Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734695 nr. 2

34 695 Voorstel van wet van de leden Maij en Anne Mulder tot verbetering van de informatiepositie van de Staten-Generaal met betrekking tot de Europese Unie (Wet informatiepositie Staten-Generaal inzake de Europese Unie)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijke regels te stellen met betrekking tot de informatiepositie van de Staten-Generaal met betrekking tot de Europese Unie;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Onze Minister die het aangaat is in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk voor het tijdig, doorlopend en volledig inlichten van de beide Kamers der Staten-Generaal over aangelegenheden betreffende de Europese Unie.

Artikel 2

  • 1. Onze Minister die het aangaat en Onze Minister van Buitenlandse Zaken dragen zorg voor het overdragen en het uitdragen van de standpunten die de beide Kamers der Staten-Generaal in aangelegenheden betreffende de Europese Unie innemen, binnen en bij de bij de besluitvorming van de Europese Unie betrokken organen.

  • 2. Elk van de beide Kamers der Staten-Generaal kan, binnen twee maanden nadat het een voorstel voor een wetgevingshandeling als bedoeld in artikel 2 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie heeft ontvangen, besluiten dat zij het voorstel van zodanig politiek belang acht dat zij over de behandeling daarvan op bijzondere wijze wenst te worden geïnformeerd. De Kamer stelt de regering daarvan schriftelijk in kennis.

  • 3. De regering zal onverwijld na de mededeling als bedoeld in het tweede lid een parlementair voorbehoud maken in het kader van de voor de behandeling van het voorstel te volgen wetgevingsprocedure.

  • 4. Binnen vier weken na de mededeling als bedoeld in het tweede lid zal een overleg plaatsvinden met de regering over het bijzondere politieke belang van het voorstel, waarin tevens afspraken worden gemaakt over de wijze van informatieverstrekking door de regering, over het verloop van de onderhandelingen en van de wetgevingsprocedure en over eventueel vervolgoverleg.

  • 5. Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op voorstellen waarvoor de instemmingsprocedure, bedoeld in artikel 3, geldt.

Artikel 3

  • 1. Een ontwerp van een besluit dat beoogt het Koninkrijk te binden, wordt voordat daaromtrent enigerlei besluitvorming door de Raad overeenkomstig de artikelen 77, derde lid, 87, derde lid, en 89 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zoals vastgesteld bij het in artikel 1 genoemde Verdrag van Lissabon plaatsvindt, terstond nadat de tekst van dat ontwerp tot stand is gekomen aan de Staten-Generaal voorgelegd.

  • 2. Instemming van de Staten-Generaal is vereist voordat de vertegenwoordiger van het Koninkrijk zijn medewerking kan verlenen aan het tot stand komen van een besluit als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Stilzwijgende instemming is verleend indien niet binnen vijftien dagen na overlegging van het ontwerpbesluit aan de Staten-Generaal door of namens een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het ontwerpbesluit de uitdrukkelijke instemming behoeft.

  • 4. De voorgaande leden zijn van toepassing op een ontwerp van een besluit krachtens artikel 81, derde lid, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zoals vastgesteld bij het in artikel 1 genoemde Verdrag van Lissabon, voor zover en voor zolang het bepaalde in de tweede alinea van het derde lid van dat artikel geen toepassing vindt.

Artikel 4

  • 1. Onze Minister die het aangaat zendt in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken onverwijld aan de beide Kamers der Staten-Generaal de in de bijlage bij deze wet onder lijst I en II opgenomen schriftelijke inlichtingen, alsook inlichtingen die daar nauw mee samenhangen.

  • 2. De inlichtingen worden zoveel mogelijk verstrekt in de Nederlandse taal. Indien op het moment van toezending aan de Kamers geen versie in de Nederlandse taal beschikbaar is, worden de inlichtingen verstrekt in de Engelse taal, waarna een vertaling in de Nederlandse taal zo spoedig mogelijk aan de Kamers ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 5

  • 1. Met EU-voorstellen zoals opgenomen in de bijlage bij deze wet onder lijst I wordt telkens een oplegbrief, als opgenomen in de bijlage bij deze wet onder lijst III, meegezonden.

  • 2. Binnen zes weken na toezending van een EU-voorstel als bedoeld in het eerste lid, wordt een BNC-fiche, als opgenomen in de bijlage bij deze wet onder lijst III, aan de beide Kamers der Staten-Generaal verstrekt. In afwijking van de vorige volzin wordt het BNC-fiche binnen drie weken verstrekt indien het een EU-voorstel voor een wetgevingshandeling als bedoeld in artikel 2 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie betreft.

