Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834775-VIII nr. 51

34 775 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2018

Nr. 51 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 november 2017

Hierbij bied ik uw Kamer het rapport «Investeren in de toekomst. De vaardigheid in samenwerkend probleemoplossen van 15 jarigen in PISA-2015» aan1. Het rapport is gebaseerd op data die zijn verzameld in het kader van het Programme for International Student Assessment (PISA) van de OESO. PISA is het grootste internationaal vergelijkend onderzoek naar de prestaties van leerlingen in de wereld. Dit rapport is het laatste deel van de serie rapportages over PISA-2015. Eerder verschenen het hoofdonderzoek (deel I en II) naar vaardigheden van leerlingen op het gebied van natuurwetenschappen, wiskunde en lezen, het onderzoek naar het welbevinden van leerlingen (deel III) en de financiële geletterdheid van 15 jarigen (deel IV).2 3 4

Het onderzoek

Aan het onderzoek naar het samenwerkend probleemoplossen van 15 jarigen in 2015 hebben niet alle landen deelgenomen. Van de 71 landen die mee hebben gedaan in PISA 2015 hebben 51 landen deelgenomen aan het aanvullende onderzoek naar samenwerkend probleemoplossen. Van die 51 landen behoren er 32 tot de OESO, 19 landen zijn zogenaamde partnerlanden. Aan het onderzoek namen 23 landen uit de Europese Unie deel. Dat zijn voor Nederland belangrijke vergelijkingsgroepen.

De beheersing van vaardigheden op het terrein van samenwerkend probleemoplossen is gemeten met behulp van digitale interactieve scenario’s. Ook is er door de leerlingen een vragenlijst over hun achtergronden, opvattingen en gewoonten ingevuld. Er is geen specifieke kennis vereist om de toets te kunnen maken, de toets veronderstelt basale kennis op het gebied van lezen en computergebruik. Daarnaast is basiskennis van natuurwetenschappen, wiskunde en de wereld nodig.

In Nederland hebben aan het onderzoek 187 scholen meegedaan. Van de 5.385 leerlingen die aan PISA 2015 hebben meegedaan, hebben 1.696 leerlingen deelgenomen aan samenwerkend probleemoplossen. Deze leerlingen geven samen een representatief beeld van Nederland.

De belangrijkste bevindingen

Prestaties

  • In vergelijking met andere landen scoort Nederland gemiddeld hoog. De Nederlandse score van 517 is ruim boven het OESO-gemiddelde van 500 en het EU-gemiddelde van 495. Zeven OESO-landen, waaronder Japan, Zuid Korea en Canada hebben een significant hogere score. De scores van Duitsland, de Verenigde Staten, Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk wijken niet significant af van die van Nederland. Binnen de EU neemt Nederland een zeer hoge positie in: alleen Estland en Finland presteren significant beter.

  • Nederland neemt internationaal een sterke positie in als het gaat om de prestaties van leerlingen op de laagste en de hoogste prestatiesniveaus. Slechts drie procent (tegenover een OESO gemiddelde van zes procent) scoort onder het basisniveau dat de OESO voor samenwerkend probleemoplossen gedefinieerd heeft. Binnen de OESO presteren alleen Japan, Zuid Korea en Estland beter. Voor de EU is dat alleen Estland.

  • Zwakke leerlingen zijn in Nederland ook minder zwak dan in veel andere landen. Binnen de OESO scoren de zwakke leerlingen uit landen als Japan en Zuid Korea beter, binnen de EU zijn dat Estland, Denemarken en Finland. Ook onze excellente leerlingen scoren beter dan gemiddeld binnen de OESO en de EU. Hier scoren binnen de OESO Canada en Nieuw Zeeland hoger en binnen de EU zijn dat Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Estland.

  • In Nederland presteert tien procent van de leerlingen op het hoogste vaardigheidsniveau tegenover acht procent gemiddeld binnen de OESO. Landen als Nieuw Zeeland, Canada en Australië doen het hier beter, binnen de EU is het Finland dat hier duidelijk beter presteert en zijn het Duitsland en Estland die hier iets beter presteren.

  • De gemiddelden van de verschillende opleidingstypen komen overeen met de manier waarop in Nederland leerlingen op basis van hun schoolprestaties worden toegewezen aan de verschillende schoolsoorten. De vaardigheidsverschillen tussen de opleidingstypen zijn groot.

Ervaring en attitude in relatie tot samenwerkend probleemoplossen

  • Leerlingen is gevraagd naar ICT gebruik thuis en op school. Denemarken scoort het hoogst op ICT gebruik op school, Nederland komt op de vijfde plaats. Opvallend zijn hier wel de lage scores van in het algemeen goed presterende OESO-landen als Zuid-Korea en Japan. Nederland scoort, gevolgd door Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk en België, het hoogst als het gaat om ICT gebruik thuis. De Latijns-Amerikaanse landen scoren hier het laagst.

  • Opvallend is dat Nederlandse leerlingen het vaakst aangeven geen of weinig waardering te hebben voor de voordelen van samenwerken in teams. Voorbeelden van stellingen hiervoor zijn: «Ik werk liever als lid van een team dan alleen’en «Ik vind dat teams betere beslissingen nemen dan individuen». Ook leerlingen in de Scandinavische landen waarderen samenwerking minder. Landen als Portugal, Mexico en Chili scoren hier veel hoger. Ook de waardering voor de relationele kant van samenwerken (Bijvoorbeeld: «Ik kan goed luisteren» en «Ik zie graag dat mijn klasgenoten succes hebben») is laag in Nederland, net als in Japan, Finland en België. Van de OESO-landen is de affiniteit met samenwerken in Portugal en Spanje het hoogst.

  • In Nederland is er geen relatie tussen de waardering voor het samenwerken in teams of de affiniteit met samenwerken en de vaardigheid in samenwerkend probleemoplossen. Hier is veel variatie tussen de OESO-landen: er zijn landen, bijvoorbeeld Estland en Nieuw-Zeeland met een sterk verband tussen attitudes en vaardigheid in samenwerkend probleemoplossen. Er zijn ook veel landen waar er net als in Nederland geen verband is, zoals bijvoorbeeld Finland, Denemarken, Frankrijk en Duitsland.

  • Net als in de andere deelnemende landen scoren meisjes in het onderzoek naar samenwerkend probleemoplossen hoger dan jongens. In Nederland hebben meisjes een gemiddelde vaardigheidsscore van 531 en jongens 504. Dat is een behoorlijk verschil in het voordeel van de meisjes en vergelijkbaar met het voordeel dat meisjes hebben bij lezen. Eenzelfde verschil is er niet voor vaardigheden in wiskunde en natuurwetenschappen. In PISA-2012 is de vaardigheid in het individueel probleemoplossen onderzocht: jongens scoorden toen beter dan meisjes. Het verschil op samenwerkend probleemoplossen kan niet worden verklaard door verschillen tussen jongens en meisjes op het gebied van wiskunde, natuurwetenschappen en lezen. Het gaat dus echt om een verschil in samenwerkend probleemoplossen.

Samengevat betekenen de resultaten dat we tevreden mogen zijn over de vaardigheden van Nederlandse leerlingen in samenwerkend probleemoplossen. Zij presteren binnen de OESO en de EU bovengemiddeld. Opvallend is dat Nederlandse leerlingen hier dus wel goed in zijn, maar aangeven dat zij samenwerken eigenlijk niet erg waarderen. Het minder waarderen is blijkbaar in Nederland geen belemmering voor het ontwikkelen van goede vaardigheden in samenwerkend probleemoplossen: er is geen samenhang.

Tot slot

Dit is het laatste deel van het PISA-2015 onderzoek. De resultaten van PISA-2015 zijn, zowel voor de OESO, als de EU en Nederland, aanleiding voor nader onderzoek. De OESO komt volgend jaar nog met een tweetal thema rapporten en twee «working papers» over kansengelijkheid en leraren. Cito voert nog een aantal secundaire analyses uit, onder meer op het terrein van kansengelijkheid en inclusief onderwijs. De SLO heeft een leerplankundige analyse uitgevoerd, die in september is besproken met het betrokken onderwijsveld en wetenschappers.

Samenwerkend probleemoplossen is nu voor het eerst onderzocht. Eerder heb ik u geïnformeerd over de ontwikkelingen op de kerndomeinen van PISA: wiskunde, natuurwetenschappen en lezen. Daar zien we een dalende trend, die mij zorgen baart. Daarom wil ik meer zicht hebben op de achterliggende redenen voor deze dalende trend in PISA. Ik heb de NRO gevraagd een structureel verdiepend onderzoeksprogramma op te zetten. De bovengenoemde onderzoeken en analyses dienen net als de publicaties van PISA 2015 daarvoor als input. Ik zal u in de loop van volgend jaar informeren over de resultaten van de verdiepende onderzoeken en analyses en de opzet van het onderzoeksprogramma dat de NRO gaat uitvoeren.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 99.

X Noot
3

Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 131.

X Noot
4

Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 137.