34 775 IV Vaststelling van de begrotingsstaten van Koninkrijksrelaties (IV) en het BES-fonds (H) voor het jaar 2018

M BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 april 2018

Met deze brief ga ik, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, in op de toezegging van mijn ambtsvoorganger u te berichten over de dominantie van de Nederlandse taal in de hele keten van de rechtshandhaving in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Deze toezegging (T02322) deed mijn voorganger tijdens het debat over de evaluaties in het kader van de staatkundige vernieuwing in juni 2016. Tijdens dit debat werd door de heer Ganzevoort gevraagd, in het licht van de evaluatie van de justitiële consensusrijkswetten, of de dominantie van het Nederlands in de hele keten van de rechtshandhaving in het Caribisch deel van het Koninkrijk geen problematische effecten heeft.

Op 29 maart jl. is de reactie op de evaluatie van de justitiële consensusrijkswetten namens de Rijksministerraad aangeboden aan de Eerste en Tweede Kamer.1 In deze reactie wordt onder meer ingegaan op de positie van de Nederlandse taal in de rechtshandhavingsketen, waarover een aanbeveling werd gedaan door de Evaluatiecommissie. In lijn met deze reactie informeer ik u over het standpunt dat alle vier de landen hierover gezamenlijk hebben ingenomen:

«De Nederlandse taal is een bindend element in de werking van de rijkswetten in de praktijk. Dit betekent o.a. dat het wettelijk kader in het Nederlands is gesteld en dat de rechtshandhavingsdiensten voornamelijk in het Nederlands opereren; zo worden processen-verbaal en vonnissen in het Nederlands opgesteld. Ook blijft de Hoge Raad de hoogste rechterlijke instantie voor de Caribische landen in het Koninkrijk. Tevens is het binnen de regionale samenwerking van belang dat het Nederlands een sterke basis houdt in de rechtshandhavingsketen, bijvoorbeeld voor de operaties van het Recherche Samenwerkingsteam (RST) en een effectieve uitwisseling van officieren van justitie en rechters binnen het Koninkrijk.

Binnen de samenlevingen is het Nederlands echter niet de voertaal. Het is van belang dat er een goede balans is in de toepassing van het Nederlands, Papiaments en Engels; de Rijkswetten verzetten zich hier niet tegen. De Rijkswetten bepalen op onderdelen dat de Nederlandse taal gehanteerd dient te worden; de Rijkswet Hof bepaald bijvoorbeeld dat uitspraken in het Nederlands worden gesteld. Echter, daar waar er geen formele belemmeringen zijn, kunnen de instellingen in de desbetreffende landen kiezen voor het gebruik van het Engels of Papiaments indien dit doelmatiger is.

Die balans wordt gezocht doordat Engels en Papiaments reeds worden toegepast in het verkeer tussen bevolking en betrokken instellingen. Het is immers van belang dat de bevolking zich kan herkennen in de wijze waarop er recht wordt gedaan. De meertaligheid van betrokkenen in de rechtshandhavingsketen wordt verder gestimuleerd; zo hebben het Engels en Papiaments reeds een plek in de initiële politieopleiding.»

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops


X Noot
1

Gezamenlijke Koninkrijksreactie op de evaluatie van de justitiële Rijkswetten, 29 maart 2018

Naar boven