Klacht
Verzoekster, een vervolgingsslachtoffer uit WOII, beklaagt zich over de afwijzing
van haar verzoek om vrijstelling van schenkbelasting te verlenen over een schadevergoeding
die zij van de Duitse overheid heeft ontvangen en die zij heeft nagelaten aan twee achternichtjes. Aangezien verzoekster inmiddels
eind 2016 is overleden heeft de vader van de begiftigden het verzoek overgenomen.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Staatssecretaris van Financiën inlichtingen
verstrekt aan de commissie.
Feiten
Verzoekster was samen met haar broer Joods vervolgingsslachtoffer ten tijde van de
Duitse bezetting en uit dien hoofde heeft zij een vergoeding ontvangen van de Duiste
overheid vanwege het haar aangedane leed. Haar broer heeft de vergoeding niet ontvangen
omdat hij voortijdig overleed. De hoogte van de vergoeding en de datum van uitbetaling
zijn niet bekend. In oktober 2015 heeft verzoekster uit vrijgevigheid haar 2 minderjarige
achternichten, kleinkinderen van haar overleden broer, elk € 25.000 geschonken in
de vorm van een opeisbare vordering bij haar overlijden die bedoeld was als bijdrage
in de studiekosten. In de aangifte voor schenkbelasting wordt een beroep gedaan op
vrijstelling schenkbelasting wegens het voldoen aan een natuurlijke verbintenis cf.
artikel 33, 12e, van de Successiewet 1956.
De inspecteur heeft dit verzoek niet gehonoreerd. De wettelijke vertegenwoordigers
van de begiftigden hebben bezwaar noch beroep aangetekend tegen de aanslagen waardoor
deze nu onherroepelijk vaststaan.
Overwegingen
In zijn reactie zegt de Staatssecretaris dat een beroep op vrijstelling schenkbelasting
wegens het voldoen aan een natuurlijke verbintenis niet slaagt. Hij verwijst daarbij
naar de definitie van «natuurlijke verbintenis» in het Burgerlijk Wetboek (BW). Die
bestaat onder meer wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting
heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon niet rechtens afdwingbaar,
naar maatschappelijke opvattingen van een aan die ander toekomende prestatie moet
worden aangemerkt (artikel 3, boek 6 BW). Volgens de jurisprudentie moet worden bepaald
of er naar objectieve maatschappelijke maatstaven sprake is van een verplichting uit
de moraal of het fatsoen die zo dringend is dat degene ten opzichte van wie de verplichting
bestaat, de nakoming ervan mag beschouwen als een hem toekomende prestatie. De inspecteur
heeft geoordeeld dat er daar in dit geval geen sprake van is omdat aan de begiftigden
geen prestatie ten opzichte van de schenkster toekomt. Zij mochten immers vanwege
het hun grootvader aangedane leed geen schenkingen van zijn zus verwachten. De Staatssecretaris
deelt deze zienswijze en voegt daaraan toe dat het bijdragen in studiekosten onder
de zorg- en onderhoudsplicht van de ouders valt, niet onder een oud-tante. Verder
geeft hij aan dat de belasting niet verschuldigd is over de Duitse schadevergoeding voor oorlogsslachtoffers, maar over de schenking
van verzoekster aan haar achternichtjes.
Oordeel van de commissie3
De Staatssecretaris heeft ook ongevraagd geoordeeld of er aanleiding is een tegemoetkoming
te verlenen op basis van de hardheidsclausule conform artikel 63 Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met andere woorden of er in dit specifieke geval sprake is van een
«onbillijkheid van overwegende aard». Hij acht dit niet het geval Het niet voldoen
aan voor vrijstelling van schenkbelasting geldende voorwaarden is op zichzelf geen
onbillijkheid van overwegende aard; ook het feit dat het een schenking van een oorlogsslachtoffer
betreft, maakt de aanslag in zijn ogen niet onbillijk.
De commissie is van oordeel dat het standpunt van de Staatssecretaris kan worden gedeeld,
in het bijzonder vanwege het feit dat de zij zich ervan heeft vergewist dat de bewindsman
deze kwestie uitvoerig en zorgvuldig heeft onderzocht en beoordeeld.
Voorstel aan de Kamer
Er is geen aanleiding om de Kamer een voorstel te doen.
De fungerend voorzitter van de commissie, Bruins Slot
De griffier van de commissie, Roovers