Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834743 nr. 6

34 743 Wijziging van de Waterwet en van de Wet maritiem beheer BES in verband met de uitvoering van de wijziging van het Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972 (mariene geo-engineering)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 18 december 2017

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks hebben enige vragen en opmerkingen. Op de vragen en opmerkingen zal ik hierna ingaan.

Algemeen

Uit de opmerkingen en bedenkingen van de leden van de GroenLinks-fractie leid ik af dat zij moeite hebben met de «nee, tenzij» ten aanzien van mariene geo-engineeringsactiviteiten, omdat onderzoek naar de effecten van «ocean fertilisation» beperkt zou moeten blijven tot laboratoriumproeven en niet zonder meer kunnen worden uitgevoerd in het vrije milieu. Aangezien beoogde klimaateffecten in kleinschalige open proeven nooit kunnen worden aangetoond, zijn de risico’s altijd groter dan de mogelijke baten, aldus de leden.

De regering deelt de mening van de leden dat terughoudendheid moet worden betracht bij het toestaan van mariene geo-engineeringsactiviteiten. Het Londen Protocol legt de mogelijkheden tot oceaanbemesting sterk aan banden. In beginsel wordt oceaanbemesting verboden. Alleen in het kader van legitiem wetenschappelijk onderzoek kan onder bepaalde omstandigheden en onder voorwaarden een oceaanbemestingsactiviteit worden toegestaan. Het verdrag voorziet in het kunnen vergunnen van activiteiten in het kader van wetenschappelijk onderzoek. De reden daarvoor is dat de verdragsluitende partijen, waaronder de Nederlandse regering, erkennen dat het nodig kan zijn de natuurlijke processen en de effecten op het mariene milieu beter te begrijpen. Onderzoek buiten laboratoria in zee zal meer inzicht kunnen verschaffen in de resultaten van oceaanbemesting.

Voor oceaanbemestingsactiviteiten in het kader van wetenschappelijk onderzoek geldt zowel het algemene als een specifiek beoordelingskader op grond van het Protocol. Met de beoordeling van een onderzoeksvoorstel volgens deze kaders wordt voorkomen dat onderzoek «zonder meer» kan worden uitgevoerd in het zeemilieu. Het algemene beoordelingskader vereist onder andere dat bij een aanvraag voor wetenschappelijk onderzoek duidelijk wordt gemotiveerd waarom de verwachte resultaten niet redelijkerwijs met andere methoden kunnen worden behaald. Verder mogen volgens het algemene beoordelingskader geen financiële of economische voordelen voortvloeien uit het experiment of de resultaten daarvan. Het specifieke beoordelingskader voor de oceaanbemestingsactiviteiten is de op 14 oktober 2010 aangenomen Resolutie LC-LP.2. (2010) inzake het Toetsingskader voor wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot oceaanbemesting. Daarin zijn de voorwaarden opgenomen waaraan het onderzoek moet voldoen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten in staat zijn om mogelijke experimenten en de bijbehorende risico’s goed te vergunnen, begeleiden, monitoren en zo nodig in te grijpen en schade te herstellen. Daarnaast vragen de leden of Nederland wordt betrokken bij mogelijke vormen van mariene geo-engineering en bij toetsing, vergunningverlening en monitoring.

Het onderhavige wetsvoorstel geldt niet voor de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De regeringen van deze landen hebben de wenselijkheid van medegelding van de verdragswijziging nog in beraad. Indien zij medegelding wensen, dient uitvoeringswetgeving tot stand gebracht te worden, voordat de wijziging voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten kan worden aanvaard. Op dit moment kan om die reden nog niet worden gezegd hoe die landen uitvoering zullen geven aan de wijziging van het Londen Protocol ten aanzien van mariene geo-engineeringsactiviteiten.

Wijziging van de Wet maritiem beheer BES

De leden van de D66-fractie vragen of de regering inzicht kan geven in de concrete vertaling naar de situatie in het Koninkrijk der Nederlanden van de bepalingen in het Protocol omtrent oceaanbemesting. Zij vragen welke instanties dergelijk wetenschappelijk onderzoek zouden kunnen uitvoeren en welke instanties gaan toetsen of dergelijk wetenschappelijk onderzoek legitiem is.

Artikel 6.8 van het Waterbesluit bepaalt dat een vergunning op grond van artikel 6.3 van de Waterwet slechts kan worden verleend in overeenstemming met het Protocol. Het voorgestelde artikel 46a, tweede lid, van de Wet maritiem beheer BES bepaalt hetzelfde voor vergunningverlening op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dat betekent dat conform het algemene en het specifieke beoordelingskader voor oceaanbemesting beoordeeld moet worden of sprake is van legitiem wetenschappelijk onderzoek. Daarvoor wordt een initiële beoordeling uitgevoerd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende criteria:

  • de voorgestelde activiteit is ontworpen om vragen te beantwoorden die tot uitbreiding van de wetenschappelijke kennis leiden;

  • in het onderzoeksvoorstel moet melding worden gemaakt van de ratio, onderzoeksdoelen, wetenschappelijke hypotheses en methoden, schaal, tijdspaden, duur en locaties van de activiteit;

  • in het onderzoeksvoorstel moet duidelijk worden gemotiveerd waarom de verwachte resultaten niet redelijkerwijs met andere methoden kunnen worden behaald;

  • er mag geen sprake zijn economische belangen die het ontwerp, de wijze van uitvoering of de resultaten van het onderzoek beïnvloeden;

  • de voorgestelde activiteit moet in daarvoor in aanmerking komende fases van het beoordelingsproces aan een wetenschappelijke beoordeling door vakgenoten worden onderworpen;

  • de voorstanders van de voorgestelde activiteit committeren zich aan het publiceren van de resultaten in wetenschappelijke publicaties en nemen in het voorstel een plan op om de gegevens en resultaten algemeen beschikbaar te stellen.

Vergunningaanvragen die niet voldoen aan het bovenstaande, kunnen niet verder in behandeling worden genomen door het bevoegd gezag.

Er zijn in Nederland meerdere instituten en universiteiten die wetenschappelijk onderzoek kunnen uitvoeren op het gebied van mariene geo-engineering. Gedacht zou kunnen worden aan instellingen als het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ), Wageningen University and Research (WUR) en het Rathenau Instituut.

Het bevoegd gezag voor de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor oceaanbemestingsactiviteiten, en dus of wetenschappelijk onderzoek legitiem is, is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (op grond van artikel 6.3 van de Waterwet of 46a van de Wet maritiem beheer BES).

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga