1. Derde nota van wijziging
De leden van de VVD-fractie vragen naar de wijziging van artikel 18b van de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag in de derde nota van wijziging. Deze wijziging sluit aan
bij het amendement, dat het mogelijk maakt dat specifieke werkzaamheden door de Minister
worden aangewezen, waardoor de werknemer beloond mag worden aan de hand van de tijd
die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid gemoeid is. Deze
norm wordt door sociale partners vastgesteld, of door een werkgeversorganisatie na
beoordeling door de toetsingscommisie. Bij het vaststellen van deze norm wordt inderdaad
rekening gehouden met de gemiddeld productieve werknemer. Een individuele werknemer
wordt dan beloond op basis van deze norm. De werknemer wordt derhalve beloond op basis
van zijn productie berekend aan de hand van de stukloonnorm en niet op basis van de
gewerkte uren die hij hieraan heeft besteed. De Inspectie SZW zal slechts controleren
of de werknemer conform de stukloonnorm beloond is. Hiervoor is het noodzakelijk dat
de Inspectie per werknemer inzicht heeft in de verrichte werkzaamheden en het betaalde
loon zodat geverifieerd kan worden of overeenkomstig de vastgestelde stukloonnorm
is beloond. Met de wijziging van artikel 18b, tweede lid, Wml wordt slechts beoogd
dat de Inspectie dit inzicht ook kan verkrijgen. De wijziging doet dan ook op geen
enkele wijze afbreuk aan het amendement waar deze leden naar verwijzen. Aangezien
elke «norm» kan verschillen, en dit dus lastig op voorhand is te duiden, zal bij de
aanwijzing van de Minister van de werkzaamheden waarvoor stukloon kan worden betaald,
in de toelichting van de ministeriële regeling duidelijkheid worden verschaft hoe
de werkgever inzicht kan geven in de beloning per werknemer aan de hand van de stukloonnorm.
2. Nota naar aanleiding van het verslag
Artikel XXI
De leden van de SGP vragen naar de wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
die in februari gepubliceerd is en per 1 januari 2018 in werking treedt, waardoor
het niet meer mogelijk is dat overwerkvergoedingen op minimumloonniveau worden uitgeruild
voor onbelaste onkostenvergoedingen voor arbeidsmigranten voor bijv. reiskosten naar
het land van herkomst en huisvestingskosten in Nederland (de zogenoemde «ET-kosten»).
Zoals reeds is aangegeven, kan het netto deel van het loon hoger zijn, maar is voor
de werknemer tevens het loon voor de sociale zekerheid lager en wordt er bijvoorbeeld
ook geen pensioen over dat deel van het loon opgebouwd. De uitruil was overigens al
niet mogelijk voor alle gewerkte uren, maar alleen voor de uren die de werknemer overwerkte
boven de volledige werkweek.
De bedoeling van de wet is dat de werknemer de volledige beschikking krijgt en houdt
over het wettelijk minimumloon en dat het verstrekken van dergelijke onbelaste onkostenvergoedingen
voor reiskosten naar het land van herkomst en huisvestingskosten in Nederland mogelijk
blijft boven het wettelijk minimumloon. De werknemer heeft hierdoor de zekerheid dat
hij het recht behoudt op zijn wettelijk minimumloon over zijn gewerkte uren, ook voor
de overuren die hij heeft gemaakt. De werkgever behoudt de mogelijkheid om kosten
die de werknemer maakt onbelast te vergoeden en het blijft nog steeds mogelijk loon
boven het wettelijk minimumloon uit te ruilen (indien de cao dit toestaat) voor een
onbelaste onkostenvergoeding. Het is niet bekend hoeveel werkgevers in de land- en
tuinbouwsector momenteel onbelaste onkostenvergoedingen verstrekken voor bijvoorbeeld
reiskosten naar het land van herkomst.
Artikel XXXII
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering zich rekenschap heeft gegeven van
de gevolgen voor private uitvoerders wanneer de door de Belastingdienst gedoogde situatie
wordt beëindigd. Verder vraagt zij of de regering kennis heeft genomen van de zorgen
dat de VCR-methode (Voortschrijdend Cumulatief Rekenen) onuitvoerbaar voor private
uitvoerders zou zijn en of zij aangeven waarom deze bezwaren onvoldoende hout zouden
snijden. De leden van de SGP-fractie vragen eveneens welke bezwaren er zouden zijn
om in de Ziektewet een rol te regelen van degene die namens de eigenrisicodrager betaalt.
De systematiek van voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) geldt sinds 2006 in de
Wet financiering sociale verzekeringen voor alle werkgevers en daarmee ook voor partijen
die namens de werkgever betalingen doen aan de werknemer. De Belastingdienst heeft
partijen die namens de werkgever in zijn rol als eigenrisicodrager Ziektewet het ziekengeld
betalen enkele jaren de gelegenheid geboden om hun administratie aan te passen. Dit
komt erop neer dat deze partijen het loon dat de werkgever in het kalenderjaar heeft
betaald voorafgaande aan het intreden van ziekte in hun administratie moeten opnemen.
Vervolgens kunnen zij op basis van dat loon en het ziekengeld de methode van VCR toepassen.
Dit is een extra handeling, maar niet gebleken is dat dit voor die partijen onmogelijk
is. Het is niet wenselijk om wettelijk voor deze partijen die namens de werkgever
ziekengeld betalen een andere regeling te treffen dan die geldt voor alle andere administratiekantoren
die namens de werkgever betalingen doen aan de werknemers.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher