34 682 Nationale Omgevingsvisie

AF VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 september 2026

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvestiging en Ruimtelijke Ordening over het PBL-rapport Stresstest kwetsbare gebieden. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 16 juni 2026.

  • • De antwoordbrief van 7 september 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT / VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Den Haag, 16 juni 2026

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft kennisgenomen van uw brief van 22 april 20262 waarbij de Kamer de publicatie getiteld «Stresstest kwetsbare gebieden: Ruimtelijke analyses van risico’s door mogelijke stedelijke ontwikkelingen» van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is aangeboden. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP wensen naar aanleiding hiervan gezamenlijk een aantal vragen aan de regering voor te leggen. De leden van de fracties van de BBB en de PVV hebben eveneens een aantal vragen te stellen. Het lid van de fractie Visseren-Hamakers sluit zich bij de door de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP gezamenlijk gestelde vragen aan. Het lid van de fractie-Walenkamp sluit zich bij de door de leden van de fracties van de BBB en de PVV gestelde vragen aan. Het lid van de fractie-Beukering sluit zich bij de door de fractie van de BBB gestelde vragen aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP gezamenlijk

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP hebben gezamenlijk de volgende vragen te stellen.

  • 1. Deze leden merken op dat de stresstest onder andere is uitgevoerd door het PBL zodat het Rijk eventueel preventieve, mitigerende of beschermende maatregelen kan nemen om kwetsbare gebieden te beschermen bij verstedelijking en woningbouw.3 Hoe kijkt de regering tegen dit doel van het PBL aan? Welke lessen trekt zij uit de conclusies van dit onderzoek en hoe neemt de regering deze informatie mee bij de uitwerking van de Nota Ruimte?

  • 2. Het PBL kaart aan dat er verhoogde milieugezondheidsrisico’s zijn voor verstedelijkingsplannen rondom autosnelwegen en vliegvelden.4 Voornamelijk rondom Schiphol, Zestienhoven en Eindhoven Airport. De leden van genoemde fracties vragen de regering welke maatregelen zij voornemens is te nemen om de gezondheidsrisico’s van huidige en toekomstige omwonenden te verkleinen.

  • 3. Het PBL kaart tevens aan dat delen van de kust van Noord- en Zuid-Holland en Zeeland onder druk komen te staan door verstedelijking en woningbouw.5 De kust en duinen spelen een belangrijke rol in het Nederlands natuurlandschap en zijn essentieel voor klimaatadaptatie. Welke maatregelen is de regering voornemens te nemen om de kust en duinen verder te beschermen bij deze verstedelijking?

  • 4. Kan de regering bevestigen dat de stresstest ook voor andere domeinen ingezet zal worden, zoals het eerder ook de bedoeling was om de planmonitor uit te breiden met thema’s landbouw, natuur en water?

  • 5. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP lezen dat het PBL een jaarlijkse frequentie voortaan achterwege laat.6 Op welke wijze bepaalt het PBL dat actualisatie van de stresstest nuttig en noodzakelijk is? Hoe wordt dan voorkomen dat te constateren negatieve trends pas gezien worden op het moment dat ze niet meer te keren zijn? Dat was immers het doel van de planmonitor: het vroegtijdig signaleren van trends die doelbereik van de Omgevingswet in de weg staan op een moment dat zij nog gekeerd kunnen worden.

  • 6. De leden van genoemde fracties constateren dat uit de stresstest blijkt dat in een aantal provincies bijna de helft van de verstedelijking terecht kan komen in kwetsbare gebieden.7 Daarbij gaat het ook om grote woningbouwlocaties als Rijnenburg, waar bijvoorbeeld het waterschap een negatief advies voor heeft afgegeven. Op welke wijze wil de regering de kwetsbare waarden in deze provincies beschermen bij woningbouwprojecten?

Vragen en opmerkingen van leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB hebben de volgende vragen te stellen.

  • 1. Het PBL gebruikt voor deze hele stresstest de zogenaamde RuimteScanner. Kan de regering uitleggen hoe dit model werkt en hoe «betrouwbaar» dit is in de ogen van de regering? Het PBL stelt zelf dat de kaarten «geen voorspelling» zijn, maar slechts een indicatie van een «risico».8 In hoeverre gaan deze «indicaties» door de regering meegenomen worden in toekomstige beleidskeuzes? Graag ontvangen deze leden een toelichting hierop van de regering.

  • 2. Waarom baseert deze stresstest zich alleen op de extreme groeicijfers van het WLO Hoog-scenario met een hoge bevolkingsgroei en hoge banengroei tot het jaar 2060 in plaats van realistisch te kijken naar bijvoorbeeld het beperken van migratie? Hoe realistisch is deze keuze? Waarom is deze keuze gemaakt? Staat de regering hierachter? Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB een toelichting hierop van de regering.

  • 3. De leden van de fractie van de BBB lezen dat er in onder andere het Hollandse veenweidegebied enorme verstedelijkingsdruk ontstaat.9 Hoe verstandig is dat in een gebied dat toch al onder druk staat? Zoekt de regering naar alternatieven? Graag ontvangen deze leden hierop een toelichting van de regering.

  • 4. De stresstest laat zien dat de grootste risico's op het volbouwen van kwetsbare gebieden vooral in de Randstad-provincies (Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht) liggen.10 Waarom investeert de regering niet meer in de bereikbaarheid, leefbaarheid en economie van de regio's daarbuiten? Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB hierop een toelichting van de regering.

  • 5. De leden van de fractie van de BBB constateren dat in de aan de orde zijnde publicatie nieuwe hoogspanningsverbindingen en megastations zijn ingetekend die dwars door onze waardevolle landschappen snijden, bijvoorbeeld de Mortelen in Noord-Brabant.11 Heeft hierover overleg plaatsgevonden met bijvoorbeeld de provinciale staten in Brabant en de lokale bevolking? Waarom moet vooral het buitengebied, de fysieke en landschappelijke lasten dragen voor de aanpassing van het stroomnet?

  • 6. De leden van de fractie van de BBB lezen in de aanbiedingsbrief dat de aan de orde zijnde stresstest op verzoek van deze Kamer inzichtelijk maakt welke gebieden «risico» lopen door verstedelijking.12 Waarom wordt voedselveiligheid niet genoemd als risico?

  • 7. De publicatie meldt verder dat de aanleg van weginfrastructuur buiten de hele stresstest is gehouden, omdat er «geen nieuwe data» zouden zijn sinds 2024.13 Wat zijn in de ogen van de regering de gevolgen van deze keuze van het PBL op de bruikbaarheid van de gegevens?

  • 8. In het rapport wordt de suggestie gewekt om al toegezegde «pijplijnplannen» ─ zoals recreatiewoningen in kustgebieden ─ misschien wel te verplaatsen of te stoppen.14 Wat is de reactie van de regering op deze suggestie van het PBL? Wat betekent dit voor de rechtszekerheid van initiatiefnemers en de betrouwbaarheid van de overheid?

Vragen en opmerkingen van leden van de fractie van de PVV

De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat Nederland zorgvuldig moet omgaan met de schaarse ruimte. Nederland kampt met een groot woningtekort en de regering heeft dat vertaald naar een grote woningbouwopgave. Tegelijkertijd wil de regering steeds meer gebieden als kwetsbaar aanmerken.

Kan de regering deze leden uitleggen waarom het onrealistische en contraproductieve klimaat- en stikstofbeleid ─ waaronder saneringsmaatregelen ten koste van de agrarische sector en van de industrie, uitbreiding van zogenaamde Natura 2000-gebieden en groen licht voor zon- en windprojecten ─ geen remmend effect heeft op de woningbouw, de infrastructuur en/of de economische ontwikkeling?

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, R. Lievense

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTIGING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 september 2026

Op 16 juni 2026 hebben de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP, BBB en de PVV vragen gesteld aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over het PBL-rapport Stresstest kwetsbare gebieden.

Omdat de stresstest inhoudelijk geënt is op de PlanMER van de NOVI, zijn de vragen door de Minister van VRO beantwoord, mede namens de Minister van IenW.

Hieronder treft u de beantwoording van de vragen aan.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O'Sullivan

GroenLinks-PvdA en SP

Vraag 1:

Deze leden merken op dat de stresstest onder andere is uitgevoerd door het PBL zodat het Rijk eventueel preventieve, mitigerende of beschermende maatregelen kan nemen om kwetsbare gebieden te beschermen bij verstedelijking en woningbouw. Hoe kijkt de regering tegen dit doel van het PBL aan? Welke lessen trekt zij uit de conclusies van dit onderzoek en hoe neemt de regering deze informatie mee bij de uitwerking van de Nota Ruimte?

Antwoord:

De stresstest kan helpen om vooruit te kijken bij het maken van ruimtelijke keuzes. De stresstest laat zien dat mogelijke toekomstige verstedelijking kan leiden tot aantasting van kwetsbare waarden als natuur, landschap, erfgoed, drinkwaterwinning, of botsen met het belang van de waterveiligheid. Dit is met name zo wanneer regelgeving die kwetsbare gebieden beschermt wordt afgebouwd. Het PBL zet in het onderzoek geldend beleid af tegen twee fictieve scenario’s, waarin kwetsbare gebieden minder beschermd worden. Met name deze twee fictieve scenario’s laten risico’s zien voor kwetsbare gebieden. Dat is in de fictieve variant «Weinig bescherming» nog wat meer het geval dan in de fictieve variant «Beperkte bescherming», en dat is in «Beperkte bescherming» weer net wat meer dan in de variant «Geldend beleid».

De uitkomsten uit de stresstest kunnen daarom worden gezien als een ondersteuning van de Nota Ruimte, waarin het Rijk regie neemt op de grote opgaven in de fysieke leefomgeving. Hierin maken we onder andere de keuze dat we verstedelijking zoveel mogelijk concentreren in en rond bestaande dorpen en steden, zodat we zuinig omgaan met onze schaarse ruimte. Met de Nota Ruimte beschermen we juist de meest kwetsbare natuurgebieden en hanteren we water en bodem sturend als richtinggevend principe. We bouwen bijvoorbeeld niet in uiterwaarden die vallen onder de Beleidslijn grote rivieren: zo houden we ruimte voor de rivieren. Op deze manier maken we zo optimaal mogelijke keuzes met als doel om de balans te bewaren tussen het beschermen én benutten van de leefomgeving.

Vraag 2:

Het PBL kaart aan dat er verhoogde milieugezondheidsrisico’s zijn voor verstedelijkingsplannen rondom autosnelwegen en vliegvelden. Voornamelijk rondom Schiphol, Zestienhoven en Eindhoven Airport. De leden van genoemde fracties vragen de regering welke maatregelen zij voornemens is te nemen om de gezondheidsrisico’s van huidige en toekomstige omwonenden te verkleinen.

Antwoord:

Het kabinet zet in op het beperken van de negatieve gezondheidseffecten van de luchtvaart op de omgeving. Dit doet het kabinet door maatregelen te nemen om de geluidhinder rond luchthavens te verminderen. Daarnaast gelden ruimtelijke bouwbeperkingen om te voorkomen dat er wordt gebouwd op locaties waar dit evident ongezond is, en om zo toekomstige omwonenden te beschermen.

Een voorbeeld van het verminderen van negatieve effecten is de voorgenomen wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) Schiphol, waarmee een afname van 20 procent van de geluidbelasting in de omgeving van luchthaven Schiphol wettelijk wordt vastgelegd. Met de ontwikkeling van een nieuw stelsel voor geluid rond luchthavens gaat het kabinet tevens instrumenten introduceren om meer op gezondheid te kunnen sturen, zoals met een aanvullende hinderindicator.

Het kabinet treft ook andere maatregelen om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te verbeteren. Zo onderzoekt het kabinet met een pilot «geluidsadaptief bouwen» de mogelijkheden om geluidsbelasting voor nieuwe bewoners in de omgeving van de luchthaven te mitigeren. Daarnaast treft het kabinet maatregelen voor bestaande bewoners. Om geluidsoverlast voor de omgeving terug te dringen komt er een nieuwe Balanced Approach procedure waarin we vastleggen dat Schiphol in 2030 tussen 23.00 en 7.00 uur 50% stiller wordt, ten opzichte van 2024. Daar wordt een nachtsluiting tussen 00.00u – 05.00u in meegenomen. Schiphol investeert 50 miljoen in een omgevingsfonds om woningen te isoleren.

Naast geluid wordt ook gericht beleid gevoerd om de negatieve gezondheidseffecten van uitstoot van schadelijke stoffen door luchtvaart te beperken. Er wordt met name ingezet op maatregelen en regelgeving op het luchthaventerrein van de nationale luchthavens, waar de concentraties het hoogst zijn. Maatregelen zoals de elektrificatie van grondactiviteiten zijn in beginsel gericht op de bescherming van platformpersoneel, maar hebben ook buiten het luchthaventerrein een positief effect.

In de studie van het PBL wordt gekeken naar de effecten van het geldende beleid. In de procedures voor de luchthaven(verkeer)besluiten voor de luchthavens van nationale betekenis geldt dat gezondheidsaspecten een volwaardige plek hebben in de besluitvorming. Dit wordt vormgegeven middels een Milieueffectrapportage (MER) waarin de milieueffecten, waaronder de effecten op gezondheid, worden onderzocht. Met de door het RIVM ontwikkelde MGR-indicator (MilieuGezondheidsRisico) zijn bijvoorbeeld de cumulatieve effecten van verschillende vormen van milieubelasting, waaronder geluid, integraal in beeld gebracht voor Schiphol en Rotterdam The Hague Airport. Hieruit blijkt dat het voorgenomen beleid voor Schiphol leidt tot een gezondheidsrisico dat vergelijkbaar is met het gemiddelde risico in Nederland. Voor Rotterdam geldt dat het voorgenomen beleid leidt tot een daling van de MGR vanwege minder nachtelijk luchtvaartgeluid en een langere periode van nachtrust.

Vraag 3:

Het PBL kaart tevens aan dat delen van de kust van Noord- en Zuid-Holland en Zeeland onder druk komen te staan door verstedelijking en woningbouw. De kust en duinen spelen een belangrijke rol in het Nederlands natuurlandschap en zijn essentieel voor klimaatadaptatie. Welke maatregelen is de regering voornemens te nemen om de kust en duinen verder te beschermen bij deze verstedelijking?

Antwoord:

De kust en de duinen zijn in het Rijksbeleid in de Omgevingswet aangewezen als het kustfundament. Voor dit gebied zijn regels opgenomen in de besluiten onder de Omgevingswet, onder meer ten aanzien van het behoud van de kernkwaliteiten van het kustfundament en voor het bouwbeleid in het kustfundament. Provincies en gemeenten volgen in hun omgevingsplannen deze instructieregels.

Daarnaast zijn specifiek voor recreatieve bebouwing buiten de bebouwde kom afspraken gemaakt in het Kustpact, het overleg platform dat in 2017 naar aanleiding van zorgen om uitbreiding van verblijfsrecreatie langs de kust is gestart. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over hoe om te gaan met plannen in de pijplijn.

Daarbij geeft de stresstest niet aan wat er nu gebeurt, maar wat er kan gebeuren als bepaalde restricties worden losgelaten en scenario’s hoog uitvallen. Het is niet per definitie zo dat daar sprake van is en dat de kust nu al onder druk staat door verstedelijking en woningbouw.

Vraag 4:

Kan de regering bevestigen dat de stresstest ook voor andere domeinen ingezet zal worden, zoals het eerder ook de bedoeling was om de planmonitor uit te breiden met thema’s landbouw, natuur en water?

Antwoord:

Deze stresstest bouwt voort op de Planmonitor Nationale Omgevingsvisie 2024, die het PBL (2021) heeft ontwikkeld op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naar aanleiding van vragen van de Eerste Kamer. Om te bepalen welke gebieden «kwetsbaar» zijn, is het PBL uitgegaan van het bestaande beleid van de Nationale Omgevingsvisie (BZK 2020) en de PlanMER NOVI.

Inmiddels werkt het kabinet aan een nieuwe Nota Ruimte, als opvolger van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), wat een natuurlijk moment is om de PBL-producten die gerelateerd waren aan de NOVI te evalueren en te bezien wat er nodig is om deze nota te gaan monitoren en evalueren.

Vraag 5:

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP lezen dat het PBL een jaarlijkse frequentie voortaan achterwege laat. Op welke wijze bepaalt het PBL dat actualisatie van de stresstest nuttig en noodzakelijk is? Hoe wordt dan voorkomen dat te constateren negatieve trends pas gezien worden op het moment dat ze niet meer te keren zijn? Dat was immers het doel van de planmonitor: het vroegtijdig signaleren van trends die doelbereik van de Omgevingswet in de weg staan op een moment dat zij nog gekeerd kunnen worden.

Antwoord:

Het PBL geeft in het rapport aan dat het de stresstest een nuttig instrument vindt. De stresstest is voor de mogelijke ontwikkeling van verstedelijking gebaseerd op provinciale planinformatie, aangevuld met modellering. Met de nieuwe WLO-scenario’s (omgevingsscenario’s voor de periode tot 2060) die het PBL in 2025 heeft gepubliceerd als basis leverde deze stresstest nieuwe inzichten op. Het PBL geeft aan dat het in de toekomst de stresstest zal actualiseren als daar voldoende aanleiding toe is. Een opvolger van de nieuwe WLO wordt de komende jaren niet verwacht.

Vraag 6:

De leden van genoemde fracties constateren dat uit de stresstest blijkt dat in een aantal provincies bijna de helft van de verstedelijking terecht kan komen in kwetsbare gebieden. Daarbij gaat het ook om grote woningbouwlocaties als Rijnenburg, waar bijvoorbeeld het waterschap een negatief advies voor heeft afgegeven. Op welke wijze wil de regering de kwetsbare waarden in deze provincies beschermen bij woningbouwprojecten?

Antwoord:

De stresstest laat, op basis van een modelmatige doorrekening, zien dat toekomstige verstedelijking kan leiden tot aantasting van kwetsbare waarden als natuur, landschap, erfgoed, drinkwaterwinning, of botsen met het belang van de waterveiligheid. De kans hierop wordt vergroot als er wordt besloten tot het loslaten van bestaande provinciale, Rijks en internationale restricties. Tegelijkertijd hebben we een grote woningbouwopgave in ons land.

Op dit moment gelden al diverse regels en restricties die als doel hebben om kwetsbare waarden te beschermen. Voorbeelden hiervan zijn regelgeving rondom werelderfgoed en Natura 2000. Ook hebben we een landelijke maatlat ontwikkeld die omschrijft hoe zo goed mogelijk klimaatadaptief kan worden gebouwd. Verder zie ik de stresstest als een onderbouwing om, via de Nota Ruimte, de Rijksregie op de ruimte te versterken. In de Nota Ruimte maken we namelijk de keuze voor concentratie van nieuwe verstedelijking in en nabij bestaande kernen en kiezen we nadrukkelijk niet voor het ongecontroleerd verspreiden van nieuwe verstedelijking door het hele land, wat een sterk negatieve invloed zou hebben op kwetsbare waarden.

BBB

Vraag 1:

Het PBL gebruikt voor deze hele stresstest de zogenaamde RuimteScanner. Kan de regering uitleggen hoe dit model werkt en hoe «betrouwbaar» dit is in de ogen van de regering? Het PBL stelt zelf dat de kaarten «geen voorspelling» zijn, maar slechts een indicatie van een «risico». In hoeverre gaan deze «indicaties» door de regering meegenomen worden in toekomstige beleidskeuzes? Graag ontvangen deze leden een toelichting hierop van de regering.

Antwoord:

Met behulp van het RuimteScanner-model heeft het PBL mogelijke verstedelijking (wonen, werken, verblijfsrecreatie) voor de periode tot 2060 in kaart gebracht. Voor de omvang van de ruimteclaims voor verstedelijking per regio zij verwezen naar de studie Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving (WLO), (PBL 2025).

Op basis van deze data heeft het PBL in de stresstest de locatie van de mogelijke verstedelijking in kaart gebracht. Bij de modellering wordt – waar beschikbaar – gebruikgemaakt van planinformatie over wonen en werken, zoals vastgestelde omgevingsplannen en plannen die nog in voorbereiding zijn. De beschikbare planinformatie biedt zicht op mogelijke verstedelijking op de kortere termijn (de periode tot ongeveer 2035). Planinformatie wordt niet altijd gedeeld, omdat dit gevoelige informatie betreft en soms ook speculatie in de hand werkt. De indicaties die het PBL gebruikt zijn vooralsnog geschikt om risico’s in te kunnen schatten, maar zijn geen feitelijke, toekomstige beleidskeuzes.

Vraag 2:

Waarom baseert deze stresstest zich alleen op de extreme groeicijfers van het WLO Hoogscenario met een hoge bevolkingsgroei en hoge banengroei tot het jaar 2060 in plaats van realistisch te kijken naar bijvoorbeeld het beperken van migratie? Hoe realistisch is deze keuze? Waarom is deze keuze gemaakt? Staat de regering hierachter? Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB een toelichting hierop van de regering.

Antwoord:

Het PBL heeft zich voor de stresstest gebaseerd op een hoge groei van bevolking en economie op basis van het scenario Hoog van het PBL-rapport Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving (WLO, 2025). In de WLO zijn ook andere scenario’s uitgewerkt met lagere bevolkingsgroei en lagere economische groei. Aan hogere of lagere groei kunnen verschillende oorzaken aan ten grondslag liggen.

Met de keuze om het scenario Hoog als uitgangspunt te nemen geeft het PBL invulling aan het doel van deze stresstest: de maximale risico’s in beeld brengen van toekomstige verstedelijking voor kwetsbare waarden. Daarmee geeft het rapport invulling aan de vraag die door het vorige kabinet is gesteld. Deze stresstest bouwt zoals aangeven op de Planmonitor Nationale Omgevingsvisie 2024, die het PBL (2021) heeft ontwikkeld op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naar aanleiding van vragen van de Eerste Kamer. De vaststelling van de Nota Ruimte is een natuurlijk moment om de PBL-producten die gerelateerd waren aan de NOVI te evalueren en te bezien wat er nodig is om deze nota te gaan monitoren en evalueren.

Vraag 3:

De leden van de fractie van de BBB lezen dat er in onder andere het Hollandse veenweidegebied enorme verstedelijkingsdruk ontstaat. Hoe verstandig is dat in een gebied dat toch al onder druk staat? Zoekt de regering naar alternatieven? Graag ontvangen deze leden hierop een toelichting van de regering.

Antwoord:

De stresstest van het PBL is een modelmatige benadering. Omdat in deze benadering verwacht wordt dat de verstedelijkingsdruk op de Randstad ook de komende jaren hoog blijft, laat de stresstest een hoog risico zien op verstedelijking op de nabijgelegen kwetsbare Hollandse veenweidegebieden. Zoals het PBL aangeeft betekent deze verstedelijkingsdruk nog niet dat die verstedelijking (in die mate) daadwerkelijk mag en gaat plaatsvinden. Voorts geven zij ook aan dat de uiteindelijke effecten van deze mogelijke ontwikkelingen afhankelijk zijn van locatiespecifieke beleidskeuzes, zoals de precieze ruimtelijke inpassing van verstedelijking en eventuele mitigerende en compenserende maatregelen.

In de VISTA-strategie, uit de Ontwerp Nota Ruimte, wordt voor het grootste deel van de veenweidegebieden de strategie «versterken» voorzien. Hierbij worden gebieden met een minder omvangrijke autonome economische ontwikkeling en bevolkingsgroei, gericht op het ontwikkelen van wonen en werken, passend bij de maat en schaal van de regio versterkt.

De verstedelijkingsdruk is hier dus relatief beperkt. En voor de nieuwe ontwikkeling geldt dat deze zorgvuldig worden afgewogen. Zo helpt het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Het is bedoeld als ondersteunend instrument voor Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het instrument dient als hulpmiddel en maakt inzichtelijk waar het beste gebouwd kan worden, gegeven de plaatsgebonden risico’s vanuit het water- en bodemsysteem (wateroverlast, bodemdaling, et cetera).

Vraag 4:

De stresstest laat zien dat de grootste risico's op het volbouwen van kwetsbare gebieden vooral in de Randstad-provincies (Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht) liggen. Waarom investeert de regering niet meer in de bereikbaarheid, leefbaarheid en economie van de regio's daarbuiten? Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB hierop een toelichting van de regering.

Antwoord:

Zoals in de ontwerp Nota Ruimte al staat aangegeven is «elke regio telt» het vertrekpunt voor de ruimtelijke visie in de Nota Ruimte. Dat betekent dat we perspectief bieden aan alle regio’s en tegelijkertijd op alle regio’s een beroep doen, om vanuit de eigen kracht en kwaliteiten bij te dragen aan een toekomstbestendig Nederland. Ook de provincies buiten de Randstad dragen bij aan het oppakken van de opgaven in de fysieke leefomgeving, waarvoor investeringen nodig zijn. Ook werken we voortvarend samen met een aantal regio’s buiten de Randstad (waaronder Limburg, Stedendriehoek en Twente) aan integrale verstedelijkingsstrategieën. Tot slot werkt het Rijk in het Nationaal Programma Vitale Regio’s met elf regio’s structureel samen om de kracht van de regio te versterken, zodat ook in de toekomst de regio’s aan de randen van het land vitaal en aantrekkelijk zijn en blijven: met verbeterde veiligheid en leefbaarheid, met een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau en een gezonde en kansrijke toekomst voor inwoners

Vraag 5:

De leden van de fractie van de BBB constateren dat in de aan de orde zijnde publicatie nieuwe hoogspanningsverbindingen en megastations zijn ingetekend die dwars door onze waardevolle landschappen snijden, bijvoorbeeld de Mortelen in Noord-Brabant. Heeft hierover overleg plaatsgevonden met bijvoorbeeld de provinciale staten in Brabant en de lokale bevolking? Waarom moet vooral het buitengebied, de fysieke en landschappelijke lasten dragen voor de aanpassing van het stroomnet?

Antwoord:

De stresstest is geen beleidsstuk, maar een ruimtelijk onderzoek van het PBL dat volgt uit bestaande harde en zachte planinformatie en gebruik van het RuimteScanner-model. Dat zegt nog niets over hoe zeker het is dat deze ontwikkelingen doorgang krijgen. Indien dat het geval is, zullen daar de nodige procedurele stappen voor doorlopen worden die passen bij de ontwikkelingen.

Vraag 6:

De leden van de fractie van de BBB lezen in de aanbiedingsbrief dat de aan de orde zijnde stresstest op verzoek van deze Kamer inzichtelijk maakt welke gebieden «risico» lopen door verstedelijking. Waarom wordt voedselveiligheid niet genoemd als risico?

Antwoord:

Deze vraag heeft inhoudelijke overeenkomsten met vraag 4 van GL-PvdA & SP over de inzet van de stresstest op andere domeinen. Zoals ik in de beantwoording van die vraag aangaf, geldt dat het PBL bij het bepalen van «kwetsbare» gebieden uit is gegaan van het bestaande beleid van de Nationale Omgevingsvisie (BZK 2020) en het PlanMER NOVI. In een eventuele update van de stresstest zal het PBL zich voor de bepaling van wat geldt als kwetsbare gebieden richten op de Nota Ruimte.

Vraag 7:

De publicatie meldt verder dat de aanleg van weginfrastructuur buiten de hele stresstest is gehouden, omdat er «geen nieuwe data» zouden zijn sinds 2024. Wat zijn in de ogen van de regering de gevolgen van deze keuze van het PBL op de bruikbaarheid van de gegevens?

Antwoord:

Over de aanleg van weginfrastructuur is sinds de vorige publicatie geen nieuwe data beschikbaar gekomen. Daarom verwijst de publicatie voor dit onderdeel naar de Planmonitor NOVI 2024 (PBL 2024). Daarin geeft het PBL een beeld van de verwachtte effecten van de voorziene uitbreiding van hoofdweginfrastructuur tot 2040. Dit beeld voor de Planmonitor 2024 komt grotendeels overeen met het beeld van de Planmonitor 2023. Omdat er jaarlijks vaak weinig verschuivingen te zien zijn biedt Planmonitor 2024 en onderliggende gegevens voor dit onderdeel een nuttig en bruikbaar beeld.

Vraag 8:

In het rapport wordt de suggestie gewekt om al toegezegde «pijplijnplannen» – zoals recreatiewoningen in kustgebieden – misschien wel te verplaatsen of te stoppen. Wat is de reactie van de regering op deze suggestie van het PBL? Wat betekent dit voor de rechtszekerheid van initiatiefnemers en de betrouwbaarheid van de overheid?

Antwoord:

De afweging of pijplijnplannen doorgang kunnen vinden, moeten worden aangepast of niet worden gerealiseerd, is primair de verantwoordelijkheid van provincies en gemeenten, en niet van het Rijk. Echter het stopzetten of verplaatsen van deze plannen is niet in lijn met de afspraken uit het Kustpact (2017 en 2025), waarin de realisatie van de bestaande pijplijnplannen als uitgangspunt is vastgelegd.

Besluitvorming door provincies en gemeenten over individuele plannen vindt plaats volgens de geldende besluitvormingsprocedures, waarmee de rechtszekerheid van initiatiefnemers en de betrouwbaarheid van de overheid is geborgd. Het Rijk draagt daarnaast bij aan een zorgvuldige en transparante uitvoering door gemeenten te vragen inzicht te geven in de actuele stand van zaken van de pijplijnplannen.

PVV

Vraag 1:

De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat Nederland zorgvuldig moet omgaan met de schaarse ruimte. Nederland kampt met een groot woningtekort en de regering heeft dat vertaald naar een grote woningbouwopgave. Tegelijkertijd wil de regering steeds meer gebieden als kwetsbaar aanmerken. Kan de regering deze leden uitleggen waarom het onrealistische en contraproductieve klimaat- en stikstofbeleid – waaronder saneringsmaatregelen ten koste van de agrarische sector en van de industrie, uitbreiding van zogenaamde Natura 2000-gebieden en groen licht voor zon- en windprojecten geen remmend effect heeft op de woningbouw, de infrastructuur en/of de economische ontwikkeling?

Antwoord:

De vraag of klimaat- en stikstofbeleid positief of negatief is voor de woningbouwopgave, is niet eenduidig te beantwoorden. Zo ontstaat er door effectief stikstofbeleid meer ruimte voor woningbouw, omdat de algehele stikstofdepositie afneemt en andere ruimtelijke ontwikkelingen zo eerder doorgang kunnen vinden. In algemenere zin draagt klimaatbeleid bij aan een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving, wat een positief effect heeft op locaties waar mensen komen te wonen. Wanneer geen rekening gehouden wordt met het water- en bodemsysteem dan kunnen woningen bijvoorbeeld sneller verzakken of onder water komen te staan. Dat is onwenselijk voor bewoners en bovendien kostbaar. Maatregelen gericht op bijvoorbeeld klimaatadaptatie kunnen op korte termijn een kostenverhogend effect hebben op gebiedsontwikkeling, maar kunnen hoge kosten voor bijvoorbeeld gebouweigenaren of de lokale overheid op langere termijn (bijvoorbeeld door schade) voorkomen. Zoals staat aangegeven in de Nota Ruimte vergen ruimtelijke keuzes altijd een integrale afweging, waarbij de verschillende ruimtelijke belangen (zoals woningbouw, energie en natuur) in samenhang worden gewogen.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Steenkamp (CDA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 34 682, AE.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 34 682, AE, bijlage, p. 11.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 34 682, AE, bijlage, p. 8.

X Noot
5

Idem, p. 43.

X Noot
6

Idem, p. 5.

X Noot
7

Idem, p. 20.

X Noot
8

Idem, p. 4.

X Noot
9

Kamerstukken I 2025/26, 34 682, AE, bijlage, p. 8.

X Noot
10

Idem, p. 5.

X Noot
11

Idem, p. 40.

X Noot
12

Kamerstukken I 2025/26, 34 682, AE.

X Noot
13

Kamerstukken I 2025/26, 34 682, AE, bijlage, p. 4.

X Noot
14

Idem, p. 10.

Naar boven