Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 februari 2018
Tijdens het debat op 14 juni 2017 over het bericht dat een veroordeelde jihadist is
aangehouden op vliegbasis Volkel (Handelingen II 2016/17, nr. 87, item 6), hebben het toenmalige lid van uw Kamer Knops en het lid Tellegen een motie ingediend,
waarin werd gevraagd om aandacht voor mogelijkheden om te voorkomen dat terrorismeverdachten
in vrijheid hun hoger beroep afwachten (Kamerstuk 34 550 X, nr. 95). Deze thematiek moest worden meegewogen bij bepaling van de inhoud van het wetsvoorstel
versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme (Kamerstuk 34 746, nr. 2 e.v.).
De motie ziet blijkens het dictum op de situatie waarin de verdachte veroordeeld is
door de rechtbank, maar, omdat hij in hoger beroep is gegaan, de opgelegde straf nog
niet ten uitvoer kan worden gelegd. In plaats daarvan is dan nog steeds de regeling
van voorlopige hechtenis van toepassing (artikel 75 Sv). Daarmee bestaat een titel
voor vrijheidsbeneming die de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, kan
toepassen – mits hij daartoe voldoende gronden aanwezig acht. Bovendien kan een eventuele
tussentijdse schorsing van de voorlopige hechtenis gepaard gaan met het stellen van
vrijheidsbeperkende voorwaarden aan de verdachte.
Wanneer de voorlopige hechtenis de duur van de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsstraf
(gerekend per theoretische datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling op basis
van de opgelegde straf) overschrijdt, wordt de voorlopige hechtenis opgeheven (artikel
75, vierde lid, Sv). De betrokkene heeft dan immers feitelijk de door de rechtbank
opgelegde vrijheidsstraf uitgezeten. Met de opheffing van de voorlopige hechtenis
vervalt echter tevens een grondslag voor het stellen van vrijheidsbeperkende voorwaarden
of maatregelen (in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis).
Indien de rechter evenwel de oplegging van vrijheidsbeperkende voorwaarden of maatregelen
nodig acht – zoals een meldplicht, een contactverbod, een gebod om op bepaalde tijdstippen
op een bepaalde locatie (bijv. thuis) te zijn, of een verbod om op bepaalde plaatsen
te komen – en ook vindt dat die voorwaarden of maatregelen direct moeten ingaan, staan
hem daartoe twee aparte modaliteiten ter beschikking, die los staan van de regeling
van voorlopige hechtenis.
De eerste mogelijkheid betreft het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de (bijzondere)
voorwaarden die de rechter in eerste aanleg verbindt aan een voorwaardelijk strafdeel
(artikel 14e Sr). De rechter kan ook het toezicht op de naleving van die voorwaarden
dadelijk uitvoerbaar verklaren en daarbij elektronisch toezicht – de verplichting
tot het dragen van een enkelband, zo nodig met GPS – opleggen (artikel 14c, derde
lid, Sr). Bij overtreding van een bijzondere voorwaarde kan de rechter bepalen dat
het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd, ondanks
het feit dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is, zo is recent bepaald door
de Hoge Raad (Hoge Raad 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3186). In zaken van terrorismeverdachten
wordt sinds enige tijd stelselmatig door de rechter gebruik gemaakt van deze mogelijkheid
(zie bijvoorbeeld Rechtbank Rotterdam 29 augustus 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:6681; Rechtbank
Amsterdam 1 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7126; Rechtbank Den Haag 22 februari
2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1598; Rechtbank Midden-Nederland 24 mei 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2561;
Rechtbank Rotterdam 13 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8858).
Een tweede mogelijkheid is de oplegging van een zelfstandige vrijheidsbeperkende maatregel
en deze dadelijk uitvoerbaar verklaren (artikel 38v Sr). Deze maatregel kan eveneens
bestaan uit oplegging van een meldplicht, contactverbod, een gebod om op bepaalde
tijdstippen op een bepaalde locatie (bijv. thuis) te zijn, of een verbod om zich op
bepaalde plaatsen te bevinden. Oplegging vindt plaats voor een termijn van maximaal
vijf jaar. Bij overtreding van de opgelegde maatregel is een door de rechter reeds
bij oplegging van de maatregel vastgestelde periode van vervangende hechtenis van
toepassing, die overigens de verplichting om de vrijheidsbeperkende maatregelen na
te leven niet opheft. Deze maatregel kan niet worden gehandhaafd door een enkelband
met GPS, en zal daarom in geval van personen veroordeeld voor terrorisme-gerelateerde
misdrijven vaak minder geschikt zijn.
Uit overleg met het openbaar ministerie en de Raad voor de rechtspraak leid ik af
dat de bestaande maatregelen – met name de eerstgenoemde mogelijkheid -voldoende handvatten
bieden om personen die veroordeeld zijn voor een terrorisme-gerelateerd misdrijf na
het verstrijken van de termijn van de opgelegde vrijheidsstraf, met toepassing van
een aantal vrijheidsbeperkende maatregelen onder toezicht te laten terugkeren in de
samenleving. Deze thematiek behoeft dus geen nadere aandacht in het kader van het
wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus