Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 34682 nr. X |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 34682 nr. X |
Vastgesteld 19 juni 2024
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 heeft kennisgenomen van de brieven van de Minister voor Natuur en Stikstof van 15 januari en 28 februari over de stand van zaken Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en de rapportages Programma stikstofreductie en natuurverbetering.3 De fractieleden van de BBB en SP hadden naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding hiervan is op 15 mei 2024 een brief gestuurd aan de Minister voor Natuur en Stikstof.
De Minister heeft op 18 juni 2024 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer
Aan de Minister voor Natuur en Stikstof
Den Haag, 15 mei 2024
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brieven van 15 januari en 28 februari over de stand van zaken Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en de rapportages Programma stikstofreductie en natuurverbetering.4 De fractieleden van de BBB en SP hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen.
De fractieleden van GroenLinks-PvdA sluiten zich aan bij de vragen en opmerkingen van de fractieleden van de SP.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
Het NPLG bepaalt de fysieke ruimte in Nederland. De agrarische sector is koploper wat betreft het beperken van emissie naar het milieu, aldus de fractieleden van de BBB. Kunt u aangeven hoeveel andere sectoren moeten reduceren?
Het NPLG gaat uit van krimp van de agrarische sector. De fractieleden van de BBB vragen of u kunt aangeven welke innovatieve ontwikkelingen een kans van slagen hebben en ook juridisch houdbaar zijn op de lange termijn.
Hoe garandeert u de lange termijn zodat bedrijven hier ook op kunnen investeren?
De fractieleden van de BBB vragen of u kunt aangeven hoe het verdienmodel van de sector op een hoger niveau komt en welke maatregelen daarvoor benodigd zijn.
Bent u bereid om een landschapscommissaris te benoemen die het ruimtelijk vraagstuk in kaart brengt aan de hand van het agrarisch deltaplan 2030 waar de agrarische hoofdstructuur een onderdeel van is, zo vragen de leden van de BBB-fractie.
Hoe houdt het NPLG rekening met de natuurlijke krimp van de agrarische sector?
De fractieleden van de BBB vragen of u bereid bent om een onderzoek in te stellen naar annexatie van land op water om hiermee aan de ruimtelijke en milieutechnische doelen te voldoen.
Hoe voorziet u dat er altijd voldoende zoet water beschikbaar is voor de voedselproductie in Nederland?
Kunt u aangeven hoeveel grond er beschikbaar moet zijn in Europa om de voedselzekerheid te waarborgen en welke de rol Nederland hierin kan vervullen?
De Eerste Kamer heeft op 3 oktober 2023 het wetsvoorstel Tijdelijke wet Transitiefonds landelijk gebied en natuur (36 277) controversieel verklaard. Bent u het met de fractieleden van de BBB eens dat het daarom aan het nieuwe kabinet is zich te buiten over het NPLG en dat er geen financiële middelen beschikbaar zijn? Bent u het tevens met de fractieleden van de BBB eens dat de stekker uit het NPLG moet?
De fractieleden van de BBB vragen tenslotte of u kunt aangeven wat de gevolgen zijn van het NPLG voor de sociale cohesie op het platteland en op de agrarische sector in het bijzonder.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP
In 2030 komen slechts 31% van onze natuurgebieden onder de kritische depositiewaarde van stikstof, terwijl 50% het streven is, zo stellen de fractieleden van de SP. Een belangrijk deel van deze reductie komt door het Programma stikstofreductie en natuurverbetering. De fractieleden van de SP vragen of u kunt aangeven of door de reductie in natuurgebieden ook de natuurlijke kringloop van stikstof wordt hersteld. Wordt het bacterieleven in de bodem meegenomen bij de beoordeling van een bepaald natuurgebied? Zo ja, tot welke conclusies heeft dit geleid? Zo nee, waarom wordt dit niet meegenomen?
U geeft aan dat ook het wegvallen van de derogatie bijdraagt aan het verlagen van de stikstofdepositie. Kunt u aangeven hoeveel en op welke wijze de stikstofdepositie hiermee wordt verlaagd?
Niet alle plannen van de provincies worden overgenomen en u overweegt om gebiedsprogramma’s gedeeltelijk goed te keuren. De fractieleden van de SP vragen of u kunt aangeven wat dat betekent voor de samenhang van deze programma’s en de beschikbare financiële middelen?
Bij veel provinciale gebiedsprogramma’s zijn naast middelen die betrekking hebben op de uitvoering, ook middelen nodig voor onderhoud en beheer. Kunt u aangeven hoe de financiering van onderhoud en beheer moet worden bekostigd?
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ziet uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangt deze graag uiterlijk 7 juni 2024.
Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 juni 2024
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de fractieleden van de BBB en SP over het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en rapportages Programma stikstofreductie en natuurverbetering (174632.01U, ingezonden 15 mei 2024).
Minister voor Natuur en Stikstof, Ch. van der Wal-Zeggelink
Vragen en antwoorden van de fractieleden van de BBB
1
Het NPLG bepaalt de fysieke ruimte in Nederland. De agrarische sector is koploper wat betreft het beperken van emissie naar het milieu, aldus de fractieleden van de BBB. Kunt u aangeven hoeveel andere sectoren moeten reduceren?
Antwoord
Uit de Ramingen Luchtverontreinigende Stoffen 2023, de nevenpublicatie bij de Klimaat en Energieverkenning 2022 (https://www.pbl.nl/publicaties/geraamde-ontwikkelingen-in-nationale-emissies-van-luchtverontreinigende-stoffen-2023), blijkt dat alle sectoren een forse bijdrage hebben geleverd aan de reductie van broeikasgassen en luchtverontreinigende emissies. Deze bijdrage verschilt per stof en per sector. Bij de agrarische sector gaat het vooral om de reductie van NH3-emissies, terwijl de sectoren mobiliteit en industrie relatief veel hebben bijgedragen aan de reductie van emissies NOx en fijn stof (PM10).
Ten aanzien van stikstof geldt dat de emissies van ammoniak door de agrarische sector de afgelopen twintig jaar met 31 procent zijn teruggebracht. De emissies van NOx vanuit de industrie- en energiesector zijn in deze periode met 55 procent afgenomen en vanuit de mobiliteitssector ca. 35 procent. Met betrekking tot broeikasgassen is de uitstoot vanuit de industrie- en energiesector de afgelopen dertig jaar met ca. 31 procent afgenomen. Voor de mobiliteits- en landbouwsector is dit resp. 5 procent en 18 procent.
Op 10 februari 2023 heb ik indicatieve sectordoelen met de Kamer gecommuniceerd.5 Dat betreft voor de sectoren industrie/energie een doel van 38 procent reductie van NOx-emissies tussen 2019 en 2030, en voor mobiliteit een reductiedoel voor NOx-emissies van 25 procent tussen 2019 en 2030. Deze sectoren liggen volgens de rapportage van PBL op schema om deze doelen te realiseren.
Op basis van de doelen die in het ontwerp-NPLG staan moet de landbouwsector circa 41 procent NH3-emissies reduceren tussen 2019 en 2030. Op basis van de PBL-rapportage wordt voor de landbouwsector een reductie van ca. 8 procent geraamd voor deze periode. De broeikasgasuitstoot van de sectoren landbouw en landgebruik (m.u.v. glastuinbouw) maakt ook onderdeel uit van het NPLG. Op basis van de meest recente Klimaat- en Energieverkenning (2023) en de ex-ante evaluatie van het NPLG door het PBL valt te concluderen dat met het vastgestelde en voorgenomen beleid de sectoren landbouw en landgebruik, met uitzondering van glastuinbouw, nog niet op koers liggen voor de klimaatdoelen van 2030.
2
Het NPLG gaat uit van krimp van de agrarische sector. De fractieleden van de BBB vragen of u kunt aangeven welke innovatieve ontwikkelingen een kans van slagen hebben en ook juridisch houdbaar zijn op de lange termijn.
Antwoord
Het NPLG gaat niet perse uit van de krimp van de agrarische sector. We weten wel dat een forse reductie van emissies van methaan, CO2 en stikstof afkomstig vanuit de landbouwsector in brede zin nodig is. Evenals een stevige beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met het oog op de waterkwaliteit. Het scenariostudie van de WUR heeft laten zien dat innovatie deel van de oplossing kan zijn, maar niet de hele oplossing6. Zoals al eerder vermeld in de Kamerbrief van 23 januari jl., dienen emissiearme stalsystemen en technieken goed te werken, betaalbaar te zijn, juridisch te worden geborgd en maatschappelijk te zijn geaccepteerd. Dit is van belang zodat deze houdbaar en succesvol kunnen worden ingezet in de veehouderij. In de praktijk blijken helaas veel technieken op één of meer van deze aspecten niet voldoende te scoren. Het voornaamste voorbeeld zijn de technieken die in de praktijk minder emissie reduceren dan ze volgens de emissiefactor zouden moeten doen.
Om tot nieuwe technieken te komen die aan de bovenstaande aspecten voldoen, is het Regieorgaan «Versnellen innovatie emissiereductie veehouderij» op 4 december 2023 van start gegaan. Het Regieorgaan heeft onder andere als doel om tot doorbraakinnovaties te komen en belemmeringen in regelgeving aangaande doorbraakinnovaties in de veehouderij te adresseren en te helpen oplossen. Daarnaast wordt samen met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat gewerkt aan het vernieuwen van het stelsel van stalbeoordeling, waardoor best beschikbare technieken voor het reduceren van stalemissies kunnen worden beoordeeld. Over beiden onderwerpen zal de Kamer dit jaar nog worden geïnformeerd.
3
Hoe garandeert u de lange termijn zodat bedrijven hier ook op kunnen investeren?
Antwoord
Ik herken de noodzaak om ondernemers, waaronder boeren, zekerheid te bieden over wat van hen gevraagd wordt. Om agrarische ondernemingen op de lange termijn meer zekerheid te kunnen geven, is het van belang dat er integraal gekeken wordt. Ondernemers zoeken garantie dat als zijn hun bedrijfsmodel aanpassen, zij daarmee voor de lange termijn voldoende hebben gedaan met oog op de doelen die worden gesteld en de verplichtingen die gelden. Zonder die lange termijn zekerheid is het voor een boer moeilijk om keuzes te maken in het aanpassen van zijn bedrijfsmodel.
Die duidelijkheid voor de lange termijn geef ik grotendeels in het NPLG. Hier wordt aangegeven welke doelen (voortkomend uit internationale en Europeesrechtelijke verplichtingen) we op de lange termijn willen behalen en hoe we daar naartoe werken. Het is aan provincies om doelen en opgaven waar nodig door te vertalen naar gebiedsniveau. Door de gebiedsgerichte aanpak van het NPLG zorgen we er voor dat boeren ook zelf kunnen besluiten hoe zij hun bedrijfsmodel willen aanpassen om bij te dragen aan de doelen. Boeren maken hier in de gebiedsprocessen, op basis van hun eigen situatie en omstandigheden, keuzes over hoe zij bijdragen aan doelbereik.
4
De fractieleden van de BBB vragen of u kunt aangeven hoe het verdienmodel van de sector op een hoger niveau komt en welke maatregelen daarvoor benodigd zijn.
Antwoord
Een verdienmodel voor de agrarische sector is belangrijk voor een duurzaam toekomstperspectief. Dit komt ook sterk naar voren in de ingediende zienswijzen op het Ontwerp-NPLG. Er is geen eenduidig antwoord te geven op het onderhouden van een goed verdienvermogen. Dit verschilt van situatie tot situatie en is afhankelijk van de keuzes die ondernemers zelf willen maken. Daar zijn verschillende mogelijkheden voor, afhankelijk van omgeving en de wensen van de boer. In het concept Landbouwakkoord worden daar richtingen voor gegeven. Zie bijvoorbeeld ook de kamerbrief over de toekomstvisie agrarische sector.7
5
Bent u bereid om een landschapscommissaris te benoemen die het ruimtelijk vraagstuk in kaart brengt aan de hand van het agrarisch deltaplan 2030 waar de agrarische hoofdstructuur een onderdeel van is, zo vragen de leden van de BBB-fractie.
Antwoord
Ik zie momenteel geen meerwaarde in de benoeming van een landschapscommissaris met de taken zoals uw vraag beschrijft.
Het huidig demissionaire kabinet heeft weer de regie op de ruimtelijke ordening genomen. Hiermee is er op verschillende plekken landelijk aandacht voor de ruimtelijke puzzel. Zo coördineert de Minister van BZK het programma NOVEX, waar de ruimtelijke puzzel in kaart wordt gebracht. De ruimtelijke keuzes die nodig zijn voor de ontwikkeling van Nederland worden voorbereid en gemaakt in de Nota Ruimte. Het NPLG levert via de lopende gebiedsprocessen een belangrijk puzzelstuk voor het ruimtelijke vraagstuk. Zo is in het NPLG het afwegingskader zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond opgenomen om richting te geven aan de gebiedsprocessen. Dit afwegingskader zorgt er namelijk voor dat landbouwgrond niet zomaar van functie wijzigt, maar dat een eventuele wijziging onderhevig moet zijn aan een zorgvuldig en transparant proces. Middels dit kader kunnen provincies gedegen afwegingen maken in de gebieden. De landbouw heeft namelijk ruimte nodig om te werken aan de transitie naar toekomstbestendige landbouw. Het afwegingskader wordt opgenomen in de Nota Ruimte waardoor landbouwgrond integraal en gelijkwaardig meeloopt met andere ruimtelijke claims in de puzzel.
6
Hoe houdt het NPLG rekening met de natuurlijke krimp van de agrarische sector?
Antwoord
Een belangrijk onderdeel van het NPLG zijn de gebiedsprogramma’s van de provincies. Om tot goede plannen en voorstellen te komen richten de provincies (meerdere) gebiedsprocessen in. Juist in deze processen is er veel ruimte voor het gesprek over hoe de gebiedsdoelen het beste gehaald kunnen worden. Hierbij worden ook de ondernemers betrokken die de komende jaren al van plan zijn om hun bedrijf te beëindigen, bijvoorbeeld omdat er geen bedrijfsopvolger is. Zo krijgen deze ontwikkelingen ook een concrete plek in de plannen binnen het NPLG.
Om boeren die willen stoppen te faciliteren, heeft het kabinet de afgelopen periode vrijwillige beëindigingsregelingen open gesteld. Bij deelname van deze ondernemers aan beëindigingsregelingen worden productierechten doorgehaald waarmee de omvang van de veestapel zal afnemen en worden veehouderijlocaties geheel buiten productie gesteld.
Daarnaast wordt op een hoger abstractieniveau in de ramingen en monitoring van doelbereik, bijvoorbeeld door de kennisinstellingen, meegenomen hoe het natuurlijke verloop in de agrarische sector en bedrijfsbeëindiging bijdraagt aan het bereiken van de doelen in het NPLG. Natuurlijke krimp van de sector resulteert in minder emissies als – in het geval van de veehouderij – het natuurlijk stoppen van een bedrijf ook tot doorhalen productierechten leidt. Op die manier wordt de (rest)opgave voor blijvende ondernemers ook kleiner.
7
De fractieleden van de BBB vragen of u bereid bent om een onderzoek in te stellen naar annexatie van land op water om hiermee aan de ruimtelijke en milieutechnische doelen te voldoen.
Antwoord
Ik ga ervan uit dat de fractieleden van de BBB hierbij doelen op landaanwinning in het IJsselmeergebied of op zee. In beide gevallen is landaanwinning met oog op de door hen genoemde doelen onwenselijk gezien de effecten waar dit mee gepaard gaat. Ik zie daarom geen noodzaak voor het instellen van het voorgestelde onderzoek.
Het IJsselmeergebied heeft een essentiële zoetwaterbuffer- en kombergingsfunctie in Nederland. Om deze functie te behouden staat het kabinet geen landaanwinning toe in het IJsselmeergebied (zie Kamerbrief Water en Bodem Sturend (kamerstuk 27 625, nr. 592)). Om te kunnen voldoen aan de verplichtingen op basis van de Kaderrichtlijnwater en de Vogel- en Habitatrichtlijn is aanleg van ondieptes tot onder de huidige waterspiegel nog wel toegestaan. Ook bestaande, vergevorderde afspraken over stedelijke uitbreidingsprojecten in het IJsselmeergebied worden gerespecteerd.
Voor landaanwinning op zee geldt daarnaast dat de beschikbaarheid voor voldoende zand voor kustonderhoud op de lange termijn op dit moment niet geborgd is. Zeewaartse kustuitbreiding vraagt voor zowel aanleg als onderhoud erg veel zand. De kamerbrief Water en Bodem Sturend (kamerstuk 27 625, nr. 952) stelt daarom dat kustuitbreiding vooralsnog niet toegestaan is. Hiermee voorkomen we onnodige druk op onze zandvoorraad, die cruciaal is om de kust op orde te houden met het oog op zeespiegelstijging. Daarnaast gelden juist in de kustzone natuurdoelen die niet gebaat zijn bij landaanwinning en waar compensatie voor nodig zal zijn.
8
Hoe voorziet u dat er altijd voldoende zoetwater beschikbaar is voor de voedselproductie in Nederland?
Antwoord
De recent gepubliceerde KNMI- en Deltascenario’s laten zien dat in het zomerhalfjaar het zoetwateraanbod afneemt en de zoetwatervraag toeneemt terwijl er tegelijk ook meer (extreme) neerslag zal zijn. We zullen frequenter te maken gaan krijgen met watertekorten en zoetwaterbeschikbaarheid zal niet altijd gegarandeerd kunnen worden.
Daarom is het van belang om de keuzes en maatregelen van de Kamerbrief Water en bodem sturend (WBS; kamerstuk 27625–592) te volgen. Met Water en Bodem Sturend zetten we er onder meer op in om het wateroverschot van de winter zoveel mogelijk vast te houden voor de droge perioden. Maar dat alleen zal niet voldoende zijn. Het voorbereiden op en aanpassen aan de nieuwe omstandigheden voor zoetwaterbeschikbaarheid vraagt inzet van alle watervragers, gericht op het verkleinen van de watervraag, het vasthouden van water en het optimaal benutten daarvan. Voor de landbouwsector betekent dit o.a. duurzame bodem- en watermaatregelen, aanpassing van teeltsystemen en andere rassen of gewassen. Het Rijk stimuleert deze ontwikkelingen onder meer vanuit het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw en met kennis- en subsidiesporen van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en Deltaprogramma Zoetwater.
In het NPLG en de provinciale gebiedsprogramma’s worden de structurerende keuzes Water en Bodem Sturend die betrekking hebben op het landelijk gebied verder uitgewerkt. Daarnaast worden ook vanuit het Deltaprogramma maatregelen genomen om Nederland weerbaarder te maken tegen watertekorten. Bijvoorbeeld door water langer vast te houden in de bodems en de watersystemen.
9
Kunt u aangeven hoeveel grond er beschikbaar moet zijn in Europa om de voedselzekerheid te waarborgen en welke de rol Nederland hierin kan vervullen?
Antwoord
Nederland levert een belangrijke bijdrage aan het Europese voedselaanbod. Ook in de toekomst kan Nederland daarin blijven voorzien. Dat vraagt op onderdelen wel om aanpassingen om te komen tot een duurzame en klimaatbestendige landbouw.
Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van de gekozen definitie van voedselzekerheid en verschillende aannames over voedselproductie, -consumptie en handel. Zo kan worden uitgegaan van de huidige consumptiepatronen in Europa, of van een situatie waarin Europa zo volledig mogelijk voorziet in eigen voedselvraag of naar toegang tot voedsel in geval van een voedselcrisis. Telkens gelden dan andere aannames over aanpassingen in consumptiepatronen, mate van import/export binnen en buiten Europa en veranderingen in agrarische productie.
In zijn algemeenheid geldt bijvoorbeeld dat voor diëten die hoofdzakelijk plantaardig zijn, substantieel minder landbouwareaal nodig is dan voor diëten die rijk zijn aan dierlijke producten. Daarnaast draagt eigen productie niet alleen bij aan voedselzekerheid, maar ook handelsstromen met derde landen, want niet alle producten die in Europa geconsumeerd worden kunnen we hier produceren. De vraag hoeveel grond er beschikbaar moet zijn in Europa om voedselzekerheid te waarborgen is daarmee niet eenduidig te beantwoorden.
10
De Eerste Kamer heeft op 3 oktober 2023 het wetsvoorstel Tijdelijke wet Transitiefonds landelijk gebied en natuur (36 277) controversieel verklaard. Bent u het met de fractieleden van de BBB eens dat het daarom aan het nieuwe kabinet is zich te buiten over het NPLG en dat er geen financiële middelen beschikbaar zijn? Bent u het tevens met de fractieleden van de BBB eens dat de stekker uit het NPLG moet?
Antwoord
De NPLG-aanpak is gebouwd op de samenhang van opgaven en op een gebiedsgerichte aanpak daarvan. Dat is van belang om de doelen zo effectief mogelijk te bereiken. Een groot aantal opgaven is het meest doelmatig op te pakken in gebieden, oplossingen zijn effectiever toe te passen met regionale inspraak, en veel zaken zijn deels of uitsluitend belegd bij provincies. Denk hier bijvoorbeeld aan landinrichtingsprocessen, grondtransacties, gebiedsgerichte maatwerkregels, participatie, functiewijzigingen, regionale economie, verbreden van de landbouw, etc. De provincies staan daarmee hoe dan ook aan bod om aan hun wettelijke taken te voldoen.
Met de gebiedsgerichte aanpak wordt echter ook de integraliteit van die opgaven bewaakt en een stevige relatie gelegd met de gebiedsgerichte aanpak van de NOVEX-puzzel. In die puzzel komt de bredere ruimtevraag voor Nederland aan bod. Door het gebiedsgericht inpassen van ruimtevragen benutten we de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk. Daarmee behouden we meer ruimte voor een duurzaam landelijk gebied.
De gebiedsgerichte aanpak is hier een belangrijk onderdeel in. Voor die aanpak zijn financiële middelen nodig. Een vastgesteld transitiefonds was een heldere en gemakkelijke manier geweest om die middelen vrij te stellen. Als die middelen er in mindere mate zijn heeft dat gevolgen voor de mix van instrumenten die kan worden ingezet. Desondanks erkennen beide Kamers de urgentie van de opgaven en de noodzaak tot het zetten van stappen. In het belang van het NPLG en de gebiedsgerichte aanpak zijn dan ook huidige uitgaven voor de eerste provinciale maatregelpakketten aan de begroting toegevoegd en door beide Kamers goedgekeurd.
11
De fractieleden van de BBB vragen tenslotte of u kunt aangeven wat de gevolgen zijn van het NPLG voor de sociale cohesie op het platteland en op de agrarische sector in het bijzonder.
Antwoord
Ik vind het belangrijk dat er bij de gebiedsgerichte uitwerking van het NPLG-aandacht is voor de sociale en economische kenmerken van gebieden. Het Ministerie van LNV is met de provincies, gemeenten, de sector en maatschappelijke partijen in gesprek over de sociaaleconomische impact van de transitie. In de Handreiking van het NPLG is als vereiste toegevoegd dat provincies als onderdeel van de gebiedsprogramma’s een sociaaleconomische impact analyse uitvoeren, inclusief een agro economische toets. Omdat de gebiedsprogramma’s nog niet klaar zijn is nu nog niet te zeggen wat de impact is van het NPLG op de sociale cohesie op het platteland en de agrarische sector. Omgekeerd kan de vraag worden gesteld, wat de gevolgen voor de sociale cohesie zijn en de agrarische sector zijn, als we het NPLG niet uitvoeren. Er zijn immers hoe dan ook forse emissiereducties (methaan, CO2, stikstof en gewasbeschermingsmiddelen) nodig. Het NPLG is er op gericht om op een verantwoorde wijze tot veranderingen in het landelijk gebied te komen. Als we door de rechter gedwongen zouden worden tot het snel nemen van specifieke maatregelen, om te voldoen aan onze internationale verplichtingen, is het goed denkbaar dat de effecten voor de sociale cohesie en de landbouw een stuk ingrijpender zullen zijn.
Vragen en antwoorden van de fractieleden van de SP, waarbij de leden van GroenLinks-PVDA zich hebben aangesloten.
1
In 2030 komen slechts 31% van onze natuurgebieden onder de kritische depositiewaarde van stikstof, terwijl 50% het streven is, zo stellen de fractieleden van de SP. Een belangrijk deel van deze reductie komt door het Programma stikstofreductie en natuurverbetering. De fractieleden van de SP vragen of u kunt aangeven of door de reductie in natuurgebieden ook de natuurlijke kringloop van stikstof wordt hersteld. Wordt het bacterieleven in de bodem meegenomen bij de beoordeling van een bepaald natuurgebied? Zo ja, tot welke conclusies heeft dit geleid? Zo nee, waarom wordt dit niet meegenomen?
Antwoord
Bij overmatige stikstofdepositie neemt de hoeveelheid stikstofverbindingen en zuur in de bodem toe. Die toename gaat door zolang er overbelasting is. Wanneer de overbelasting, door verminderen van de stikstofdepositie, is gestopt neemt de hoeveelheid stikstofverbindingen niet verder toe. De natuurlijke kringloop van stikstof in het ecosysteem is echter nog niet hersteld. Het geaccumuleerde overschot aan depositie uit het verleden is dan nog achtergebleven. Wel kunnen er herstelmaatregelen zijn genomen die een teveel aan stikstof uit het verleden verwijderen (zoals plaggen of intensiever maaien of begrazen). De effecten van een teveel aan stikstofverbindingen in ecosystemen zijn veelzijdig en complex. Onder andere de effecten op het bodemleven worden steeds beter bekend.
Bij de beoordeling van het doelbereik van instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied wordt gekeken naar verschillende aspecten van de natuurkwaliteit. Voor de kwaliteitsaspecten van habitattypen wordt aangesloten bij de criteria die volgen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het bacterieleven in de bodem is op zichzelf geen beoordelingscriterium. Wel kan een verstoord bodemleven zichtbaar worden in kwaliteitsaspecten die wél worden beoordeeld, zoals het voorkomen van bepaalde planten en dieren. Ook worden belangrijke abiotische randvoorwaarden beoordeeld, zoals de zuurgraad en voedselrijkdom van de bodem, die mede sturend zijn voor het bodemleven.
2
U geeft aan dat ook het wegvallen van de derogatie bijdraagt aan het verlagen van de stikstofdepositie. Kunt u aangeven hoeveel en op welke wijze de stikstofdepositie hiermee wordt verlaagd?
Antwoord
In 2023 heeft de WUR berekeningen uitgevoerd waarmee de effecten van de afbouw van mestderogatie op emissies van ammoniak en broeikasgassen en op waterkwaliteit in beeld zijn gebracht (zie Kamerstuk 2023D32 853, 14 juli 2023). Berekend is dat de ammoniakemissie landelijk netto in totaal met 8,8 kton NH3 afneemt ten opzichte van die van de Referentieraming 2030. De grootste vermindering is het gevolg van de verlaging van de dierlijke mestgift (een reductie van 5,9 kton NH3), gevolgd door de vermindering van stalemissies (3,0 kton NH3), die het directe gevolg is van de verlaging van het excretieplafond dan wel dieraantallen. Een toename van het totale kunstmestgebruik zorgt ervoor dat NH3-emissies iets toenemen (+0,1 kton NH3). Netto levert de afbouw van de derogatie dus 8,8 kton NH3 reductie op, in 2030 is dat ca. 9% van de totale landbouwemissies.
