Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 34682 nr. AA |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 34682 nr. AA |
Vastgesteld 5 november 2024
De leden van de voormalige vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving hadden kennisgenomen van de brief van de toenmalige Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 20241 waarbij de Kamer de Planmonitor Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 2024 werd aangeboden.
Naar aanleiding hiervan zijn op 24 september 2024 gelijkluidende brieven gestuurd aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en aan de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 4 november 2024 gereageerd.
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening2 brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra
Aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Den Haag, 24 september 2024
De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de toenmalige Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 20243 waarbij de Kamer de Planmonitor Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 2024 werd aangeboden. De leden van de fracties van de BBB, GroenLinks-PvdA en de PvdD wensen de regering naar aanleiding hiervan enkele vragen voor te leggen. Het lid van de fractie van OPNL heeft met interesse kennisgenomen van de Planmonitor NOVI 2024 en heeft naar aanleiding hiervan de regering, mede namens de leden van de fracties van D66, de PvdD, de ChristenUnie, de SP en Volt, enkele vragen te stellen. De leden van de fractie van de SGP sluiten zich bij de door het lid van de fractie van OPNL gestelde vragen aan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
De leden van de fractie van de BBB hebben de volgende vragen voor de regering.
1.
De leden van de fractie van de BBB verwijzen naar de volgende passage uit de bijlage bij de brief van de voormalig Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 20244:
«In de Kamerbrief Water en bodem sturend (IenW 2022) is voor de uiterwaarden een aanscherping aangekondigd. Hier is geen nieuwe bebouwing meer toegestaan, met uitzondering van «ontwikkellocaties, waar met het Rijk reeds bestuurlijke (beleids)afspraken zijn gemaakt». Er is nog geen overzicht beschikbaar van deze uitzonderingen. Minister Harbers heeft in januari 2024 in de Tweede Kamer wel aangegeven dat nieuwbouwplannen waar vóór 2025 een bestemmingsplan voor is aangenomen, nog doorgang kunnen vinden. Daarna wordt er wat hem betreft in de diepste delen van polders, in uiterwaarden en in het IJsselmeer/Markermeer niet meer buitendijks gebouwd. Inmiddels hebben IenW en BZK een Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving uitgebracht (HKV lijn in water et al. 2024). Ook nieuwe kustuitbreidingen mogen voorlopig niet plaatsvinden, in ieder geval tot het moment dat er inzicht is in de toekomstige zandvraag en de beschikbaarheid van voldoende zand voor de houdbaarheid van de kustlijn is gewaarborgd (IenW 2022). Omdat deze publicatie vooralsnog geen juridische doorwerking kent en op onderdelen afwijkt van het Barro, is er nog geen gebruik gemaakt.»
Kan de regering de leden van de fractie van de BBB inzicht geven in welke woningbouwplannen hierdoor niet (meer) realiseerbaar zijn? Zijn er voldoende alternatieven voorhanden voor deze plannen? En indien dit niet het geval is, wat is er nodig om deze plannen alsnog mogelijk te maken of kan de regering in dat geval een uitzondering mogelijk maken op de voorgenomen verbodsbepaling gezien de woningnood?
De leden van de fractie van de BBB lezen in het Hoofdlijnenakkoord5 dat enkel is bepaald dat «water en bodem sturend» zijn voor onder meer woningbouw. Deze leden merken op dat in voormeld akkoord staat dat «rekening gehouden wordt» met water en bodem bij nieuwbouw.6 De leden van de fractie van de BBB constateren dat dit een belangrijke accentverschuiving betreft, met evenwichtigheid in de politieke afweging. Op welke wijze gaat de regering aan deze verstekkende verschuiving invulling geven? Wat betekent dat voor de voorgenomen verbodsbepalingen en andere reguleringsvoornemens? Graag ontvangen deze leden een toelichting hierop van de regering.
2.
In acht nemende het Hoofdlijnenakkoord vragen de leden van de fractie van de BBB de regering of zij plannen in voorbereiding heeft om afstand te nemen van de exclusiviteit van de 17 «grootschalige verstedelijkingsgebieden», waarin het accent ligt op de grote steden en enkele universiteitssteden. Wat betekent dat voor de financiële ondersteuning door het Rijk, waarbij deze gebieden tot nu toe steeds voorrang kregen? Door meer spreiding in het verstedelijkingsbeleid kunnen met een en hetzelfde overheidsbudget meer en sneller woningen worden gebouwd. Want de zeer complexe (binnenstedelijke) plannen van de grote steden wordt steeds kostbaarder en lopen vertraging op. Onder meer in «de «Bandstad» liggen volop kansen, die nu nog onbenut blijven. De leden van de fractie van de BBB vragen in dit kader aandacht voor Noord-Holland Noord, dat eerder door de regering is aangemerkt als witte vlek.7
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben de planmonitor NOVI 2024 met grote belangstelling gelezen en hebben daarover de volgende vragen aan de regering te stellen.
1.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de regering of nut en relevantie van de jaarlijkse planmonitor NOVI wordt gezien. Zo nee, welke ruimte is er voor verbetering? Zo ja, in hoeverre zijn de Planmonitors al bepalend geweest voor de beleidsbeslissingen van het Rijk en decentrale overheden, en kan dat worden onderbouwd met concrete voorbeelden? Wanneer er nog geen concrete voorbeelden zijn te noemen, kan de regering aangeven op welke wijze zij de informatie uit de monitor gebruikt om de doelen van de NOVI te bereiken, dan wel schade aan deze doelen te voorkomen?
2.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat de Planmonitor NOVI 2024 uitgaat van kwetsbare waarden volgens de PlanMER NOVI. Deze kwetsbare waarden betreffen water, milieu, natuur en landschap. Inmiddels is er een Voorontwerp Nota Ruimte8, waarin ook wordt beoogd om waardevolle landbouwgronden te beschermen door toepassing van het Afwegingskader zorgvuldige omgang met landbouwgrond. Is het mogelijk om de Planmonitor uit te breiden met het thema landbouw? Is het mogelijk om de volgende (vierde) Planmonitor aan te vullen met deze thematiek? Deze leden denken hierbij minimaal aan de effecten van verstedelijking op waardevolle landbouwgrond, maar bijvoorbeeld ook aan de klimaatrobuustheid van landbouwgronden. Uit onderzoek blijkt immers dat landbouwgrond die in het jaar 2030 nog vruchtbaar is, in de jaren 2050 of 2100 niet meer of minder geschikt is vanwege verzilting, bodemdaling of wateropvang. Het zou goed zijn deze risico’s in beeld te hebben zodat bij de ontwikkeling van het landelijk gebied boeren geen investeringen doen die over enkele decennia waardeloos zijn.
3.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wijzen erop dat de Planmonitor NOVI 2024 laat zien dat een aanzienlijk percentage van de woonopgave in kwetsbare gebieden plaatsvindt. Zijn er voornemens om woningbouwlocaties te heroverwegen die niet passen binnen, dan wel strijdig zijn met, deze waarden en/of de doelen van de NOVI? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, op welke wijze wordt voorzien in de financiering van de noodzakelijke infrastructuur en voorzieningen op deze locaties? En zo nee, kan de regering schetsen op welke wijze zij zonder een dergelijke heroverweging gaat voorkomen dat de mogelijk zeer negatieve effecten op de leefomgeving, zoals geschetst in de PlanMER voor de NOVI, realiteit gaan worden?
4.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de regering in hoeverre opvolging wordt gegeven aan de beleidsaanbevelingen. En, indien deze niet worden opgevolgd, kan dan per aanbeveling uiteen worden gezet waarom niet? Deze leden verzoeken de regering daarbij specifiek in te gaan op de volgende punten.
a. Stel duidelijkere kaders ten aanzien van nationale belangen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat de regering dit kan uitwerken in de aanscherping van de NOVI (Nota Ruimte) en desgewenst planologisch/juridisch vastleggen in een van de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet.
b. Werk uit hoe gebieden beschermd kunnen worden onder de Omgevingswet. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA bevelen de regering daarbij aan dat zij bij de komende aanscherping van de NOVI tot een nieuwe Nota Ruimte per nationaal belang zicht biedt op de consequenties van deze verschuiving.
c. Houd bij nieuw te kiezen verstedelijkingslocaties rekening met de infrastructuurinvesteringen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat het aanbeveling verdient om de noodzakelijke randvoorwaarden voor verstedelijking tijdig te overdenken om verdere vertraging en hoge kosten in de woningbouw te voorkomen. Woningbouwlocaties waarvoor bijvoorbeeld extra hoge investeringen in infrastructuur nodig zijn, kunnen dan bijvoorbeeld worden heroverwogen.
d. Houdt rekening met indirecte effecten. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA bevelen aan om bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen ook de indirecte effecten op kwetsbare gebieden in overweging te nemen.
e. Schep duidelijkheid over pijplijnplannen. Het verdient volgens de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA aanbeveling dat overheden duidelijk maken welke eerder gemaakte plannen wel en welke niet kunnen worden uitgevoerd onder het nieuwe beleid. Deze leden merken op dat de regering het principe «water en bodem sturend» als leidraad heeft genomen. Hoe is dat (of hoe wordt dat) juridisch-planologisch gewaarborgd?
f. Maak alle provinciale informatie over ruimtelijke plannen openbaar. Het verdient volgens de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA aanbeveling dat het Rijk op korte termijn met alle provincies harde afspraken maakt over het periodiek actief openbaar maken van ruimtelijke planinformatie, en deze actuele informatie vervolgens ook openbaar te maken in een landelijk gegevensbestand.
