Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734747 nr. 2

34 747 Voorstel van wet van de leden De Graaf, Fritsma en Wilders houdende een regeling inzake administratieve detentie (Wet administratieve detentie)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in het belang van de nationale veiligheid administratieve detentie mogelijk te maken;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Op voorstel van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien dit noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met mogelijke terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan een vrijheidsontnemende maatregel opleggen.

Artikel 2

  • 1. Een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd voor een periode van ten hoogste zes maanden, maar niet langer dan strikt noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. De maatregel kan worden verlengd met een telkens door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen periode van ten hoogste zes maanden.

  • 2. Een vrijheidsontnemende maatregel wordt ingetrokken zodra deze niet langer noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid.

  • 3. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de beslissing tot het opleggen of wijzigen van een vrijheidsontnemende maatregel niet tevoren op schrift kan stellen, maakt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de beslissing op een door hem te bepalen wijze aan de betrokkene bekend. In dat geval zorgt hij alsnog onverwijld voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking aan belanghebbende overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3

  • 1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen het besluit omtrent een vrijheidsontnemende maatregel slechts beroep worden ingesteld door de persoon aan wie de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

  • 2. In afwijking van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, doet de rechtbank Den Haag, indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit omtrent een vrijheidsontnemende maatregel, binnen zeven dagen na de instelling van het beroep uitspraak.

  • 3. De rechtbank Den Haag toetst of de Minister in redelijkheid tot zijn besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel heeft kunnen komen.

Artikel 4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van deze wet.

Artikel 5

In bijlage 1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Wet administratieve detentie: artikel 3.

Artikel 6

Deze wet treedt onder toepassing van artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 7

Deze wet wordt aangehaald als: Wet administratieve detentie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,