3
Niet alle plannen van de provincies worden overgenomen en u overweegt om gebiedsprogramma’s gedeeltelijk goed te keuren. De fractieleden van de SP vragen of u kunt aangeven wat dat betekent voor de samenhang van deze programma’s en de beschikbare financiële middelen?
Antwoord
Het is gewenst een balans te vinden tussen de (door)ontwikkeling van provinciale gebiedsprogramma’s landelijk gebied (PPLG’s) gericht op een samenhangende aanpak van de opgaven) en tegelijk het starten met de uitvoering van die onderdelen in een gebiedsprogramma (maatregelpakketten) die daarvoor gereed zijn. Een voorbeeld is een overgangsgebied rond een Natura 2000-gebied waar het gebiedsproces ver gevorderd is. Daarom is de optie doorontwikkeld voor een gedeeltelijke positieve beoordeling. Voorwaarde hierbij is dat op drie thema’s (1. water- en bodemsysteem, 2. een strategie voor natuurherstel en doelbereik conform de Vogel- en Habitatrichtlijn en 3. handelingsperspectief voor landbouwbedrijven) de vereiste analyses en globale keuzes voor de gehele provincie in het PPLG gemaakt zijn. De analyses en keuzes op de betreffende drie thema’s zorgen voor de gewenste (minimale) langjarige samenhang. Indien aan deze voorwaarde is voldaan heeft een provincie de mogelijkheid om te werken met (het verzoek om) een gedeeltelijke beoordeling. Dit betekent dat er een optie is voor variatie in het PPLG naar geografische uitwerking (specifieke gebieden) of thematische uitwerking en de beoordeling daarvan.
Bij de indiening van een PPLG voor gedeeltelijke beoordeling dient een provincie aan te geven welke middelen nodig zijn voor realisatie van het te toetsen onderdeel (kostenraming en dekkingsvoorstel) en hoe zich dit naar verwachting verhoudt tot de benodigde financiële middelen voor realisatie van het gehele PPLG. Aan de hand van de door de provincie aangedragen voorstellen vindt een integrale beoordeling plaats. Na een positieve beoordeling of een gedeeltelijk positieve beoordeling kan een provincie een rijksbijdrage aanvragen voor de betreffende maatregelpakketten. Een positief oordeel op een PPLG is een noodzakelijke voorwaarde, maar nog geen garantie voor toekenning van middelen. Het toekennen van middelen gebeurt op basis van het beoordelen van de door provincies ingediende maatregelpakketten.
4
Bij veel provinciale gebiedsprogramma’s zijn naast middelen die betrekking hebben op de uitvoering, ook middelen nodig voor onderhoud en beheer. Kunt u aangeven hoe de financiering van onderhoud en beheer moet worden bekostigd?
Antwoord
Het tijdelijk karakter van het fonds impliceert dat er uit het fonds geen uitgaven gedaan kunnen worden die een structureel karakter hebben. Uit het fonds kunnen in beginsel dan ook geen uitgaven worden gedaan die voortvloeien uit investeringen, zoals afschrijvingskosten, onderhoudskosten of beheervergoedingen. Mogelijke oplossing kan zijn dat bij de financiering van dergelijke kosten een duidelijke horizonbepaling wordt meegegeven, waarbij een maatregel een meerjarig karakter kan hebben, maar op voorhand expliciet duidelijk is tot wanneer middelen beschikbaar zijn. Daarnaast kan een provincie zelf ervoor kiezen om middelen te herschikken binnen de eigen begroting. De provincie kan de mogelijkheden verkennen voor aanvullende subsidies van het Rijk of de EU voor specifieke projecten/programma’s.
Samenstelling:
Oplaat (BBB) (voorzitter), Kemperman (BBB), Jaspers (BBB), Van Knapen (BBB), Kluit (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Van Ballekom (VVD), Meijer (VVD), Klip-Martin (VVD), Rietkerk (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Van Meenen (D66), Van Kesteren (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-Den Uijl (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), De Vries (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied: een integrale verkenning van regionale water-, klimaat- en stikstofdoelen en maatregelen in de landbouw, WUR, 2022.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34682-X.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.