34 764 Wijziging van de Kaderwet dienstplicht en van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst in verband met het van toepassing worden van de dienstplicht op vrouwen

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING1

Vastgesteld 13 maart 2018

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie verwelkomen dit voorstel tot wijziging van twee wetten dat zal leiden tot de vervolmaking van de gelijkheid in waardering voor en berechtiging van mannen en vrouwen in de Nederlandse krijgsmacht. De leden van de CDA-fractie sluiten zich aan bij de vragen en opmerkingen van de VVD-fractie.

De leden van de D66-fractie hebben met waardering kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij onderschrijven het principiële punt dat vrouwen een gelijkwaardige plaats in de samenleving verdienen, en daardoor dezelfde rechten, maar ook dezelfde plichten hebben als de rest van de samenleving. De genoemde leden hopen dat met deze principiële wijziging iedereen – mannen, vrouwen en anderen – zich welkom voelen bij Defensie. De leden van de D66-fractie hebben nog enkele vragen aan de regering.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling en instemming kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij achten het in het kader van het emancipatiebeleid een goede zaak dat ook vrouwen dienstplichtig zijn en verwachten tevens een positief effect op de samenwerkingscultuur binnen de krijgsmacht. De genoemde leden hebben nog enkele vragen aan de regering.

De leden van de SGP-fractie hebben met frisse tegenzin kennisgenomen van het wetsvoorstel.

2. Vragen en opmerkingen van de fractie van VVD

De leden van de VVD-fractie zijn het met de regering eens dat dit wetsvoorstel van principiële betekenis is. Tegelijkertijd realiseren zij zich dat ook een voorstel als dit verdient te worden beoordeeld op onder meer rechtmatigheid, haalbaarheid en uitvoerbaarheid, in dit geval uiteraard niet van de principiële keuze van de wetgever, maar wel waar het gaat om de juridische inpasbaarheid van een kennelijk beoogde, respectievelijk eventuele toepassing van de Kaderwet dienstplicht in geval van reactivering van de opkomstplicht.

In dit licht wijzen deze leden op de volgende passage in de memorie van toelichting2:

«Dit betekent dat reactivering van de dienstplicht in feite alleen aan de orde is in een zeer specifieke situatie (.......). Gelet op het voorgaande ligt het voor de hand dat bij reactivering van de dienstplicht een beperkt aantal dienstplichtigen wordt opgeroepen, zoals ook onder de oude Dienstplichtwet het geval was. Gezien de moderne oorlogsvoering zal daarbij wellicht de voorkeur worden gegeven aan jonge, snel inzetbare personen met een bepaalde (ICT-)technische of medische achtergrond.»

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Kaderwet evenals de voorgaande Dienstplichtwet geen bepalingen bevat die betrekking hebben op het maken van onderscheid tussen groepen dienstplichtigen, anders dan op het achterwege laten van oproepingen wegens overtolligheid of medische ongeschiktheid.

Met andere woorden, de Kaderwet rept niet van de mogelijkheid van oplegging van een selectieve dienstplicht waarbij onderscheidende criteria, zoals bepaalde vormen van kennis en vaardigheden, worden gehanteerd.

Nu de regering er bij dit wetsvoorstel blijk van geeft de huidige Kaderwet te zien als wettelijke basis voor een selectieve dienstplicht is de vraag aan de orde of dat standpunt houdbaar is en de Kaderwet daarvoor inderdaad een deugdelijke fundering biedt.

Opleggen van militaire dienstplicht heeft, nog veel meer wanneer dat selectief gebeurt, zeer vergaande invloed op het persoonlijk leven van burgers. Anders dan bij andere, gelijkwaardige burgers het geval is, worden zij in potentieel levensgevaarlijke situaties gebracht, worden hun burgerlijke vrijheden tijdelijk zeer ingeperkt en er wordt hen, zeker in vergelijking tot hun niet opgeroepen leeftijdgenoten, omvangrijk economisch nadeel toegebracht. Dat is alleen acceptabel als daartoe een absolute, aantoonbare noodzaak bestaat.

De grondwetgever heeft die noodzaak vastgesteld in Artikel 98, hetgeen heeft geleid tot achtereenvolgens de oude Dienstplichtwet en de Kaderwet dienstplicht.

Echter, daarbij is steeds uitgegaan van een generieke dienstplicht, dus geldend voor iedereen, behoudens ongeschiktheid en overtolligheid. Een bevoegdheid om selectief de dienstplicht op te leggen, dus te volstaan met het «eruit pikken» van beperkte groepen met bijzondere eigenschappen zou veel verder gaan. De hier aan het woord zijnde leden constateren dat de Kaderwet niet rept van een selectieve dienst- respectievelijk opkomstplicht.