  • 3. Op verzoek van één der Kamers wordt een verstrekt BNC-fiche als bedoeld in het tweede lid, door Onze Minister van Buitenlandse Zaken of Onze Minister die het aangaat, uitgebreid met nadere, door die Kamer aan te geven, inlichtingen. De Kamer die verzoekt om nadere inlichtingen stelt een termijn waarbinnen de uitbreiding geschiedt.

  • 4. Binnen zes weken nadat de besluitvorming binnen de Europese Unie over een EU-voorstel zoals opgenomen in lijst I bij deze wet is afgerond, zendt Onze Minister van Buitenlandse Zaken of Onze Minister die het aangaat aan de beide Kamers der Staten-Generaal een BUC-fiche als opgenomen in de bijlage bij deze wet onder lijst III.

Artikel 6

  • 1. Onze Minister van Buitenlandse Zaken zendt een agenda zoals in de bijlage van deze wet onder lijst IV, onder a, is opgenomen ten minste een week voor de betreffende bijeenkomst aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

  • 2. Onze Minister van Buitenlandse Zaken kan in overleg met de commissies van de Eerste en Tweede Kamer die het aangaat van de in het eerste lid genoemde termijn afwijken.

  • 3. Onze Minister van Buitenlandse Zaken informeert beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld over wezenlijke veranderingen die zich voordoen in de op grond van het eerste lid toegezonden agenda.

  • 4. Na afloop van een bijeenkomst waarvoor een agenda op grond van het eerste lid is toegezonden, zendt Onze Minister van Buitenlandse Zaken onverwijld een verslag zoals opgenomen in de bijlage van deze wet onder lijst IV, onder b aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 7

  • 1. Onze Minister van Buitenlandse Zaken zendt beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld een door de Europese Commissie opgesteld Groenboek of Witboek.

  • 2. Dertig dagen voordat de Europese Commissie van de lidstaten een reactie op een Groenboek of een Witboek wenst te ontvangen zendt Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan de beide Kamers der Staten-Generaal een concept van zijn reactie.

  • 3. Een afschrift van de reactie die aan de Europese Commissie wordt verzonden, alsook een afschrift van andere reacties op overige consultaties door de Europese Commissie, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal gezonden.

Artikel 8

  • 1. Onze Minister van Buitenlandse Zaken zendt viermaal per jaar aan de beide Kamers der Staten-Generaal een overzicht van:

    • a. de actuele politieke ontwikkelingen over zaken die betrekking hebben op de Europese Unie;

    • b. de voortgang van implementatie van Europese wetgevingsvoorstellen.

  • 2. Onze Minister van Buitenlandse Zaken zendt jaarlijks een overzicht van de belangrijkste politieke ontwikkelingen op het gebied van de Europese Unie alsmede van het door hem en door Onze Ministers die het aangaat gevoerde en te voeren beleid ten aanzien van de Europese Unie.

  • 3. Onverminderd het eerste en tweede lid verwittigt Onze Minister van Buitenlandse Zaken de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld bij majeure politieke ontwikkelingen die betrekking hebben op de Europese Unie.

Artikel 9

De leden van de Staten-Generaal hebben toegang tot inlichtingen aangaande de Europese Unie voor zover deze zijn opgenomen in een databank waartoe Onze Minister van Buitenlandse Zaken of Onze Minister die het aangaat toegang heeft.

Artikel 10

De leden van de Staten-Generaal bewaren geheimhouding over de inhoud van inlichtingen waarin hen op grond van deze wet inzage is verleend, voor zover deze inlichtingen door Onze Minister van Buitenlandse Zaken of Onze Minister die het aangaat als vertrouwelijk zijn aangemerkt.

Artikel 11

De vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Europese Unie staat ten dienste aan de Staten-Generaal en draagt zorg voor toegankelijkheid van zijn werkzaamheden voor de leden van de Staten-Generaal.

Artikel 12

  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen op verzoek van één van beide Kamers der Staten-Generaal aan de lijsten behorende bij deze wet documenten worden toegevoegd.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen na uitdrukkelijke instemming van de beide Kamers der Staten-Generaal documenten uit de lijsten behorende bij deze wet worden geschrapt.

  • 3. De in de lijsten genoemde stukken worden opgemaakt volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen sjabloon.

