop te interveniëren. De fractieleden van D66 vragen hoe u deze bevinding duidt, en in het bijzonder of u erkent dat een structureel genderbewuste benadering van partnergeweld noodzakelijk is om femicide te voorkomen. Deze leden vragen tevens of in het Stop Femicide! Actie-plan concrete reductiedoelen of indicatoren zijn opgenomen, en zo ja, welke. Ook vernemen zij graag op welke wijze u gaat monitoren of de beoogde effecten daadwerkelijk worden bereikt.

Antwoord

Het is onacceptabel dat er in Nederland nog altijd vrouwen worden gedood door hun (ex-)partner of familielid. Het kabinet onderschrijft de ernst van de bevindingen van GREVIO en erkent dat een meer geïntegreerde en genderbewuste benadering noodzakelijk is om femicide te voorkomen. Het plan van aanpak «Stop femicide!» geeft hier invulling aan door in te zetten op preventie middels het emancipatiebeleid, vroegsignalering professionals én omstanders en passende interventies, met expliciete aandacht voor gendergerelateerde risicofactoren. Tevens wordt ingezet op het verbeteren van deskundigheidsbevordering ten aanzien van gendergerelateerd geweld.

Ten aanzien van de vraag over reductiedoelen geldt dat het actieplan primair stuurt op het structureel terugdringen van (fataal) geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling, maar geen afzonderlijke, kwantitatief vastgelegde reductiedoelstelling voor femicide bevat. Dit hangt samen met de complexiteit van het fenomeen en de afhankelijkheid van meerdere factoren.

Wel wordt gewerkt met een set van indicatoren en monitors die gezamenlijk inzicht geven in zowel de omvang als de ontwikkeling van het probleem en de effectiviteit van de aanpak. Het gaat daarbij onder meer om:

  • het aantal meldingen en adviezen bij Veilig Thuis (Dashboard Veilig Thuis, CBS);

  • prevalentiecijfers van huiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag (Prevalentiemonitor, CBS/WODC);

  • gegevens over de aard, ernst en impact van geweld (Impactmonitor aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling, CBS);

  • verdiepende inzichten in femicidezaken, waaronder patronen en risicofactoren (Femicide Monitor, Universiteit Leiden).

Deze monitors worden in samenhang bezien en vormen de basis om trends te duiden en het beleid waar nodig bij te stellen. Daarmee wordt niet alleen gevolgd of geweld afneemt, maar ook of signalering verbetert, risicofactoren eerder worden herkend en interventies effectiever worden ingezet.

Daarnaast wordt geïnvesteerd in het verbeteren van de dataverzameling en -kwaliteit. Zo wordt via de voorgestelde wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 de beleidsinformatie van Veilig Thuis uitgebreid en verfijnd. Dit draagt bij aan beter zicht op risico’s en ontwikkelingen en eventuele verbetering van beleid en de aanpak in den brede.

2.

In dit verband wijzen deze leden ook op praktijkvoorbeelden binnen Nederland die mogelijk aanknopingspunten bieden voor verbetering. Wat kan men leren van de Rotterdamse aanpak om femicide en geweld tegen vrouwen tegen te gaan? In Rotterdam is er één officier van justitie die gespecialiseerd is in deze problematiek en die geheel is vrijgemaakt om alle aspecten van geweld tegen vrouwen mee te nemen in het behandelen van strafzaken. Daarmee worden positieve resultaten geboekt. Waarom krijgt deze aanpak geen navolging in andere arrondissementen?

Antwoord

Het kabinet en het Openbaar Ministerie onderschrijven het belang van gespecialiseerde expertise binnen de arrondissementen. Elk arrondissementsparket beschikt over coördinerend officieren van justitie voor huiselijk-geweldszaken en kindermishandelingszaken. Zij vervullen een specialistische rol en ondersteunen collega’s bij complexe zaken.