Op grond waarvan meent de regering dat de Kaderwet dienstplicht in zijn huidige vorm een deugdelijke wettelijke grondslag biedt voor het opleggen van zó vergaande verplichtingen aan kleinere, nader te omschrijven groepen?

Hoe acht de regering dit standpunt verdedigbaar in het licht van Artikel 1 (gelijkheid), Artikel 10 (persoonlijke levenssfeer), Artikel 11 (onaantastbaarheid van het lichaam) en Artikel 98 (verplichting militaire dienst) van de Grondwet?

Deelt de regering de overtuiging van de leden van de VVD-fractie dat de voorwaarden waaronder en de criteria waarmee die groepen worden bepaald, moeten zijn geregeld bij wet in formele zin? Overweegt de regering te dien einde voorstellen te doen tot modernisering van de dienstplichtwetgeving?

3. Vragen en opmerkingen van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering in de memorie van toelichting schrijft dat de invoering van dienstplicht voor vrouwen een groter potentieel aan dienstplichtigen betekent, wat weer de kans vergroot dat zowel man als vrouw op de juiste plek terechtkomt. Dat vereist dan wel een actief en daarop gericht personeelsbeleid. Hoe wil de regering zeker stellen dat na de beëindiging van de opschorting van de opkomstplicht vrouwen net zoveel kans maken op hogere functies – waar geen zware fysieke eisen aan worden gesteld – als mannen?

De leden van de D66-fractie zijn daarnaast van mening dat voor een gelijkwaardige plaats van mannen en vrouwen bij Defensie ook gelijke salariëring voor gelijke functies noodzakelijk is. Is de regering het hiermee eens en hoe wordt dit zeker gesteld? En wat kan deze wet betekenen voor de implementatie van het Actieplan 1325?

In de memorie van toelichting staat dat het evident is dat mannen en vrouwen fysiek niet gelijk zijn, maar dat dit niet hoeft «te leiden tot ongelijkheid in rechten en plichten».3 De leden van de D66-fractie benadrukken dat in het regeerakkoord is overeengekomen dat partners aanvullend vijf weken betaald kraamverlof krijgen. Kan de regering aangeven of dat ook zal gelden voor partners die opgeroepen zijn?

De genoemde leden vragen daarnaast of de regering verduidelijking geven over de positie van intersekse personen, oftewel mensen die geboren zijn met een lichaam dat niet voldoet aan de normatieve definitie van man of vrouw.

Ook horen de leden van de D66-fractie graag hoe wordt bepaald wie van de ouders/verzorgers uitstel, vrijstelling of ontheffing krijgt, in geval dat meerdere ouders/verzorgers worden opgeroepen hun dienstplicht te vervullen.

Tenslotte vragen de genoemde leden graag aan de regering of zij in Europees en NAVO-verband wil ondersteunen dat andere lidstaten een dergelijke aanpak ontwikkelen, gericht op een gelijkwaardige plaats van alle militairen en niet-militairen binnen Defensie.

4. Vragen en opmerkingen van de fractie van PvdA

De leden van de PvdA-fractie gaan ervan uit dat het wetsvoorstel niet op zich staat, maar onderdeel is van het bredere emancipatiebeleid van het kabinet. Is de regering dit met hen eens en kan zij aangeven hoe deze maatregel zich verhoudt tot dat brede emancipatiebeleid?

De regering acht invoering van de dienstplicht voor vrouwen gerechtvaardigd nu hun sociaaleconomische positie en hun gemiddeld opleidingsniveau die van mannen naderen. In de ogen van de leden van de PvdA-fractie valt daar nog wel wat op af te dingen. Hoewel de arbeidsdeelname van vrouwen sterk is gestegen, is het aantal vrouwen dat economisch zelfstandig is nog steeds veel lager dan het aantal mannen, nemen vrouwen een fors groter deel van de zorgtaken op zich en ontvangen vrouwen minder loon voor hetzelfde werk.

Het opleidingsniveau van vrouwen is weliswaar sterk gestegen, maar vaak kiezen zij daarbij voor opleidingen die minder perspectief bieden op economische zelfstandigheid. Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie dan ook een nadere toelichting op dit punt. Welke inzet mogen zij op deze punten van de regering verwachten?

Hoewel invoering van de dienstplicht voor vrouwen naar de mening van de leden van de PvdA-fractie op dit moment vooral een «symbolisch» karakter lijkt te hebben gezien de opschorting van de opkomstplicht, dient voorkomen te worden dat na aanvaarding van het wetsvoorstel wordt overgegaan tot de orde van de dag. In dat kader horen de leden van de PvdA-fractie graag van de regering hoe zij denkt de krijgsmacht voor te bereiden op de mogelijke inzet van dienstplichtige vrouwen.