5.
Eerder stelden de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA de vraag in hoeverre er sprake is van alternatieven voor de in de (voorgaande) Planmonitor NOVI 2023 genoemde woningbouwlocaties in zogenaamde kwetsbare gebieden. Het antwoord van de regering was daarop:
«De Planmonitor onderstreept de noodzaak voor zorgvuldige invulling van de verstedelijkingsopgave in Nederland, en keuze van woningbouwlocaties. We doen die bredere ruimtelijke afweging in het kader van het NOVEX-programma op provinciaal en regionaal niveau, zowel in de 7 NOVEX-verstedelijkingsgebieden als in de ruimtelijke voorstellen die elk van de provincies nu uitwerkt.»9
Nu lezen deze leden in de reflectie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op de provinciale ruimtelijke voorstellen dat deze uitgaan van de Woondeal en dat in de Woondeals geen gebruik is gemaakt van het principe «water en bodem sturend». Is de regering bereid om alsnog een brede ruimtelijke afweging toe te passen op de Woondeals zodat de effecten op het water en de bodem en kwetsbare waarden zichtbaar worden?
6.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wijzen erop dat er de afgelopen jaren meerdere langetermijnvisies zijn verschenen over de ruimtelijke opgaven in Nederland. Deze bepleiten regelmatig om de spreiding van economische kerngebieden en woonlocaties naar meer klimaatbestendige regio’s te laten plaatsvinden in verband met stijgende zeespiegel en de klimaateffecten op rivieren. In de Planmonitor NOVI 2024 is duidelijk zichtbaar dat het gros van de investeringen echter nog steeds in het westen blijft plaatsvinden en daarbij ook regelmatig in waterkwetsbare gebieden zoals rivierlopen en diepe polders. Kan de regering reflecteren op deze ontwikkeling? Kan de regering aangeven welke instrumenten zij inzet op een robuuste toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling voor de jaren 2050 en 2100?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD
De leden van de fractie van de PvdD hebben de regering de volgende vragen te stellen over de Planmonitor NOVI 2024.
1.
De leden van de fractie van de PvdD merken op dat de Planmonitor NOVI 2024 laat zien dat met name de sterk stedelijke Noord- en Zuidvleugel van de Randstad te maken krijgt met een grote verstedelijkingsopgave. Een groot deel van de verstedelijking komt terecht in gebieden die nu al kwetsbaar zijn. Welke instrumenten heeft de regering voor ogen om mogelijke negatieve effecten van deze bouwlocaties te mitigeren en/of te compenseren? Op welke wijze gaat de regering om met mogelijke verslechteringen? Hoe zorgt de regering ervoor dat ondanks deze projecten ook hier de leefomgeving zal verbeteren? Welke normen hanteert zij hiervoor en hoe verzekert de regering zich ervan dat permanente schade voorkomen wordt?
2.
Wat is de verhouding tussen de opgaven uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en de Planmonitor? En welke consequenties voorziet de regering voor kwetsbare gebieden wanneer de plannen van het NPLG geen doorgang vinden?
3.
De leden van de fractie van de PvdD merken op dat de regering in het jaar 2030 wil voldoen aan de adviesnormen van de World Health Organization (WHO) voor luchtkwaliteit. Nederland voldoet momenteel vrijwel nergens aan die norm, zo lezen deze leden in de Planmonitor NOVI 2024.10 De advieswaarde voor fijnstof wordt bijvoorbeeld nergens gehaald en er hebben in Nederland zes miljoen mensen last van geluidsoverlast. Toch bevat de Planmonitor NOVI 2024 nog geen indicator die de ontwikkeling van woon- en werklocaties binnen gebieden met een hoger milieugezondheidsrisico in beeld brengt. Wordt die indicator ontwikkeld voor de Planmonitor NOVI 2025?
4.
De leden van de fractie van de PvdD wijzen erop dat in het rapport wordt aanbevolen dat in de nieuwe NOVI (tot en met nieuwe Nota Ruimte) per nationaal belang inzichtelijk wordt gemaakt welke gevolgen de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft voor de wettelijke bescherming van nationale belangen en kwetsbare gebieden. Is de regering voornemens om dat inzicht inderdaad te bieden?
5.
Kan de regering de leden van de fractie van de PvdD per aanbeveling aangeven of en zo ja, hoe, zij de aanbeveling gaat opvolgen? En indien nodig, kan zij het ook motiveren indien een aanbeveling niet wordt uitgevoerd?
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van OPNL, mede namens de fracties van D66, de PvdD, de ChristenUnie, de SP en Volt
Het lid van de fractie van OPNL en de leden van de fracties van D66, de PvdD, de ChristenUnie, de SP en Volt hebben de volgende vragen voor de regering.
1.
Genoemde leden merken op dat in (het voorontwerp van) de nieuwe Nota Ruimte wordt afgezien van het oude adagium «sterker maken wat al sterk is» en wordt aangesloten bij het advies «Elke regio telt!» en het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het advies. Onderdeel hiervan is de stevige inzet op wonen en infrastructuur in meer regio’s dan tot voor kort het geval was.11 Kan de regering toelichten hoe dit is terug te zien in de Planmonitor NOVI 2024?
2.
Genoemde leden verwijzen naar de volgende aanbeveling uit de Planmonitor NOVI 2024:
«(...) dat het Rijk op korte termijn met alle provincies harde afspraken maakt over het periodiek actief openbaar maken van ruimtelijke planinformatie (...)».12
Kan de regering toelichten of zij van plan is opvolging te geven aan dit advies om «harde afspraken» te maken met de provinciebesturen? En zo ja, op welke wijze?
3.
Evenwel constateren genoemde leden dat uit de antwoorden op eerdere vragen vanuit deze commissie over de Pilot Planmonitor NOVI van de regering van 31 maart 2022 blijkt dat zij een wettelijke verplichting over het openbaar maken van provinciale planinformatie «niet voor de hand liggend» achtte.13 Deelt de regering dit standpunt nog altijd of wordt een wettelijke verplichting inmiddels wel overwogen?
4.
Verder verwijzen genoemde leden naar de volgende passage in voormelde brief waarin de regering aangaf dat er grenzen zijn aan hoeveel planinformatie er openbaar moet worden gemaakt. «Bijvoorbeeld ter voorkoming van speculatie; het is niet altijd gewenst om de exacte locatie van geplande bouwlocaties openbaar toegankelijk te maken.»14 Deelt de regering die zorg nog altijd? Zo nee, waarom niet?
5.
Is de regering het daarnaast met genoemde leden eens dat voorafgaand aan harde afspraken eerst overleg wordt gevoerd met de provinciebesturen? Bijvoorbeeld omdat het openbaar maken van verstedelijkingsplannen een kostenopdrijvend effect kan hebben op bepaalde percelen, terwijl die nodig zijn voor de woningopgave en deels voor de infrastructuur? Zo ja, op welke termijn is de regering voornemens om in overleg te treden met de provincies? Zo nee, waarom niet?
6.
Een planmonitor voor Nederland is heel nuttig, aldus genoemde leden. Echter, de infrastructuur van Nederland is mede afhankelijk van beslissingen genomen in de buurlanden. Op welke wijze neemt de regering dit gegeven mee in de Planmonitor?
De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving zien uw reactie met belangstelling tegemoet en zij verzoeken u deze uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief te mogen ontvangen. Een gelijkluidende brief is verstuurd aan de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu.
Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, E. Kemperman
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 november 2024
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van de commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving van de Eerste Kamer n.a.v. de Planmonitor Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 2024 ontvangen op 24 september 2024.
Fractie BBB
De leden van de fractie van de BBB verwijzen naar de volgende passage uit de bijlage bij de brief van de voormalig Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 2022: «In de Kamerbrief Water en bodem sturend (IenW 2022) is voor de uiterwaarden een aanscherping aangekondigd. Hier is geen nieuwe bebouwing meer toegestaan, met uitzondering van «ontwikkellocaties, waar met het Rijk reeds bestuurlijke (beleids)afspraken zijn gemaakt». Er is nog geen overzicht beschikbaar van deze uitzonderingen. Minister Harbers heeft in januari 2024 in de Tweede Kamer wel aangegeven dat nieuwbouwplannen waar vóór 2025 een bestemmingsplan voor is aangenomen, nog doorgang kunnen vinden. Daarna wordt er wat hem betreft in de diepste delen van polders, in uiterwaarden en in het IJsselmeer/Markermeer niet meer buitendijks gebouwd. Inmiddels hebben IenW en BZK een Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving uitgebracht (HKV lijn in water et al. 2024). Ook nieuwe kustuitbreidingen mogen voorlopig niet plaatsvinden, in ieder geval tot het moment dat er inzicht is in de toekomstige zandvraag en de beschikbaarheid van voldoende zand voor de houdbaarheid van de kustlijn is gewaarborgd (IenW 2022). Omdat deze publicatie vooralsnog geen juridische doorwerking kent en op onderdelen afwijkt van het Barro, is er nog geen gebruik gemaakt.»
1.
Vraag: Kan de regering de leden van de fractie van de BBB inzicht geven in welke woningbouwplannen hierdoor niet (meer) realiseerbaar zijn? Zijn er voldoende alternatieven voorhanden voor deze plannen? En indien dit niet het geval is, wat is er nodig om deze plannen alsnog mogelijk te maken of kan de regering in dat geval een uitzondering mogelijk maken op de voorgenomen verbodsbepaling gezien de woningnood? De leden van de fractie van de BBB lezen in het Hoofdlijnenakkoord dat enkel is bepaald dat «water en bodem sturend» zijn voor onder meer woningbouw. Deze leden merken op dat in voormeld akkoord staat dat «rekening gehouden wordt» met water en bodem bij nieuwbouw. De leden van de fractie van de BBB constateren dat dit een belangrijke accentverschuiving betreft, met evenwichtigheid in de politieke afweging. Op welke wijze gaat de regering aan deze verstekkende verschuiving invulling geven? Wat betekent dat voor de voorgenomen verbodsbepalingen en andere reguleringsvoornemens? Graag ontvangen deze leden een toelichting hierop van de regering.
Antwoord: Het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving maakt inzichtelijk welke plekken meer en minder geschikt zijn voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, gebaseerd op het water- en bodemsysteem. Het helpt ons en medeoverheden bij het maken van toekomstbestendige ruimtelijke keuzes, bijvoorbeeld in de Nota Ruimte. In het afwegingskader is voor een aantal gebieden aangegeven dat daar niet gebouwd mag worden (onder meer buitendijks IJsselmeergebied). Voor het IJsselmeergebied is al geldende regelgeving in het Bkl (onder de Omgevingswet de opvolger van het Barro) waardoor daar nu veelal ook al niet gebouwd mag worden. Voor het rivierbed in de grote rivieren is de Beleidslijn grote rivieren (hierna Beleidslijn) van toepassing. De Beleidslijn is een uitwerking van het wettelijk verankerde nationale waterveiligheidsbeleid dat er op is gericht om overstromingen met slachtoffers en catastrofale gevolgen te voorkomen. Voor de rivieren is een ongehinderde afvoer en berging van rivierwater in de uiterwaarden en rivierbed van cruciaal belang, zeker in tijden van hoogwater. Daarom bevat de beleidslijn regels over wat vanuit rivierkundig oogpunt wel en niet in het rivierbed is toegestaan. Het doel van de Beleidslijn is dat er nu en in de toekomst voldoende ruimte in het rivierbed blijft voor het bergen en afvoeren van water, voorkomen wordt dat nieuwe activiteiten of objecten in het rivierbed toekomstige verruiming van de rivier duurder of onmogelijk maken en dat er bij extreme hoogwaters grote (maatschappelijke) schade ontstaat. De beleidslijn is geactualiseerd en de regelgeving wordt aangepast naar aanleiding van de ervaringen van het hoogwater in Limburg in 2021 die vaker zullen voorkomen. Bestaande buitendijkse gebouwen, zoals woningen of andere functies, worden gerespecteerd. Uitbreiding van deze bestaande bebouwing (ongeacht functie) blijft mogelijk en bedraagt eenmalig 10%. Daarnaast blijft, ongeachte de functie, sloop en herbouw van de bestaande gebouwen toegestaan.
Voor de overige gebieden geldt dat nieuwe verstedelijking nog steeds mogelijk is. Het afwegingskader geeft daarbij wel aan welke plekken, op basis van het water- en bodemsysteem, meer of minder geschikt zijn en of er extra maatregelen nodig zijn om toekomstbestendig te bouwen. Daarmee zijn er dus geen bestaande woningbouwplannen die, door het afwegingskader, niet meer realiseerbaar zijn. Initiatieven die vallen onder categorie «Niet bouwen» vallen en reeds bekend waren ten tijde van de brief water en bodem sturend zijn opgenomen als uitzondering en mogen dus doorgang vinden.
In het Regeerprogramma staat dat we rekeninghouden met water en bodem. Dat staat er bewust zo. Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in de ruimtelijke ordening die rekening houden met water en bodem van belang. Dat doen we bijvoorbeeld bij het bouwen van huizen, om te voorkomen dat huizen over 10 of 20 jaar gaan verzakken of een groot risico kennen op zware overstromingen. Daar is niemand bij gebaat. Tegelijkertijd betekent «rekening houden met» ook dat we mee bewegen met water en bodem en soms bijvoorbeeld accepteren dat er wateroverlast is. Denk aan een tuin van een woning die af en toe onder water komt te staan wanneer deze grenst aan een sloot die soms overloopt. Rekeninghouden met werkt dus twee kanten op. Het accent komt daarbij te liggen op wat er wel kan en hoe we daarvoor zorgen. We moeten creatief zijn en slimme keuzes maken met goede technische oplossingen. In de Nota Ruimte maken we deze keuzes integraal met het oog op een toekomstbestendige inrichting van Nederland.
Op 22 oktober 2024 is uw Kamer nader geïnformeerd door middel van een brief van de Minister van IenW over hoe wij invulling geven aan rekening houden met water en bodem en de accent verschuiving ten opzichte van water en bodem sturend. «Sturend» werd door sommigen gezien als «bepalend» en daarmee werd het onbedoeld allesbepalend en in de ruimtelijke ordening belemmerend. Wij willen met «rekening houden met» ons richten op wat wel kan gebaseerd op de kennis die we hebben van ons water- en bodemsysteem in een veranderd klimaat. Wij willen opzoek naar oplossingen die de verschillende belangen verenigen in plaats van scheiden, door zoveel mogelijk multifunctioneel ruimtegebruik en creatieve oplossingen.
2.
Vraag: In acht nemende het Hoofdlijnenakkoord vragen de leden van de fractie van de BBB de regering of zij plannen in voorbereiding heeft om afstand te nemen van de exclusiviteit van de 17 «grootschalige verstedelijkingsgebieden», waarin het accent ligt op de grote steden en enkele universiteitssteden. Wat betekent dat voor de financiële ondersteuning door het Rijk, waarbij deze gebieden tot nu toe steeds voorrang kregen? Door meer spreiding in het verstedelijkingsbeleid kunnen met een en hetzelfde overheidsbudget meer en sneller woningen worden gebouwd. Want de zeer complexe (binnenstedelijke) plannen van de grote steden wordt steeds kostbaarder en lopen vertraging op. Onder meer in «de «Bandstad» liggen volop kansen, die nu nog onbenut blijven. De leden van de fractie van de BBB vragen in dit kader aandacht voor Noord-Holland Noord, dat eerder door de regering is aangemerkt als witte vlek.
Antwoord: De woningbouwopgave is een landelijke opgave en het kabinet kijkt dan ook naar woningbouwmogelijkheden in heel Nederland, voor zowel grote als kleinere woningbouwplannen, in steden, dorpen en landelijk gebied. Op dit moment neemt de regio Noord-Holland Noord met ca. 42.500 woningen al een flink aandeel in de woningbouw. Hierover zijn in woondeals afspraken gemaakt. Ook op langere termijn zijn er kansen voor verdere verstedelijking in Noord-Holland Noord.
In het proces van de Nota Ruimte zal dit kabinet bezien of er nog extra (nieuwe) grootschalige woningbouwlocaties moeten worden aangewezen. Ook de locaties in Noord-Holland-Noord zullen hierin worden meegenomen en beoordeeld. Los hiervan kan NHN gebruik maken van de 5 miljard euro bedoeld voor woningbouw en de 2,5 miljard euro die is aangemerkt voor mobiliteitskwesties bij woningbouw. Ook blijven we de komende jaren gezamenlijk met de regio kijken op welke manier we invulling kunnen geven aan de voorwaarden voor woningbouw. Daarnaast blijven we natuurlijk ook financiële ondersteuning bieden om de woningbouw aan te jagen.
De regio is dus allerminst een «witte vlek». Dat geldt ook voor andere stedelijke regio’s in de «Bandstad». De huidige 17 grootschalige woningbouwgebieden zijn door het vorige kabinet aangewezen in 7 NOVEX-verstedelijkingsgebieden. Daaronder zijn ook de regio’s Zwolle, Arnhem-Nijmegen-Foodvalley en de Brabantse stedenrij, die in de «Bandstad» liggen. Het aanwijzen van nieuwe grootschalige woningbouwlocaties zal in samenspraak met de betrokken (NOVEX) gebieden tot stand komen, o.a. op basis van ontwikkelpotentie, reële vraag en kansen en beperkingen, waaronder bereikbaarheid. Dit is aanvullend op de in de woondeals al gemaakte afspraken over woningbouw in heel Nederland. Hierbij is juist ook aandacht voor regio’s in heel Nederland.
Fractie GL/PvdA
1.
Vraag: De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de regering of nut en relevantie van de jaarlijkse planmonitor NOVI wordt gezien. Zo nee, welke ruimte is er voor verbetering? Zo ja, in hoeverre zijn de Planmonitors al bepalend geweest voor de beleidsbeslissingen van het Rijk en decentrale overheden, en kan dat worden onderbouwd met concrete voorbeelden? Wanneer er nog geen concrete voorbeelden zijn te noemen, kan de regering aangeven op welke wijze zij de informatie uit de monitor gebruikt om de doelen van de NOVI te bereiken, dan wel schade aan deze doelen te voorkomen?
Antwoord: De regering ziet het nut en relevantie van de jaarlijkse planmonitor van de Nationale Omgevingsvisie: de planmonitor maakt het mogelijk dat de discussie over al dan niet gewenste ontwikkelingen op basis van feiten en cijfers gevoerd kan worden. Op grond van het gesprek met de kamer kunnen vervolgens besluiten over eventuele beleidsaanpassingen genomen worden. Zo is op basis van bevindingen uit de monitoring van de NOVI meer aandacht gekomen voor samenhang en ruimtelijke kwaliteit. Verbeteringen binnen de planmonitoring zijn mogelijk omdat een deel van de ontwikkelingen die in beeld worden gebracht worden gemodelleerd omdat plangegevens ontbreken. Op het moment dat deze beschikbaar komen neemt de waarde van de uitkomsten van de planmonitor verder toe.
De conclusies uit de planmonitor en de monitor van de NOVI worden betrokken bij de aanscherping van de beleidsvoornemens, en de bevindingen neem ik mee bij het opstellen van de Nota Ruimte. Het voornemen is deze voor het eind van het jaar aan de Kamers te sturen.
2.
Vraag: De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat de Planmonitor NOVI 2024 uitgaat van kwetsbare waarden volgens de PlanMER NOVI. Deze kwetsbare waarden betreffen water, milieu, natuur en landschap. Inmiddels is er een Voorontwerp Nota Ruimte, waarin ook wordt beoogd om waardevolle landbouwgronden te beschermen door toepassing van het Afwegingskader zorgvuldige omgang met landbouwgrond. Is het mogelijk om de Planmonitor uit te breiden met het thema landbouw? Is het mogelijk om de volgende (vierde) Planmonitor aan te vullen met deze thematiek? Deze leden denken hierbij minimaal aan de effecten van verstedelijking op waardevolle landbouwgrond, maar bijvoorbeeld ook aan de klimaatrobuustheid van landbouwgronden. Uit onderzoek blijkt immers dat landbouwgrond die in het jaar 2030 nog vruchtbaar is, in de jaren 2050 of 2100 niet meer of minder geschikt is vanwege verzilting, bodemdaling of wateropvang. Het zou goed zijn deze risico’s in beeld te hebben zodat bij de ontwikkeling van het landelijk gebied boeren geen investeringen doen die over enkele decennia waardeloos zijn.
Antwoord: De planmonitor van de NOVI brengt de gevolgen in beeld van ruimtelijke ontwikkelingen in verhouding tot de kwetsbare waarden uit de (PlanMER) van de huidige NOVI. De Nota Ruimte wordt de opvolger van de huidige NOVI, en de kwetsbare waarden die daarbinnen geformuleerd kunnen worden, vormen de basis voor toekomstige planmonitors.
Eventuele toevoegingen van kwetsbare waarden volgen daarom uit de Nota Ruimte, die op dit moment nog in ontwikkeling is. Op het moment dat waardevolle landbouwgrond als een te beschermen waarde wordt benoemd in de Nota Ruimte, kan dat methodisch verder uitgewerkt kunnen worden in de planmonitor.
3.
Vraag: De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wijzen erop dat de Planmonitor NOVI 2024 laat zien dat een aanzienlijk percentage van de woonopgave in kwetsbare gebieden plaatsvindt. Zijn er voornemens om woningbouwlocaties te heroverwegen die niet passen binnen, dan wel strijdig zijn met, deze waarden en/of de doelen van de NOVI? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, op welke wijze wordt voorzien in de financiering van de noodzakelijke infrastructuur en voorzieningen op deze locaties? En zo nee, kan de regering schetsen op welke wijze zij zonder een dergelijke heroverweging gaat voorkomen dat de mogelijk zeer negatieve effecten op de leefomgeving, zoals geschetst in de PlanMER voor de NOVI, realiteit gaan worden?
Antwoord: Met behulp van modellen heeft het PBL in de planmonitor mogelijke verstedelijking (wonen, werken, verblijfsrecreatie) voor de periode tot 2050 in kaart gebracht, op basis van restricties in het ruimtelijk beleid. Vervolgens is dit vergeleken met de ligging van kwetsbare gebieden m.b.t. waterbeheer, landschappelijke waarden, biodiversiteit, ondergrond en milieugezondheidsrisico. Voor de periode tot circa 2030 is waar mogelijk gebruik gemaakt van provinciale planinformatie over woningbouw. De voorziene verstedelijking in de planmonitor is daarmee slechts deels gebaseerd op daadwerkelijke plannen. Een ander deel is een modelmatige doorrekening van nieuwe verstedelijking op basis van huidig beleid en geldende restricties.
Zoals aangegeven in het regeerprogramma wil het kabinet dat er toekomstbestendig wordt gebouwd, waarbij rekening wordt gehouden met, onder andere, water en bodem en klimaatverandering. Soms ligt hierin een opgave voor locatiekeuze, soms voor inrichting en soms voor een combinatie hiervan. Ik neem deze elementen mee bij de keuze voor nieuwe woningbouwlocaties en voer daarover het gesprek met medeoverheden en collega bewindspersonen. Mijn inzet is erop gericht; hoe kan het wel? Ik kan hierbij nu nog niet aangeven welke concrete gevolgen dit heeft voor individuele voorziene woningbouwlocaties.
4.
Vraag: De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de regering in hoeverre opvolging wordt gegeven aan de beleidsaanbevelingen. En, indien deze niet worden opgevolgd, kan dan per aanbeveling uiteen worden gezet waarom niet? Deze leden verzoeken de regering daarbij specifiek in te gaan op de volgende punten.
a. Stel duidelijkere kaders ten aanzien van nationale belangen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat de regering dit kan uitwerken in de aanscherping van de NOVI (Nota Ruimte) en desgewenst planologisch/juridisch vastleggen in een van de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet.
b. Werk uit hoe gebieden beschermd kunnen worden onder de Omgevingswet. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA bevelen de regering daarbij aan dat zij bij de komende aanscherping van de NOVI tot een nieuwe Nota Ruimte per nationaal belang zicht biedt op de consequenties van deze verschuiving.
c. Houd bij nieuw te kiezen verstedelijkingslocaties rekening met de infrastructuurinvesteringen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat het aanbeveling verdient om de noodzakelijke randvoorwaarden voor verstedelijking tijdig te overdenken om verdere vertraging en hoge kosten in de woningbouw te voorkomen. Woningbouwlocaties waarvoor bijvoorbeeld extra hoge investeringen in infrastructuur nodig zijn, kunnen dan bijvoorbeeld worden heroverwogen.
d. Houdt rekening met indirecte effecten. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA bevelen aan om bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen ook de indirecte effecten op kwetsbare gebieden in overweging te nemen.
e. Schep duidelijkheid over pijplijnplannen. Het verdient volgens de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA aanbeveling dat overheden duidelijk maken welke eerder gemaakte plannen wel en welke niet kunnen worden uitgevoerd onder het nieuwe beleid. Deze leden merken op dat de regering het principe «water en bodem sturend» als leidraad heeft genomen. Hoe is dat (of hoe wordt dat) juridisch-planologisch gewaarborgd?
f. Maak alle provinciale informatie over ruimtelijke plannen openbaar. Het verdient volgens de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA aanbeveling dat het Rijk op korte termijn met alle provincies harde afspraken maakt over het periodiek actief openbaar maken van ruimtelijke planinformatie, en deze actuele informatie vervolgens ook openbaar te maken in een landelijk gegevensbestand.
Antwoord:
Aanbeveling 1: Waarborg nationale belangen
In het traject richting Nota Ruimte beziet het kabinet in hoeverre de nationale belangen voldoende geborgd zijn en welke aanpassingen nodig zijn om duidelijke kaders voor de nationale belangen mee te geven. In de Uitvoeringsagenda wordt opgenomen welke instrumenten het kabinet daarvoor zal inzetten.
Aanbeveling 2: Werk uit hoe gebieden beschermd kunnen worden onder de nieuwe Omgevingswet
De Omgevingswet biedt een vernieuwde gereedschapskist om te komen tot een evenwicht tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Met de komst van de Omgevingswet zijn de nationale belangen en gebieden dan ook niet van beschermingsniveau veranderd. Regels voor de bescherming van nationale belangen en gebieden zijn beleidsneutraal overgezet van het oude naar het nieuwe stelsel. Het vastleggen van beleid in de Nota Ruimte is geen voorwaarde voor het gebruik van de instrumenten van de Omgevingswet, maar er is al aangegeven dat bij de Nota Ruimte een uitvoeringsagenda komt. Daarin zal aangegeven worden hoe de nationale belangen uit de Nota Ruimte worden geborgd.
Aanbeveling 3: Houd bij nieuw te kiezen verstedelijkingslocaties rekening met de infrastructuurinvesteringen
In de huidige ontwikkelperspectieven en verstedelijkingsstrategieën is aandacht voor nabijheid van voorzieningen, werken en OV. Hierbij wordt integraal naar opgaven als wonen, werken, voorzieningen, groen/blauw, mobiliteit en energie gekeken. Ook in de nieuwe Nota Ruimte zet ik deze strategie voort. Keuzes voor nieuwe grootschalige woningbouwlocaties en andere ontwikkelingen maak ik in samenhang met de genoemde ruimtelijke aspecten. We zetten in op het realiseren van woningen en werklocaties zo veel mogelijk binnenstedelijk en nabij OV-knopen.
Het merendeel van de grootschalige woningbouwlocaties ligt in bebouwd gebied en nabij OV. Op die locaties is dus direct al een goede aansluiting op bestaande infrastructuur. Voor werklocaties wordt enerzijds ingezet op herstructureren en beter benutten van bestaande werklocaties en anderzijds op mengen van wonen en werken ter verbetering van de woon-werkbalans. Bij al deze keuzes wordt rekening gehouden met de effecten op bereikbaarheid en de infrastructuur. In het huidige regeerprogramma is 2,5 mld gereserveerd voor bereikbaarheidsmaatregelen in relatie tot woningbouw.
Aanbeveling 4: Houd rekening met indirecte effecten (van nieuwe woon- en werklocaties en de noodzakelijke infrastructuur)
In de wettelijke verplichte onderzoeken voor ruimtelijke ontwikkelingen worden veel indirecte effecten meegenomen. In de verstedelijkingsstrategieën en ontwikkelperspectieven voor de (NOVEX-)verstedelijkingsgebieden waar Rijk en regio samen aan werken is aandacht voor groen als onderdeel van verstedelijking. Dit om ervoor te zorgen dat extra druk van verstedelijking op de groene ruimte wordt opgevangen. Groene ruimte voor recreatie, ontmoeting en een toekomstbestendige inrichting van bebouwd gebied is van belang voor een gezonde en veilige leefomgeving. Vroegtijdig aandacht besteden aan groen zorgt ook voor draagvlak en een goede inpassing bij nieuwe woningbouwprojecten. De daadwerkelijke effecten van verstedelijking in druk op recreatiegebieden is vooraf moeilijk te voorspellen.
Aanbeveling 5: Schep duidelijkheid over pijplijnplannen
Ik ben het met het PBL eens dat het aanbeveling verdient dat overheden duidelijk maken welke eerder gemaakte plannen wel en welke niet kunnen worden uitgevoerd onder het nieuwe beleid. Dat kan verschillende consequenties hebben. Bij plannen waarvoor reeds toezeggingen zijn gedaan, kan het beter zijn om als overheid in overleg te treden met de initiatiefnemers om samen te zoeken naar mogelijkheden om de plancapaciteit via een alternatieve inrichting of op een andere locatie te realiseren. In enkele gevallen kan het zelfs aanbeveling verdienen om eventuele meerkosten van alternatieven af te wegen tegen de kosten van aantasting van de betreffende kwetsbare gebieden. Een algemene lijn hoe duidelijkheid te geven over pijplijnplannen is daarom niet te geven, dat verschilt per beleidsveld en vergt soms maatwerk in concrete situaties.
Ten aanzien van water en bodem heeft de Minister van IenW op 22 oktober 2024 een brief aan de Tweede Kamer verstuurd waarin hij ingaat op hoe dit kabinet invulling geeft aan de uitspraak in het regeerakkoord dat we toekomstbestendig bouwen en daarbij rekening houden met water en bodem. Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in de ruimtelijke ordening die rekening houden met water en bodem van belang. Dat doen we bijvoorbeeld bij het bouwen van huizen, om te voorkomen dat nieuwe huizen op termijn gaan verzakken of een groot risico kennen op wateroverlast en schade (zoals funderingen). Daar is niemand bij gebaat. Tegelijkertijd betekent «rekening houden met» ook dat we meebewegen met water en bodem en soms bijvoorbeeld accepteren dat er wateroverlast is. Denk aan een tuin van een woning die af en toe onder water komt te staan wanneer deze grenst aan een sloot die soms overloopt. «Rekeninghouden met» werkt dus twee kanten op. Het accent komt daarbij te liggen op wat er wel kan en hoe we daarvoor zorgen. We moeten creatief zijn en slimme keuzes maken met goede technische oplossingen, daar waar mogelijk, houdbaar en betaalbaar.
Om de nationale waterbelangen te borgen gelden er reeds bestaande regels voor bijvoorbeeld bouwen in het rivierbed van grote rivieren. Initiatiefnemers hebben hier vaak een omgevingsvergunning voor nodig. Daarnaast borgt het Rijk de nationale belangen voor bijvoorbeeld waterveiligheid via instructieregels die zich in dat geval richten tot de gemeente die ze door vertaalt in het omgevingsplan.
Aanbeveling 6: Maak alle provinciale informatie over ruimtelijke plannen openbaar
In het kader van de landelijke monitor voortgang woningbouw hebben Rijk, provincies en gemeenten inmiddels afspraken gemaakt over de periodieke aanlevering van informatie over woningbouwplannen. Deze planinformatie zal grotendeels openbaar zijn, maar deels vertrouwelijk met het oog op het voorkomen dan wel beperken van grondspeculatie. Dit zijn voornamelijk plannen waarover nog niet publiekelijk gecommuniceerd is. Op gemeenteniveau is deze vertrouwelijke planinformatie wel geaggregeerd openbaar beschikbaar. Vertrouwelijke informatie op planniveau kan voor onderzoekers beschikbaar worden gemaakt. De regering ziet momenteel geen aanleiding deze afspraken verder aan te scherpen.
5.