Binnen het Openbaar Ministerie wordt landelijk gewerkt aan de verdere versterking van de aanpak van geweld tegen vrouwen en het voorkomen van femicide. Daarbij staat niet één individuele functionaris of specifieke lokale werkwijze centraal, maar het duurzaam vergroten en borgen van kennis, expertise en capaciteit binnen alle parketten. Er vindt bovendien structurele landelijke afstemming plaats, zodat parketten van elkaar kunnen leren en effectieve werkwijzen breder kunnen worden toegepast.

Met de middelen die via het amendement-Mutluer beschikbaar zijn gesteld, wordt de aanpak in brede zin versterkt. Deze middelen zijn bedoeld voor vergroting van capaciteit en verdere professionalisering van de bestaande structuren binnen de parketten, gericht op de behandeling van concrete strafzaken, kennisontwikkeling en strategische versterking van de aanpak van geweld tegen vrouwen en (het voorkomen van) femicide.

Daarmee wordt de gespecialiseerde aanpak niet beperkt tot één arrondissement, maar wordt landelijk ingezet op versterking en borging van expertise binnen het Openbaar Ministerie.

3.

Voorts merken de fractieleden van D66 op dat GREVIO herhaaldelijk kritische kanttekeningen plaatst bij de conceptualisering van huiselijk geweld als «geweld in afhankelijkheidsrelaties», omdat deze term het risico in zich draagt dat intiem partnergeweld wordt geduid als een wederzijds conflict en niet als geweld met een duidelijke primaire agressor. Dit zou volgens GREVIO ertoe kunnen leiden dat interventies van onder meer Veilig Thuis en wijkteams onvoldoende oog hebben voor machtsverschillen, controlerend gedrag en eerdere signalen van escalatie. Hoe beoordeelt u deze kritiek en op welke wijze wordt gewaarborgd dat professionals genderspecifieke risicofactoren – zoals eerdere niet-fatale verstikking, stalking en coercive control – systematisch meenemen in hun risicotaxatie en besluitvorming?

Antwoord

De term geweld in afhankelijkheidsrelaties suggereert in de huidige aanpak zeker niet dat er sprake is van een wederzijds conflict. De term duidt juist op alle vormen van geweld waar sprake is van ongelijkheid in de onderlinge relatie, waar sprake is van machtsverschillen. Ik herken me daarom niet in de suggestie dat de term geweld in afhankelijkheidsrelaties zou leiden tot het risico dat dwingende controle niet zou worden herkend als geweld met een duidelijke agressor. Ik herken me wel in het beeld dat dwingende controle lange tijd onderbelicht is geweest als vorm van huiselijk geweld, als ook de verschillen tussen mannen en vrouwen en de impact die dat kan hebben op geweldsdynamieken. De aanbevelingen van GREVIO onderstrepen het belang van een gendersensitieve benadering van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen. Nederland besteedt hier in recente beleidsprogramma’s al bewust aandacht aan, zoals GREVIO ook opmerkt. Zo wordt nadrukkelijk het verband gelegd tussen genderongelijkheid en huiselijk geweld in het nationaal actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (2023) en in het plan van aanpak Stop femicide! (2024).

Daarnaast bereidt de Nederlandse regering momenteel de Implementatiewet voor, gericht op de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld28 (hierna: EU-richtlijn). Het aanscherpen van de definitie van huiselijk geweld en het toevoegen van een definitie van geweld tegen vrouwen in nationale wetgeving is hier onderdeel van.

Een cruciaal onderdeel in het signaleren en aanpakken van huiselijk geweld is het doen van een goede risicotaxatie en veiligheidsbeoordeling. Instrumenten voor taxatie zijn een belangrijk hulpmiddel om een goede inschatting te maken van wat er aan de hand is, welke risico’s er zijn en wat op welk moment de juiste interventie is. Verschillende organisaties werken met verschillende taxatie-instrumenten. Vanuit het plan van aanpak «Stop femicide!» is door Regioplan een onderzoek uitgevoerd naar de inzet van verschillende taxatie-instrumenten, waarbij specifiek is gekeken hoe de verschillende instrumenten de rode vlaggen voor femicide hebben opgenomen, zowel in Europees als Caribisch Nederland. Het rapport is op 18 december jl. aan de Tweede Kamer aangeboden.29 Met de betrokken partijen wordt komende tijd besproken op welke wijze gevolg wordt gegeven aan de bevindingen van dit onderzoek, met het doel om de veiligheids- en risicotaxatie en samenwerking te verbeteren. Daarnaast wordt gewerkt aan de verbetering van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, waaronder dwingende controle, onder meer met de voorbereiding van een wetsvoorstel dat strekt tot een afzonderlijke strafbaarstelling. De Tweede Kamer is ook hierover op 18 december jl. geïnformeerd.

