34 716 Voorstel van wet van het lid Jetten houdende verandering in de Grondwet, strekkende tot de deconstitutionalisering van de benoeming van de commissaris van de Koning en de burgemeester

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 6 november 2017

De initiatiefnemer dankt de leden van de fracties van de VVD, CDA, SP, PvdA, ChristenUnie, SGP en 50PLUS voor hun belangstelling en de moeite die zij gestoken hebben in de voorbereiding van het verslag. Hij zal uiteraard naar beste vermogen antwoord geven op de in het verslag gestelde vragen

De leden van de VVD-fractie stelden dat voorstellen tot verandering van de aanstellingswijze van de burgemeester bezien moeten worden in het totaal van de grondwettelijke fundering van de decentrale overheid. Zij achtten het ook denkbaar dat de wijze van aanstellen van de commissaris van de Koning en de burgemeester van elkaar verschilt, passend bij de positie en de rol van beide functionarissen. Zij vroegen de initiatiefnemer op deze punten in te gaan.

De initiatiefnemer deelt het uitgangspunt van de aan het woord zijnde leden dat een debat over de aanstellingswijze van burgemeester en commissaris van de Koning gevoerd zal moeten worden met inachtneming van hun positie en rol in het decentrale bestel. Dit wetsvoorstel ziet echter slechts toe op de vraag wie die discussie voert: de grondwetgever of de wetgever. Om die reden zal de initiatiefnemer niet vooruitlopen op mogelijke conclusies ten aanzien van dat debat. Dat geldt uiteraard ook voor de vraag of er verschillen denkbaar zijn tussen de aanstellingswijze van de commissaris van de Koning en de burgemeester.

De leden van de CDA-fractie vroegen de initiatiefnemer nog eens uitdrukkelijk in te gaan op de taakverdeling tussen wetgever en grondwetgever. Daarbij verzochten de aan het woord zijnde leden of hij hun opvatting deelt dat deconstitutionalisering niet vooruitloopt op de discussie over de aanstellingswijze als zodanig.

De initiatiefnemer heeft voor dit voorstel twee criteria gehanteerd ter beantwoording van de vraag of de benoemingswijze in de Grondwet of gewone wet geregeld dient te worden. Dat betreft allereerst de vraag of de aanstellingswijze van wezenlijk belang is voor organisatie van de belangrijkste staatsinstellingen, en ten tweede of deze van wezenlijk belang voor de rechten en plichten van burgers. Beiden beantwoordt hij met nee. Het is een procedureel artikel en voor vele andere hoge ambten volstaat reeds regeling bij wet. Het wetsvoorstel tot deconstitutionalisering richt zich dan ook puur op die vraag. Een debat over de aanstellingswijze kan pas volledig open en vrij gevoerd worden zodra de Grondwet de debatruimte niet meer op voorhand beperkt. Op verzoek van de Eerste Kamer zijn door de regering voorbereidende onderzoeken getroffen voor die discussie, zonder op de conclusies vooruit te lopen.1 Dat onderscheid tussen deconstitutionalisering en het inhoudelijke debat over de benoemingswijze is ook de insteek van de initiatiefnemer.

De leden van de SP-fractie en de PvdA-fractie vroegen beiden of de initiatiefnemer bereid was de plenaire behandeling pas aan te vangen na de presentatie van het nieuwe regeerakkoord. Zoals deze leden nu kunnen constateren heeft de initiatiefnemer aan dit verzoek kunnen voldoen.

De leden van de PvdA-fractie vroegen voorts naar de berichtgeving in de pers gedurende de formatie dat de beoogde coalitiepartijen in het regeerakkoord gingen opnemen dat er een direct gekozen burgemeester zou gaan komen. Zij wilden weten of dit het voorliggende wetsvoorstel in een andere context plaatst.

De initiatiefnemer kan daarop antwoorden dat deze berichtgeving niet correct was en er dus ook geen sprake is van een andere context van het voorliggende wetsvoorstel. In het regeerakkoord is slechts de volgende zin opgenomen: «De behandeling van het initiatiefvoorstel tot grondwetsherziening in tweede lezing inzake de deconstitutionalisering van de benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning wordt voortgezet.»

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen om uitgebreider te reflecteren op de kritiek van de Raad van State met betrekking tot het moment waarop het wetsvoorstel aanhangig is gemaakt, in het bijzonder op de gevolgen dit heeft of kan hebben voor de wijze waarop initiatiefvoorstellen tot wijziging van de Grondwet in de toekomst in tweede lezing aanhangig worden gemaakt.

De initiatiefnemer constateert dat sinds het door de hier aan het woord zijnde leden stellen van deze vraag voorlichting van de Raad van State op dit onderwerp verschenen is naar aanleiding van het vervallen van het tweede lezingsvoorstel-Van Tongeren ten aanzien van constitutionele toetsing.2 Hij acht de in die voorlichting gegeven overwegingen van de Raad van State nuttige bouwstenen voor discussie in de Tweede Kamer over de te maken afspraken over tweede lezingsvoorstellen. Daarbij staat het op een correcte wijze uitvoering geven aan de Grondwet voorop.

De leden van de SGP-fractie stelden de initiatiefnemer geen vragen, maar gaven de aanzet tot een andere discussie: over de wijze van aanstelling en de waarde van de Kroonbenoeming. Ook zo’n discussie zou wat betreft de initiatiefnemer open gevoerd moeten kunnen worden, zonder dat grondwettelijk bepaalde keuzerichtingen uitgesloten zijn. In dat licht hoopt de initiatiefnemer toch enige inhoudelijke waardering voor het voorliggende voorstel aan de aan het woord zijnde leden te ontlokken.

De leden van de 50PLUS-fractie gaven aan het voorstel te zien als een belangrijke stap naar bestuurlijke vernieuwing en spraken de hoop op een spoedig vervolgtraject na aanname van het wetsvoorstel uit. De initiatiefnemer dankt deze leden voor de bemoedigende woorden.

Jetten


X Noot
1

Toezegging T02109 van 21 april 2015 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (https://www.eerstekamer.nl/toezegging/regierol_minister_33_239).

X Noot
2

Kamerstukken II 2017/18, 32 334 nr. 11.

Naar boven