De genoemde leden constateren dat vanaf het moment dat de wet in werking treedt alle 17-jarigen een brief ontvangen met daarin de mededeling dat zij worden ingeschreven voor de dienstplicht. Noch uit de memorie van toelichting, noch bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is gebleken dat de regering voornemens is voorafgaand daaraan voorlichting te verstrekken over deze voor meisjes en hun ouders/verzorgers nieuwe situatie. De informatievoorziening is beperkt gebleven tot de internetconsultatie.

De leden van de PvdA-fractie achten het gewenst dat in een eerder stadium op brede schaal informatie wordt verstrekt, bijvoorbeeld via scholen, door middel van een voorlichtingscampagne. Onderschrijft de regering dit belang en hoe gaat zij daar invulling aan geven?

De leden van de PvdA-fractie wachten de antwoorden van de regering met belangstelling af.

5. Vragen en opmerkingen van de fractie van SGP

De leden van de SGP-fractie stellen dat de Nederlandse krijgsmacht kampt met forse knelpunten en tekorten. Het bevreemdt de genoemde leden derhalve dat de regering vervolgens voorstellen op het terrein van defensie presenteert met een hoog symbolisch gehalte. Er is immers geen enkel zicht op herinvoering van de militaire dienstplicht of activering van de opkomstplicht. Dat roept vragen op over de prioriteitstelling van het departement. Is er zoveel ambtelijke overcapaciteit op het ministerie dat er tijd en middelen beschikbaar zijn voor deze theoretische denkexercities, zo vragen de leden van de SGP-fractie? Op welke wijze kan deze ambtelijke capaciteit effectiever benut worden ten dienste van de krijgsmacht?

De leden van de SGP-fractie constateren dat het wetsvoorstel zijn achtergrond vindt in het streven naar genderneutraliteit, niet in het streven naar een optimale krijgsmacht. De leden van de SGP-fractie hebben moeite met deze groteske, ideologische benadering. Man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar zijn – gelukkig – niet hetzelfde. Mannen en vrouwen vullen elkaar op talloze manieren aan. Genderneutraliteit is in die zin net zo (on)zinnig als de gelijkheid van kleuren, zo stellen de genoemde leden. Daarom moet het onderscheid tussen mannen en vrouwen niet worden weggepoetst, maar dankbaar gekoesterd. Laat de regering zich in haar beleid niet ten onrechte imponeren door de modieuze gender-ideologie, die poneert dat het biologische geslacht van de mens als man en vrouw geen betekenis heeft voor zijn identiteit? Kan de regering nog eens helder uitleggen waarom de positie van vrouwen gediend of verbeterd wordt door hen een oorlogssituatie in te kunnen sturen?

De leden van de SGP-fractie merken op dat in ieder geval bepaalde legeronderdelen, zoals de onderzeedienst of speciale eenheden, zich niet of veel minder lenen voor actieve betrokkenheid van vrouwen. Wordt dit erkend en gerespecteerd in dit wetsvoorstel? Op welke wijze? Is tevens gegarandeerd dat wordt voorkomen dat beide ouders worden opgeroepen? Langs welke weg is dit geborgd?

De leden van de SGP-fractie informeren daarnaast waarom in het wetsvoorstel vrouwen niet de ruimte wordt geboden voor keuzevrijheid. Indien vrouwen in dienst willen, dan krijgen zij daarvoor de mogelijkheid. Als zij dit niet wensen, dan is er geen verplichting. Waarom is deze mogelijkheid niet in het wetsvoorstel gecreëerd, maar is er slechts sprake van een platte verplichting?

Tot slot vragen de leden van de SGP-fractie wanneer het huidige uniformverbod wordt afgeschaft of tenminste versoepeld. Is het geen groot bezwaar dat in onze samenleving inmiddels zelden militairen in uniform meer zijn te zien?

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking zien de antwoorden van de regering graag binnen vier weken met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Vlietstra

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP) (vicevoorzitter), Ten Hoeve (OSF), Van Kappen (VVD), Kuiper (CU), Schaap (VVD) (vicevoorzitter), Strik (GL), Knip (VVD), Faber-van de Klashorst (PVV), De Graaf (D66), De Grave (VVD), Martens (CDA), Postema (PvdA) Vlietstra (PvdA) (voorzitter), Van Beek (PVV), Lokin-Sassen (CDA), Van Apeldoorn (SP), Dercksen (PVV), D.J.H. van Dijk (SGP), Knapen (CDA), Lintmeijer (GL), Van Rij (CDA), Schaper (D66), Stienen (D66), Teunissen (PvdD), Overbeek (SP), Sini (PvdA), Baay-Timmerman (50PLUS)

X Noot
2

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 764 Nr. 3, Blz. 4

X Noot
3

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 764 Nr. 3, Blz. 5

Naar boven