4.

Daarnaast wijzen deze leden erop dat GREVIO stelt dat de huidige Nederlandse beschermingsmaatregelen, zoals het tijdelijk huisverbod, onderbenut worden en bovendien een hogere risicodrempel kennen dan de Istanbulconventie vereist. Deze leden vragen u waarom Nederland bij het opleggen van huis- en contactverboden een hogere drempel hanteert dan internationaal noodzakelijk is, of zij erkent dat dit kan leiden tot het missen van cruciale interventiemomenten bij dreigend dodelijk geweld, en of zij bereid is de wettelijke criteria te herzien.

Ook vragen deze leden waarom kinderen niet automatisch onder een huisverbod vallen, terwijl zij vaak mede gevaar lopen bij escalatie van partnergeweld, en of u bereid bent dit te corrigeren. Klopt het dat het huisverbod aan een bepaalde termijn is gebonden en dat het meer dan incidenteel voorkomt dat de dader na afloop van die termijn naar huis terugkeert en dat de vrouw (met kinderen) elders opvang moet zien te krijgen? Heeft u plannen om aan die situatie een eind te maken?

Antwoord

Ja. Momenteel wordt in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid gewerkt aan de verbetering van de inzet van het tijdelijk huisverbod. Het doel is dat het huisverbod vroegtijdiger wordt overwogen en zo nodig wordt ingezet, niet alleen in gevallen van acute onveiligheid maar ook op basis van onderbouwde signalen van structurele onveiligheid. In januari jl. zijn de regionale projectleiders van start gegaan die gedurende 2026 de pilots zullen begeleiden. Deze pilots moeten leiden tot directe verbeteringen in de praktijk en een nadere onderbouwing bieden voor wijziging van het wettelijk kader. Hierbij wordt nadrukkelijk ook bekeken hoe het huisverbod beter kan worden ingezet in geval van kindermishandeling: dit is wettelijk gezien al wel mogelijk maar in de praktijk gebeurt dit volgens de betrokken organisaties nog niet vaak. De Tweede Kamer is op 18 december jl. in de Kamerbrief over de voortgang van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling geïnformeerd over de stand van zaken van dit traject, specifiek ook over de uitgangspunten ervan, met de daarbij bijgevoegde Leidraad Het tijdelijk huisverbod – Een nieuw perspectief.30

Het klopt dat het tijdelijk huisverbod aan een bepaalde termijn is gebonden (tien dagen en bij verlenging maximaal 28 dagen) en ik herken het beeld dat het (geregeld) gebeurt dat de uithuisgeplaatste persoon na afloop van het huisverbod terugkeert, waardoor de partner en eventuele kinderen elders moeten worden opgevangen. In dit traject wordt daarom ook verkend of en hoe aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen kunnen worden ingezet, onder meer om de veiligheid van betrokkenen over een langere periode te kunnen waarborgen. Bovendien wordt bekeken hoe het tijdelijk huisverbod en aanvullende bestuursrechtelijke maatregelen beter in samenhang met andere civielrechtelijke en/of strafrechtelijke maatregelen kunnen worden ingezet, zodat beschermingsmaatregelen beter op elkaar aansluiten en er beter kan worden gehandhaafd, zodat slachtoffers over een langere periode in veiligheid hun leven kunnen oppakken.

5.

GREVIO signaleert bovendien dat de opvangcapaciteit voor vrouwen die risico lopen op ernstig of dodelijk geweld in meerdere regio’s onvoldoende is, en dat vrouwen die met meervoudige discriminatie te maken hebben – zoals vrouwen zonder verblijfsstatus, vrouwen met een beperking en jonge vrouwen – soms moeilijk toegang krijgen tot veilige opvang. Hoe verklaart u deze tekorten? Welke stappen worden gezet om de regionale verschillen in beschikbaarheid te verkleinen, en hoe wordt gewaarborgd dat ook ongedocumenteerde vrouwen toegang hebben tot bescherming, conform de verdragsverplichtingen?

Antwoord

Sinds enige tijd signaleren branchevereniging Valente en de VNG dat er op verschillende plaatsen in het land te weinig opvangplekken zijn. Slachtoffers worden daardoor ondergebracht op onveilige locaties als hotels en vakantieparken. Om de opvangcapaciteit van de vrouwenopvang te vergroten, wordt vanaf 2026 structureel 12 miljoen euro toegevoegd aan de DUVO.

De middelen in de DUVO zijn vrij besteedbaar. Er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen VWS, de VNG en Valente over het daadwerkelijk besteden van deze middelen aan de uitbreiding van de capaciteit van vrouwenopvanginstellingen. Ook is afgesproken hoe we de ontwikkelingen binnen de vrouwenopvang en de besteding van de middelen kunnen monitoren om te zien welk effect de extra 12 miljoen euro precies heeft gesorteerd en of het aantal plaatsingen buiten de veilige opvang hiermee daalt.

Aandacht voor individuele behoeften en specifieke groepen wordt daarbij meegenomen. Op basis van de AMvB «Opvang van slachtoffers van huiselijk geweld en eergerelateerd geweld zonder verblijfsvergunning» hebben slachtoffers van huiselijk geweld en eergerelateerd geweld die (nog) niet over een verblijfsvergunning beschikken en niet onder de Wmo 2015 vallen, recht op opvang. Voor de opvang van deze doelgroep zijn destijds tevens aanvullende middelen beschikbaar gesteld. De implementatie van de EU-richtlijn stimuleert verdere borging hiervan. In de richtlijn zijn vereisten omtrent opvang vastgelegd, onder meer over herstelgerichte zorg, de benodigde capaciteit en toegang voor alle slachtoffers ongeacht verblijfstatus.

Zowel de opvanginstellingen als de gespecialiseerde diensten spelen in op de (gender)specifieke behoeften van slachtoffers van huiselijk en gendergerelateerd geweld. Zij leveren maatwerk dat is toegespitst op de individuele situatie van het slachtoffer en houden daarmee rekening met verschillende intersecties en eventuele verhoogde risico’s.

6.

Verder wijzen deze leden op de constatering van GREVIO dat Nederland geen uniform systeem kent voor de registratie en monitoring van femicide, en dat vermoedelijk aan geweld gerelateerde zelfdodingen van vrouwen helemaal niet in beeld zijn. Bent u bereid om een landelijke monitor femicide en gender gerelateerd dodelijk geweld in te richten, waarin onder meer de relatie tot de dader, eerdere meldingen, aanwezige risicofactoren en keteninterventies worden opgenomen. Ook vragen zij of u voornemens bent om, naar het voorbeeld van andere landen, bij elke voltooide femicide een onafhankelijke casusbespreking in te stellen om te bezien of eerdere signalen zijn gemist.

Antwoord

De fractieleden van D66 vragen of het kabinet voornemens is een landelijke monitor voor femicide en gendergerelateerd dodelijk geweld in te richten, waarin onder meer de relatie tot de dader, eerdere meldingen, aanwezige risicofactoren en keteninterventies worden betrokken. Daarnaast vragen zij of het kabinet voornemens is om, naar het voorbeeld van andere landen, bij elke voltooide femicide een onafhankelijke casusbespreking in te stellen teneinde te bezien of eerdere signalen zijn gemist.

Met subsidie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft de Universiteit Leiden de Nederlandse Femicide Monitor ontwikkeld voor de periode 2025–2029.

Deze monitor zal steeds meer inzicht bieden in de omvang en aard van femicide in Nederland, evenals in kenmerken en subtypen van deze zaken. Daarmee wordt structureel kennis opgebouwd over femicide, die kan worden benut om de aanpak verder te versterken en te verfijnen. Daarnaast publiceert het CBS halfjaarlijks de Impactmonitor Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.31 Onder regie van het Ministerie van VWS en in samenwerking met onder meer het CBS wordt deze momenteel doorontwikkeld, mede in het licht van de vereisten van de EU-Richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Deze impactmonitor brengt op basis van bestaande, centraal beschikbare data de aard en omvang van huiselijk geweld en kindermishandeling in beeld, evenals ontwikkelingen in meldingen op basis van de beleidsinformatie van Veilig Thuis, interventies en de betrokkenheid van ketenpartners. De Impactmonitor vormt daarmee een belangrijke basis voor beleidsmonitoring en verantwoording en biedt context waarbinnen ook ernstige en dodelijke geweldsvormen, zoals femicide, kunnen worden geduid.

Voorts heeft Universiteit Leiden in opdracht van het WODC onderzoek verricht naar de mogelijke inzet van systematische reviews na dodelijke gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, mede op basis van ervaringen in andere landen. In 2026 start een vervolgtraject waarin, op basis van dit onderzoek, de mogelijke opzet van een dergelijke analyse nader wordt uitgewerkt. Daarbij wordt bezien hoe analysemethoden kunnen worden vertaald naar concrete handvatten voor besluitvorming en uitvoering binnen zowel de strafrechtketen als het zorgdomein.

De uitkomsten van de Nederlandse Femicide Monitor, de Impactmonitor Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en het vervolgtraject rond systematische reviews vormen gezamenlijk de basis voor verdere besluitvorming over het al dan niet structureel inrichten van aanvullende monitorings- en reviewinstrumenten. De Kamer zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd.

7.

Daarnaast willen de fractieleden van D66 weten hoe u staat tegenover de beslissing van het Italiaanse parlement om femicide aan te merken als een apart misdrijf, afzonderlijk van moord. In Italië gaat femicide voortaan gestraft worden met een levenslange gevangenisstraf. Andere Europese landen zoals Malta, Kroatië en Cyprus zijn hiermee al voorgegaan. Graag ontvangen deze leden uw reflectie op deze ontwikkeling en of u dit voor Nederland een begaanbare weg acht.

Antwoord

De fractieleden van D66 vragen om een reflectie op de beslissing van het Italiaanse parlement om femicide aan te merken als een afzonderlijk misdrijf, los van de algemene strafbaarstelling van moord.

In het plan van aanpak «Stop femicide!» heeft het kabinet benadrukt dat de grootste winst in de aanpak van femicide is te behalen door tijdige signalering, een effectieve ketenaanpak en adequate bescherming van slachtoffers. Strafrechtelijke normstelling vormt daarbij een belangrijk sluitstuk, maar kan het ontstaan van femicide niet op zichzelf voorkomen.

Tegen deze achtergrond verricht het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC), op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, momenteel een jurisprudentieonderzoek naar de bestaande rechtspraktijk in femicide-zaken in Nederland. Dit onderzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in de straftoemetingspraktijk in femicide-zaken. Op basis daarvan wordt bezien of en waar zich eventuele verbeterpunten voordoen in de strafrechtelijke aanpak van

femicide, waaronder de vraag of een afzonderlijke strafbaarstelling, zoals in Italië, toegevoegde waarde zou kunnen hebben. Dit jurisprudentieonderzoek wordt naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 afgerond.

8.

In het Verenigd Koninkrijk is Clare’s Law ingevoerd: vrouwen kunnen bij de politie informeren of hun (nieuwe) partner een geschiedenis van geweld tegen vrouwen heeft, en de politie kan ongevraagd een vrouw op de hoogte brengen dat haar nieuwe partner bekend is bij de politie vanwege geweld tegen vrouwen in eerdere relaties. In de Tweede Kamer is hierover de motie van het Kamerlid Van der Werff c.s. aangenomen.32 Hoe staat het met de uitwerking van dit voorstel voor de Nederlandse wetgeving? Zijn er binnen de privacywetgeving nog hindernissen die een adequate bescherming van vrouwen tegen geweld achter de voordeur in de weg staan? Kunt u deze hindernissen beschrijven en aangeven of, en zo ja hoe, u die wil opheffen?

Antwoord

De fractieleden van D66 vragen naar de stand van zaken rond de uitwerking van de motie van het Kamerlid Van der Werf c.s. inzake de vertaling van Clare’s Law naar de Nederlandse context. Daarnaast vragen zij of binnen de huidige privacywetgeving belemmeringen bestaan die een adequate bescherming van vrouwen tegen geweld in de privésfeer in de weg staan, en zo ja, welke dat zijn en op welke wijze deze kunnen worden weggenomen.

In opdracht van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is een eerste, juridische verkenning uitgevoerd door de Open Universiteit, in samenwerking met onder meer de gemeente Rotterdam. Deze verkenning richt zich op de juridische en uitvoeringsaspecten van een mogelijke toepassing van Clare’s Law binnen de Nederlandse context. Deze verkenning is 20 januari 2026 gepubliceerd. De Tweede Kamer zal hierover voor de zomer van dit jaar nader worden geïnformeerd in de brief over de voortgang van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.

9.

Deze leden merken op dat GREVIO aandacht vraagt voor de wisselwerking tussen partnergeweld en het familierecht, waaronder de inzet van mediation en omgangsregelingen zonder voorafgaande screening op geweld. De fractieleden van D66 vragen of u erkent dat dit risico’s oplevert voor vrouwen die zich in een onveilige situatie bevinden, en of u bereid bent te komen tot een verplicht onderzoek naar partnergeweld voordat mediation of andere contactbevorderende maatregelen worden voorgesteld. In dit verband vragen deze leden of u kennis heeft genomen van het interview in de Volkskrant van 4 december 2025 met jeugd- en familierechter Ellen van Kalveen zelf.33 Zij erkent dat niet alle familierechters kennis hebben van wat intieme terreur inhoudt voor vrouwen en kinderen. Bovendien wisselen strafrechters en familierechters niet alle relevante informatie uit, waardoor het kan voorkomen dat de familierechter beslissingen over gezag, voogdij en omgang neemt zonder dat kennis is genomen van bezwaren die in het strafdossier voorkomen. Hoe reageert u hierop? Bent u bereid om met de rechterlijke macht na te gaan hoe de informatie-uitwisseling kan verbeteren?

Antwoord

De aandacht voor partnergeweld, en breder huiselijk geweld en kindermishandeling inclusief dwingende controle, in familierechtelijke procedures moet worden verbeterd in het belang van de veiligheid van kinderen en de betreffende ouder die slachtoffer is. Aan de Tweede Kamer is toegezegd om verbetermaatregelen te nemen op basis van een verbeterplan dat is gemaakt met de betrokken organisaties, waaronder de rechtspraak en de Raad voor de Kinderbescherming en andere experts, waaronder Ellen van Kalveen zelf. Onderwerpen die in elk geval verder worden uitgewerkt gaan over het kunnen meewegen van (vermoedens van) partnergeweld voordat mediation of andere contactbevorderende maatregelen worden voorgesteld, deskundigheidsbevordering en informatie-uitwisseling. Over deze en andere verbeteracties wordt reeds met de rechtspraak gesproken.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

GREVIO(2025)1, Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence (Istanbul Convention), 21 oktober 2025, «Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation».

X Noot
3

GREVIO(2025)1, Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence (Istanbul Convention), 21 oktober 2025, «Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation», p. 31.

X Noot
4

Kamerstukken II 2023/24, 28 345, nr. 278 (Bijlage Moties en toezeggingen).

X Noot
5

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 48.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19

X Noot
7

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19

X Noot
8

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 52–53.

X Noot
9

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 4.

X Noot
10

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 2.

X Noot
11

Toespraak van Maryam Rajavi, president van de National Council of Resistance of Iran (NCRI) op 25 november 2025 tijdens de The Hague Conference Condemn Violence Against Women by Iran’s Regime.

X Noot
12

Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 995.

X Noot
14

GREVIO(2025)1, Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and do-mestic violence (Istanbul Convention), 21 oktober 2025, «Building trust by delivering support, protection and jus-tice Netherlands First thematic evaluation», p. 31.

X Noot
15

Kamerstukken II 2023/24, 28 345, nr. 278 (Bijlage Moties en toezeggingen).

X Noot
16

Kamerstukken II, 2023–2024, 36 410, nr. 49

X Noot
17

Kamerstukken II 2025/26, 28 345, nr. 293

X Noot
18

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 48.

X Noot
19

Kamerstukken II, 2025–2026, 28 345, nr. 293

X Noot
20

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19

X Noot
21

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19

X Noot
22

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 52–53.

X Noot
23

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 4.

X Noot
24

Kamerstukken II 2024/25, 28 345, nr. 285

X Noot
25

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 2.

X Noot
26

Kamerstukken II 2024/25, 36 658, nr. 3

X Noot
27

Toespraak van Maryam Rajavi, president van de National Council of Resistance of Iran (NCRI) op 25 november 2025 tijdens de The Hague Conference Condemn Violence Against Women by Iran’s Regime.

X Noot
28

(EU) 2024/1385

X Noot
29

Kamerstukken II 2025/26, 31 015, nr. 293.

X Noot
30

Kamerstukken II, 2025–2026, 28 345, nr. 293.

X Noot
32

Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 995.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

GREVIO(2025)1, Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence (Istanbul Convention), 21 oktober 2025, «Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation».

X Noot
3

GREVIO(2025)1, Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence (Istanbul Convention), 21 oktober 2025, «Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation», p. 31.

X Noot
4

Kamerstukken II 2023/24, 28 345, nr. 278 (Bijlage Moties en toezeggingen).

X Noot
5

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 48.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19

X Noot
7

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19

X Noot
8

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 52–53.

X Noot
9

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 4.

X Noot
10

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 2.

X Noot
11

Toespraak van Maryam Rajavi, president van de National Council of Resistance of Iran (NCRI) op 25 november 2025 tijdens de The Hague Conference Condemn Violence Against Women by Iran’s Regime.

X Noot
12

Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 995.

X Noot
14

GREVIO(2025)1, Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and do-mestic violence (Istanbul Convention), 21 oktober 2025, «Building trust by delivering support, protection and jus-tice Netherlands First thematic evaluation», p. 31.

X Noot
15

Kamerstukken II 2023/24, 28 345, nr. 278 (Bijlage Moties en toezeggingen).

X Noot
16

Kamerstukken II, 2023–2024, 36 410, nr. 49

X Noot
17

Kamerstukken II 2025/26, 28 345, nr. 293

X Noot
18

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 48.

X Noot
19

Kamerstukken II, 2025–2026, 28 345, nr. 293

X Noot
20

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19

X Noot
21

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19

X Noot
22

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 52–53.

X Noot
23

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 4.

X Noot
24

Kamerstukken II 2024/25, 28 345, nr. 285

X Noot
25

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 2.

X Noot
26

Kamerstukken II 2024/25, 36 658, nr. 3

X Noot
27

Toespraak van Maryam Rajavi, president van de National Council of Resistance of Iran (NCRI) op 25 november 2025 tijdens de The Hague Conference Condemn Violence Against Women by Iran’s Regime.

X Noot
28

(EU) 2024/1385

X Noot
29

Kamerstukken II 2025/26, 31 015, nr. 293.

X Noot
30

Kamerstukken II, 2025–2026, 28 345, nr. 293.

X Noot
32

Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 995.

Naar boven