Vraag: Eerder stelden de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA de vraag in hoeverre er sprake is van alternatieven voor de in de (voorgaande) Planmonitor NOVI 2023 genoemde woningbouwlocaties in zogenaamde kwetsbare gebieden. Het antwoord van de regering was daarop: «De Planmonitor onderstreept de noodzaak voor zorgvuldige invulling van de verstedelijkingsopgave in Nederland, en keuze van woningbouwlocaties. We doen die bredere ruimtelijke afweging in het kader van het NOVEX-programma op provinciaal en regionaal niveau, zowel in de 7 NOVEX-verstedelijkingsgebieden als in de ruimtelijke voorstellen die elk van de provincies nu uitwerkt.» Nu lezen deze leden in de reflectie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op de provinciale ruimtelijke voorstellen dat deze uitgaan van de Woondeal en dat in de Woondeals geen gebruik is gemaakt van het principewater en bodem sturend». Is de regering bereid om alsnog een brede ruimtelijke afweging toe te passen op de Woondeals zodat de effecten op het water en de bodem en kwetsbare waarden zichtbaar worden?
Antwoord: Dit is niet nodig. In het kader van de Woondeals heeft het vorige kabinet afspraken gemaakt met provincies om invulling te geven aan de woningbouwopgave tot en met 2030. Dit zijn concrete projecten op korte termijn die al in uitvoering kunnen zijn. Bij de toedeling van de middelen door het vorige kabinet is reeds rekening gehouden met andere ruimtelijke opgaven, waaronder water en bodem.
De principes van water en bodem zijn uitgewerkt in het ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Het ruimtelijk afwegingskader is een ondersteunend instrument voor gemeenten, provincies en waterschappen. Het laat zien dat in de meeste delen van Nederland nog gewoon gebouwd kan worden, mits dit gebeurt op een manier waarbij rekening wordt gehouden met de risico’s vanuit het water- en bodemsysteem, bijvoorbeeld met betrekking tot de locatie of de inrichting daarvan.
Een deel van de woningbouwopgave die met de provincies in de Woondeals is afgesproken, zal worden gerealiseerd in gebieden die in het ruimtelijk afwegingskader zijn aangeduid met de risicoklasse «ja, mits», wat betekent dat hier zeker gebouwd kan worden maar daarvoor met het oog op water en bodem wel een inspanning nodig is.
6.
Vraag: De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wijzen erop dat er de afgelopen jaren meerdere langetermijnvisies zijn verschenen over de ruimtelijke opgaven in Nederland. Deze bepleiten regelmatig om de spreiding van economische kerngebieden en woonlocaties naar meer klimaatbestendige regio’s te laten plaatsvinden in verband met stijgende zeespiegel en de klimaateffecten op rivieren. In de Planmonitor NOVI 2024 is duidelijk zichtbaar dat het gros van de investeringen echter nog steeds in het westen blijft plaatsvinden en daarbij ook regelmatig in waterkwetsbare gebieden zoals rivierlopen en diepe polders. Kan de regering reflecteren op deze ontwikkeling? Kan de regering aangeven welke instrumenten zij inzet op een robuuste toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling voor de jaren 2050 en 2100?
Antwoord: De tussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, die november 2023 werd gepubliceerd is helder: de waterveiligheid in Laag-Nederland kan ook op lange termijn gegarandeerd kan worden. Maar voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in de ruimtelijke ordening nodig die rekening houden met water en bodem. In het Regeerprogramma staat dat we rekening houden met water en bodem en dit wordt verder beschreven in de brief van de Minister van IenW die op 22 oktober 2024 met uw Kamer is gedeeld. Dat doen we bijvoorbeeld bij het bouwen van huizen. Om te voorkomen dat huizen over 10 of 20 jaar gaan verzakken of een groot risico kennen op zware overstromingen. Tegelijkertijd betekent «rekening houden met» ook dat we meebewegen met water en bodem en bijvoorbeeld accepteren dat er soms wateroverlast is. Denk aan een tuin van een woning die af en toe onder water komt te staan wanneer deze grenst aan een sloot die soms overloopt. Rekening houden met werkt dus twee kanten op. Het accent komt daarbij te liggen op wat er wel kan en wat daarvoor nodig is. We moeten creatief zijn en slimme keuzes maken met goede technische oplossingen. In de Nota Ruimte maken we deze keuzes integraal met het oog op een toekomstbestendige inrichting van Nederland.
Fractie PvdD
1.
Vraag: De leden van de fractie van de PvdD merken op dat de Planmonitor NOVI 2024 laat zien dat met name de sterk stedelijke Noord- en Zuidvleugel van de Randstad te maken krijgt met een grote verstedelijkingsopgave. Een groot deel van de verstedelijking komt terecht in gebieden die nu al kwetsbaar zijn. Welke instrumenten heeft de regering voor ogen om mogelijke negatieve effecten van deze bouwlocaties te mitigeren en/of te compenseren? Op welke wijze gaat de regering om met mogelijke verslechteringen? Hoe zorgt de regering ervoor dat ondanks deze projecten ook hier de leefomgeving zal verbeteren? Welke normen hanteert zij hiervoor en hoe verzekert de regering zich ervan dat permanente schade voorkomen wordt?
Antwoord: Met behulp van modellen heeft het PBL in de planmonitor mogelijke verstedelijking (wonen, werken, verblijfsrecreatie) voor de periode tot 2050 in kaart gebracht, op basis van restricties in het ruimtelijk beleid. Vervolgens is dit vergeleken met de ligging van kwetsbare gebieden m.b.t. waterbeheer, landschappelijke waarden, biodiversiteit, ondergrond en milieugezondheidsrisico. Voor de periode tot circa 2030 is waar mogelijk gebruik gemaakt van provinciale planinformatie over woningbouw. De voorziene verstedelijking in de planmonitor is daarmee slechts deels gebaseerd op daadwerkelijke plannen. Een ander deel is een modelmatige doorrekening van nieuwe verstedelijking op basis van huidig beleid en geldende restricties.
In de Nota Ruimte maken wij integrale ruimtelijke keuzes op nationaal niveau. Een van de uitgangspunten hierbij is dat we toekomstbestendig bouwen. Toekomstbestendigheid gaat niet alleen over de gebouwen zelf, maar ook over de omgeving: we streven naar een veilige, gezonde en prettige leefomgeving om te wonen, werken en ontmoeten. Hierbij houden we dus rekening met aspecten op het gebied van milieu en leefomgeving. Inzichten vanuit de planmonitor helpen bij het maken van de juiste nationale ruimtelijke keuzes.
De primaire verantwoordelijkheid voor de exacte locatiekeuze en inrichting van nieuwe verstedelijking ligt bij provincies en gemeenten. Zij zorgen voor een goede inpassing van nieuwe verstedelijking en, indien nodig, bijbehorende mitigerende of compenserende maatregelen.
2.
Vraag: Wat is de verhouding tussen de opgaven uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en de Planmonitor? En welke consequenties voorziet de regering voor kwetsbare gebieden wanneer de plannen van het NPLG geen doorgang vinden?
Antwoord Het NPLG is stop gezet en momenteel wordt een nieuwe, uitvoeringsgerichte en gebiedsspecifieke aanpak door de Minister van LVVN uitgewerkt. Voor het eind van dit jaar zullen de contouren van deze aanpak bekend gemaakt worden.
3.
Vraag: De leden van de fractie van de PvdD merken op dat de regering in het jaar 2030 wil voldoen aan de adviesnormen van de World Health Organization (WHO) voor luchtkwaliteit. Nederland voldoet momenteel vrijwel nergens aan die norm, zo lezen deze leden in de Planmonitor NOVI 2024. De advieswaarde voor fijnstof wordt bijvoorbeeld nergens gehaald en er hebben in Nederland zes miljoen mensen last van geluidsoverlast. Toch bevat de Planmonitor NOVI 2024 nog geen indicator die de ontwikkeling van woon- en werklocaties binnen gebieden met een hoger milieugezondheidsrisico in beeld brengt. Wordt die indicator ontwikkeld voor de Planmonitor NOVI 2025?
Antwoord: De planmonitor van de NOVI 2024 bevat (5.1, pagina 46–47) een indicator die mogelijke toekomstige woon- werklocaties in gebieden met een hoger milieugezondheidsrisico in beeld brengt.
De doelstellingen voor de luchtkwaliteit zijn, volgens het huidige beleid van de regering, gericht op het uiterlijk in 2030 behalen van de advieswaarden uit de WHO richtlijnen van 2005. Uit een vergelijking met de WHO advieswaarden uit 2021, die in de monitor van de NOVI wordt gemaakt, kunnen daarom geen conclusies worden getrokken over het behalen van deze luchtkwaliteitsdoelstellingen. Elke twee jaar stelt het RIVM een monitoringsrapport op over het in 2030 behalen van de 2005 WHO-advieswaarden in Nederland. Het laatste monitoringsrapport daarover is op 28 juni 2024 uitgebracht. (Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord. Tweede voortgangsmeting | RIVM: https://www.rivm.nl/publicaties/monitoringsrapportage-doelbereik-schone-lucht-akkoord-tweede-voortgangsmeting).
4.
Vraag: De leden van de fractie van de PvdD wijzen erop dat in het rapport wordt aanbevolen dat in de nieuwe NOVI (tot en met nieuwe Nota Ruimte) per nationaal belang inzichtelijk wordt gemaakt welke gevolgen de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft voor de wettelijke bescherming van nationale belangen en kwetsbare gebieden. Is de regering voornemens om dat inzicht inderdaad te bieden?
Antwoord: De Omgevingswet behelst geen visie op planologische bescherming, maar biedt een vernieuwde gereedschapskist om te komen tot een evenwicht tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Met de komst van de Omgevingswet zijn de nationale belangen en gebieden dan ook niet van beschermingsniveau veranderd. Regels voor de bescherming van nationale belangen en gebieden zijn beleidsneutraal overgezet van het oude naar het nieuwe stelsel. Het vastleggen van beleid in de Nota Ruimte is geen voorwaarde voor het gebruik van de instrumenten van de Omgevingswet, maar er is al aangegeven dat bij de Nota Ruimte een uitvoeringsagenda komt. Daarin zal aangegeven worden hoe de nationale belangen uit de Nota Ruimte worden geborgd.
5.
Vraag: Kan de regering de leden van de fractie van de PvdD per aanbeveling aangeven of en zo ja, hoe, zij de aanbeveling gaat opvolgen? En indien nodig, kan zij het ook motiveren indien een aanbeveling niet wordt uitgevoerd?
Antwoord:
Aanbeveling 1: Waarborg nationale belangen
In het traject richting Nota Ruimte beziet het kabinet opnieuw in hoeverre de nationale belangen voldoende geborgd zijn en welke aanpassingen nodig zijn om duidelijke kaders voor de nationale belangen mee te geven. In de Uitvoeringsagenda wordt opgenomen welke instrumenten het kabinet daarvoor gaat inzetten. Bestuurlijke afspraken verdienen de voorkeur, maar nadere regelgeving is eveneens mogelijk.
Het PBL beveelt ook aan om naast de planmonitor en de monitor NOVI een derde monitor in het leven te roepen: een waarin het Rijk monitort of de nationale belangen tijdig en afdoende in de besluitvormingsprocessen over ruimtelijke ontwikkelingen worden meegewogen. De Monitor NOVI is een effectmonitor van ontwikkelingen in de leefomgeving. Met de monitor kunnen we aan de hand van 100 indicatoren laten zien in hoeverre de doelen van de NOVI worden gehaald. Met de Planmonitor wordt het effect van mogelijke plannen op kwetsbare gebieden in beeld gebracht. In de samenwerkingsafspraken NOVI (dd. 31 maart 2021) hebben de gezamenlijke overheden afspraken gemaakt om gezamenlijk uitvoering te geven aan de opgaven van NOVI, verwoord in doelen, ambities, prioriteiten en nationale belangen, rekening houdend met ieders rol en eigen verantwoordelijkheid. Op het moment dat deze afspraak onvoldoende doorwerking heeft zullen we in de monitors terugzien dat de gestelde doelen niet worden gehaald. Op basis van de evaluatie van de NOVI zal in beeld gebracht worden waardoor die doelen niet gehaald zijn, op dat moment komt in beeld of de afspraken voldoende doorwerking hebben gehad. Een derde monitor is daarom niet nodig.
Het kabinet is het met het PBL eens dat borging van nationale belangen niet door bescherming alleen kan worden bereikt. Vandaar dat het kabinet in het NOVEX-gebiedenbeleid met andere overheden binnen de bestaande financiële kaders aan ontwikkelperspectieven, uitvoeringsagenda’s en regionale investeringsagenda’s werkt en dat het kabinet in het huidige regeerprogramma € 2,5 mld reserveert voor bereikbaarheidsmaatregelen in relatie tot woningbouw.
Aanbeveling 2: Werk uit hoe gebieden beschermd kunnen worden onder de nieuwe Omgevingswet
De Omgevingswet biedt een vernieuwde gereedschapskist om te komen tot een evenwicht tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Met de komst van de Omgevingswet zijn de nationale belangen en gebieden dan ook niet van beschermingsniveau veranderd. Regels voor de bescherming van nationale belangen en gebieden zijn beleidsneutraal overgezet van het oude naar het nieuwe stelsel. Het vastleggen van beleid in de Nota Ruimte is geen voorwaarde voor het gebruik van de instrumenten van de Omgevingswet, maar er is al aangegeven dat bij de Nota Ruimte een uitvoeringsagenda komt. Daarin zal aangegeven worden hoe de nationale belangen uit de Nota Ruimte worden geborgd.
Aanbeveling 3: Houd bij nieuw te kiezen verstedelijkingslocaties rekening met de infrastructuurinvesteringen
In de huidige ontwikkelperspectieven en verstedelijkingsstrategieën is ook aandacht voor nabijheid van voorzieningen, werken en OV. Hierbij wordt integraal naar opgaven als wonen, werken, voorzieningen, groen/blauw, mobiliteit en energie gekeken. Ook in de nieuwe Nota Ruimte zet ik deze strategie voort. Keuzes voor nieuwe grootschalige woningbouwlocaties en andere ontwikkelingen maak ik in samenhang met de genoemde ruimtelijke aspecten. We zetten in op het realiseren van woningen en werklocaties zo veel mogelijk binnenstedelijk en nabij OV-knopen.
Het merendeel van de grootschalige woningbouwlocaties liggen in bebouwd gebied en nabij OV. Op die locaties is dus direct al een goede aansluiting op bestaande infrastructuur. Voor werklocaties wordt enerzijds ingezet op herstructureren en beter benutten van bestaande werklocaties en anderzijds op mengen van wonen en werken ter verbetering van de woon-werkbalans. Bij al deze keuzes wordt rekening gehouden met de effecten op bereikbaarheid en de infrastructuur. In het huidige regeerprogramma is 2,5 mld gereserveerd voor bereikbaarheidsmaatregelen in relatie tot woningbouw.
Aanbeveling 4: Houd rekening met indirecte effecten (van nieuwe woon- en werklocaties en de noodzakelijke infrastructuur)
In de wettelijke verplichte onderzoeken voor ruimtelijke ontwikkelingen worden veel indirecte effecten meegenomen. In de verstedelijkingsstrategieën en ontwikkelperspectieven voor de (NOVEX-)verstedelijkingsgebieden waar Rijk en regio samen aan werken is aandacht voor groen als onderdeel van verstedelijking. Dit om ervoor te zorgen dat extra druk van verstedelijking op de groene ruimte wordt opgevangen. Groene ruimte voor recreatie, ontmoeting en een toekomstbestendige inrichting van bebouwd gebied is van belang voor een gezonde en veilige leefomgeving. Vroegtijdig aandacht besteden aan groen zorgt ook voor draagvlak en een goede inpassing bij nieuwe woningbouwprojecten. De daadwerkelijke effecten van verstedelijking in druk op recreatiegebieden is vooraf moeilijk te voorspellen.
Aanbeveling 5: Schep duidelijkheid over pijplijnplannen
Ik ben het met het PBL eens dat het aanbeveling verdient dat overheden duidelijk maken welke eerder gemaakte plannen wel en welke niet kunnen worden uitgevoerd onder het nieuwe beleid. Dat kan verschillende consequenties hebben. Bij plannen waarvoor reeds toezeggingen zijn gedaan, kan het beter zijn om als overheid in overleg te treden met de initiatiefnemers om samen te zoeken naar mogelijkheden om de plancapaciteit via een alternatieve inrichting of op een andere locatie te realiseren. In enkele gevallen kan het zelfs aanbeveling verdienen om eventuele meerkosten van alternatieven af te wegen tegen de kosten van aantasting van de betreffende kwetsbare gebieden. Een algemene lijn hoe duidelijkheid te geven over pijplijnplannen is daarom niet te geven, dat verschilt per beleidsveld en vergt soms maatwerk in concrete situaties.
Ten aanzien van water en bodem heeft de Minister van IenW op 22 oktober 2024 een brief aan de Tweede Kamer verstuurd waarin hij ingaat op hoe dit kabinet invulling geeft aan de uitspraak in het regeerakkoord dat we toekomstbestendig bouwen en daarbij rekening houden met water en bodem. Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in de ruimtelijke ordening die rekening houden met water en bodem van belang. Dat doen we bijvoorbeeld bij het bouwen van huizen, om te voorkomen dat nieuwe huizen op termijn gaan verzakken of een groot risico kennen op wateroverlast en schade (zoals funderingen). Daar is niemand bij gebaat. Tegelijkertijd betekent «rekening houden met» ook dat we meebewegen met water en bodem en soms bijvoorbeeld accepteren dat er wateroverlast is. Denk aan een tuin van een woning die af en toe onder water komt te staan wanneer deze grenst aan een sloot die soms overloopt. «Rekeninghouden met» werkt dus twee kanten op. Het accent komt daarbij te liggen op wat er wel kan en hoe we daarvoor zorgen. We moeten creatief zijn en slimme keuzes maken met goede technische oplossingen, daar waar mogelijk, houdbaar en betaalbaar.
Om de nationale waterbelangen te borgen gelden er reeds bestaande regels voor bijvoorbeeld bouwen in het rivierbed van grote rivieren. Initiatiefnemers hebben hier vaak een omgevingsvergunning voor nodig. Daarnaast borgt het Rijk de nationale belangen voor bijvoorbeeld waterveiligheid via instructieregels die zich in dat geval richten tot de gemeente die ze door vertaalt in het omgevingsplan.
Aanbeveling 6: Maak alle provinciale informatie over ruimtelijke plannen openbaar
In het kader van de landelijke monitor voortgang woningbouw hebben Rijk, provincies en gemeenten inmiddels afspraken gemaakt over de periodieke aanlevering van informatie over woningbouwplannen. Deze planinformatie zal grotendeels openbaar zijn, maar deels vertrouwelijk met het oog op het voorkomen dan wel beperken van grondspeculatie. Dit zijn voornamelijk plannen waarover nog niet publiekelijk gecommuniceerd is. Op gemeenteniveau is deze vertrouwelijke planinformatie wel geaggregeerd openbaar beschikbaar. Vertrouwelijke informatie op planniveau kan voor onderzoekers beschikbaar worden gemaakt. De regering ziet momenteel geen aanleiding deze afspraken verder aan te scherpen.
Fractie van OPNL, mede namens de fracties van D66, de PvdD, de ChristenUnie, de SP en Volt
1.
Vraag: Genoemde leden merken op dat in (het voorontwerp van) de nieuwe Nota Ruimte wordt afgezien van het oude adagium «sterker maken wat al sterk is» en wordt aangesloten bij het advies «Elke regio telt!» en het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het advies. Onderdeel hiervan is de stevige inzet op wonen en infrastructuur in meer regio’s dan tot voor kort het geval was. 9 Kan de regering toelichten hoe dit is terug te zien in de Planmonitor NOVI 2024?
Antwoord: De planmonitor van de NOVI brengt de gevolgen in beeld van mogelijke ontwikkelingen die plaatsvinden onder de vigerende nationale Omgevingsvisie. Het voorontwerp van de Nota Ruimte is geen staand beleid. Dat betekent dat effecten van keuzes uit het Voorontwerp geen onderdeel zijn van de monitoring van het doelbereik in de planmonitor NOVI.
2.
Vraag: Genoemde leden verwijzen naar de volgende aanbeveling uit de Planmonitor NOVI 2024: «,(...) dat het Rijk op korte termijn met alle provincies harde afspraken maakt over het periodiek actief openbaar maken van ruimtelijke planinformatie (...)». Kan de regering toelichten of zij van plan is opvolging te geven aan dit advies om «harde afspraken» te maken met de provinciebesturen? En zo ja, op welke wijze?
Antwoord: In het kader van de landelijke monitor voortgang woningbouw hebben Rijk, provincies en gemeenten inmiddels afspraken gemaakt over de periodieke aanlevering van informatie over woningbouwplannen. Deze planinformatie zal grotendeels openbaar zijn. Een deel van de planinformatie zal vertrouwelijk zijn op planniveau. Dit zijn voornamelijk plannen waarover nog niet publiekelijk gecommuniceerd is. Op gemeenteniveau is deze vertrouwelijke planinformatie wel geaggregeerd openbaar beschikbaar. Vertrouwelijke informatie op planniveau kan voor onderzoekers beschikbaar worden gemaakt.
3.
Vraag: Evenwel constateren genoemde leden dat uit de antwoorden op eerdere vragen vanuit deze commissie over de Pilot Planmonitor NOVI van de regering van 31 maart 2022 blijkt dat zij een wettelijke verplichting over het openbaar maken van provinciale planinformatie «niet voor de hand liggend» achtte.» Deelt de regering dit standpunt nog altijd of wordt een wettelijke verplichting inmiddels wel overwogen?
Antwoord: De regering heeft momenteel geen plannen deze afspraken verder aan te scherpen.
4.
Vraag: Verder verwijzen genoemde leden naar de volgende passage in voormelde brief waarin de regering aangaf dat er grenzen zijn aan hoeveel planinformatie er openbaar moet worden gemaakt. «Bijvoorbeeld ter voorkoming van speculatie; het is niet altijd gewenst om de exacte locatie van geplande bouwlocaties openbaar toegankelijk te maken.» Deelt de regering die zorg nog altijd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: Zoals gezegd in bovenstaande zijn er afspraken over openbaar maken van informatie over woningbouwlocaties, een deel van die informatie is vertrouwelijk met het oog op het voorkomen dan wel beperken van grondspeculatie. Deze afweging laat het Rijk aan de provincies en gemeenten. Zoals in bovenstaande aangegeven monitort de provincie de harde en zachte gemeentelijke woningbouw (ruimtelijke) plannen. Afhankelijk van de fase waarin de planvorming is zal op lokaal niveau de keuze gemaakt worden over het openbaar maken van de plannen. De Rijksoverheid streeft naar transparantie en duidelijkheid over de planvorming ter bevordering van de gebiedsontwikkeling en niet in het minst ook in het licht van de woningbouwdoelstelling. Als door het openbaar maken van plannen speculatieve grondaankopen gedaan worden kan dit, vooral als de grondaankopen tegen (te) hoge prijzen zijn gedaan, verdere planvorming tegenwerken. Het is daarom niet altijd verstandig in een vroeg stadium plannen al openbaar te maken tenzij er tegelijkertijd maatregelen worden getroffen om regie te voeren. Het voorkeursrecht kan bijvoorbeeld worden ingezet om grondhandel en prijsstijgingen van grond te voorkomen.
5.
Vraag: Is de regering het daarnaast met genoemde leden eens dat voorafgaand aan harde afspraken eerst overleg wordt gevoerd met de provinciebesturen? Bijvoorbeeld omdat het openbaar maken van verstedelijkingsplannen een kostenopdrijvend effect kan hebben op bepaalde percelen, terwijl die nodig zijn voor de woningopgave en deels voor de infrastructuur? Zo ja, op welke termijn is de regering voornemens om in overleg te treden met de provincies? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: Zoals in bovenstaande uiteen is gezet, heeft de regering momenteel geen plannen de met de provincies gemaakte afspraken verder aan te scherpen omtrent openbaarmaking, omdat er daartoe op dit moment geen aanleiding voor is.
6.
Vraag: Een planmonitor voor Nederland is heel nuttig, aldus genoemde leden. Echter, de infrastructuur van Nederland is mede afhankelijk van beslissingen genomen in de buurlanden. Op welke wijze neemt de regering dit gegeven mee in de Planmonitor?
Antwoord: De planmonitor is een monitor van de nationale Omgevingsvisie. De monitor brengt in beeld welke toekomstige ontwikkelingen waar mogelijk kwetsbare waarden raken. Grensoverschrijdende infrastructurele ontwikkelingen worden voor het Nederlandse landsdeel meegenomen. Verschillende lagen van de Nederlandse overheden nemen deel aan verschillende overlegorganen met Duitsland en België om afstemming te bevorderen, bijvoorbeeld op het gebied van industrie, spoorverbindingen, waterbeheer en energienetwerken. Daarnaast vindt samenwerking plaats in bredere Europese kaders zoals de Benelux en de Europese Unie, zodat internationale ontwikkelingen tijdig worden meegenomen in de Nederlandse ruimtelijke planning en besluitvorming.»
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer
Samenstelling:Van Wijk (BBB), Kemperman (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Martens (GroenLinks-PvdA), Klip-Martin (VVD), Meijer (VVD), Kaljouw (VVD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Van Meenen (D66), Aerdts (D66), Van Kesteren (PVV), Nicolaï (PvdD), Nanninga (JA21), Van Aelst-Den Uijl (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), De Vries (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34682-AA.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.