Artikel 13

Onze Minister van Buitenlandse Zaken zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 14

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 15

Deze wet wordt aangehaald als: Wet informatiepositie Staten-Generaal inzake de Europese Unie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Lijsten behorende bij het wetsvoorstel:

Lijst I – EU-voorstellen

  • a. Voorstellen voor wetgevende handelingen van de Europese Unie;

  • b. Voorstellen voor niet-wetgevende handelingen, zoals mededelingen, opiniestukken en aanbevelingen van de Europese Commissie;

  • c. Voorstellen en initiatieven om onderhandelingen te openen of wijzigingen aan te brengen in de Verdragen die ten grondslag liggen aan de Europese Unie;

  • d. Voorstellen en initiatieven die stappen zetten of onderhandelingen openen voor toetreding tot of uittreding van staten uit de Europese Unie;

  • e. Voorstellen en initiatieven voor besluiten met betrekking tot artikel 140, tweede lid, van het Werkingsverdrag van de Europese Unie over de introductie van de Euro als munteenheid;

  • f. Onderhandelingsmandaat voor de Europese Commissie om onderhandelingen aan te gaan voor internationale verdragen en overeenkomsten van de Europese Unie;

  • g. Initiatieven, onderhandelingsmandaten en onderhandelingsrichtsnoeren voor de Europese Commissie met betrekking tot het gemeenschappelijke handelsbeleid en de wereld handelsrondes;

  • h. Inter-institutionele afspraken die door de instellingen van de Europese Unie worden gemaakt;

  • i. Begrotings- en financiële plannen van de Europese Unie;

  • j. Concept internationale overeenkomsten en andere arrangementen als deze aanvullende of sterk gerelateerd zijn aan het recht van de Europese Unie, evenals discussiepapers, voorstellen en initiatieven in dit kader.

Lijst II – EU-documenten

  • a. Documenten die door of namens de Europese Unie aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken of Onze Minister die het aangaat zijn toegezonden ten behoeve van zogenaamde Eurotoppen of de Eurogroep of soortgelijke aangelegenheden;

  • b. Documenten die zijn verkregen in gremia die voorbereidende werkzaamheden verrichten ten behoeve van de onder a bedoelde gebeurtenissen.

  • c. Instructies aan de in artikel 11 bedoelde vertegenwoordiging;

  • d. Rapporten en verslagen afkomstig van de in artikel 11 bedoelde vertegenwoordiging voor zover het betreft de onder a bedoelde gebeurtenissen.

  • e. Rapporten, actieplannen en beleidsprogramma’s van de instellingen van de Europese Unie;

Lijst III – Leeswijzers

  • a. Oplegbrief: Een oplegbrief bevat in elk geval de volgende informatie:

    • 1°. de belangrijkste inhoud en doel van het EU-voorstel;

    • 2°. de datum van het verschijnen van de eerste versie alsook van verschijnen van de eerste versie in de Nederlandse taal;

    • 3°. de rechtsbasis van een voorgenomen besluit;

    • 4°. de toepasselijke besluitvormingsprocedure;

    • 5°. de naam van Onze Minister die het aangaat;

    • 6°. data ten behoeve van digitale verwerking.

  • b. BNC-fiche: Een document door de Kamers der Staten-Generaal te ontvangen bij de in lijst I genoemde documenten, waarvan de inhoud nader is uitgewerkt in een tussen de Staten-Generaal en Onze Minister van Buitenlandse Zaken overeen te komen sjabloon.

  • c. Aanvullend BNC-fiche: Een op verzoek van één van de Kamers der Staten-Generaal in aanvulling op het BNC-fiche toegezonden gedetailleerd verslag van complexe of significante door die Kamer aangegeven projecten.

  • d. BUC-fiche: een Beoordeling Uitonderhandeld Commissievoorstel (BUC-fiche), waarin in elk geval wordt ingegaan op:

    • 1°. hoe de vastgestelde wetgevingshandeling zich verhoudt tot de principes van subsidiariteit en proportionaliteit;

    • 2°. de nationale gevolgen voor de uitkomst van de onderhandeling, waaronder de gevolgen voor implementatie;

    • 3°. De appreciatie van de uitkomst, de verhouding tot de onderhandelingsinzet van Nederland en verantwoording over de Nederlandse inzet tijdens de onderhandeling.

Lijst IV Bijeenkomsten EU-gremia

  • a. Agenda van bijeenkomsten van de Europese Raad, bijeenkomsten van de Raad van de Europese Unie, informele ministeriële bijeenkomsten, Eurozone-toppen en bijeenkomsten van de Eurogroep met daarbij:

    • het kabinetsinzet bij de bijeenkomst;

    • de belangrijkste onderdelen van de stand van zaken van de onderhandelingen voor aanvang van de bijeenkomst;

    • het krachtenveld op de bijeenkomst;

    • de positie van het Europees Parlement bij de bijeenkomst;

    • de genomen initiatieven voorafgaand aan de bijeenkomst;

    • het verdere tijdpad van de onderhandelingen op de bijeenkomst.

  • b. Verslag van een onder a genoemde bijeenkomst waarin duiding en appreciatie wordt gegeven van het resultaat van de bijeenkomst afgezet tegen de inzet van Nederland en de inzet van de overige lidstaten op de belangrijkste punten.