Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734675 nr. 4

34 675 Wijziging van de Wet milieubeheer (verwijdering asbest en asbesthoudende producten)

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 9 december 2016 en het nader rapport d.d. 31 januari 2017, aangeboden aan de Koning door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 10 oktober 2016, no. 2016001734, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (verwijdering asbest en asbestproducten), met memorie van toelichting.

Het voorstel wijzigt artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en introduceert een nieuw artikel 9.2.2.1a. Op basis daarvan kan bij algemene maatregel van bestuur (amvb) een verplichting worden opgelegd om toegepast asbest te verwijderen en om afvalstoffen van asbest uit het milieu te verwijderen en bodemverontreiniging door asbest op te ruimen. Op deze wijze zou een algemeen verbod op asbestdaken ontstaan, zoals het kabinet voor ogen staat.2

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel aan de Tweede Kamer te zenden, maar acht aanvulling van de toelichting aangewezen wat betreft de betekenis van de bestaande algemene regeling van vergoeding van kosten en schade in de Wet milieubeheer voor de op de grondslag van (het gewijzigde) artikel 9.2.2.1 vast te stellen amvb’s. Daarnaast geeft de Afdeling in overweging om voor het voorgenomen asbestdakenverbod te voorzien in een specifieke vergoedingsregeling en daartoe in het voorstel een delegatiegrondslag op te nemen.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 10 oktober 2016, no. 2016001734, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 9 december 2016, no. W14.16.0313/IV, bied ik U hierbij aan.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met haar advies rekening zal zijn gehouden.

1. Gevolgen van de vast stellen algemene regels

Het voorkomen van gezondheidsrisico’s in verband met de asbestproblematiek kan van groot maatschappelijk belang worden geacht. Tegelijkertijd kunnen de gevolgen van het voorgenomen asbestdakenverbod voor belanghebbenden financieel ingrijpend zijn als zij verplicht worden om hun asbestdak te (laten) verwijderen. Ook andere op de grondslag van (het gewijzigde) artikel 9.2.2.1, in samenhang met artikel 9.2.2.1a, vast te stellen algemene regels kunnen voor belanghebbenden ingrijpend zijn. Een verplichting om asbest dat in het milieu verspreid is geraakt op te ruimen is bijvoorbeeld vooral verstrekkend indien de terreineigenaar ten aanzien waarvan deze verplichting geldt geen betrokkenheid heeft bij het achterlaten van het asbestafval.3

a. Bestaande algemene regeling voor vergoeding van kosten en schade

In het algemeen geldt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een regeling niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met de regeling te dienen doelen.4 In de toelichting bij het voorstel is niet ingegaan op de wijze waarop wordt voorkomen dat de op de grondslag van (het gewijzigde) artikel 9.2.2.1 vast te stellen amvb’s onevenredige gevolgen voor individuele belanghebbenden met zich brengen, terwijl daar gezien de mogelijke ingrijpendheid van deze amvb’s wel reden voor is.

De Afdeling wijst er op dat het evenredigheidsbeginsel in de Wet milieubeheer is geconcretiseerd, onder meer voor amvb’s op de grondslag van artikel 9.2.2.1. Artikel 15.21, in samenhang met artikel 15.20, bevat een regeling voor vergoeding van kosten en schade als gevolg van het van toepassing worden van dergelijke amvb’s.5 Deze algemene regeling zal ook gelden voor het voorgenomen asbestdakenverbod, alsmede voor alle andere amvb’s over asbest op de grondslag van (het gewijzigde) artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.

De Afdeling adviseert om in de toelichting in te gaan op de betekenis van de bestaande algemene regeling van vergoeding van kosten en schade in de Wet milieubeheer voor de op de grondslag van (het gewijzigde) artikel 9.2.2.1 vast te stellen amvb’s.

b. Specifieke regeling voor het asbestdakenverbod

De toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel vermeldt dat er op dit moment nog ongeveer 120 miljoen m² aan asbestdaken aanwezig is. Volgens de toelichting bij het ontwerpbesluit over het asbestdakenverbod bedragen de (bruto)kosten van het voorgenomen verbod voor particulieren en bedrijven, op basis van de geactualiseerde MKBA uit 2015, ongeveer € 882 miljoen (contante waarde). Het verbod zal dus een groot aantal particulieren en bedrijven rechtstreeks treffen. Gelet op het bijzondere karakter van het verbod – een directe verplichting om in het verleden veelal rechtmatig aangebrachte asbestdaken te verwijderen – en het grote aantal belanghebbenden dat het treft, is niet uitgesloten dat velen, al dan niet succesvol, een beroep zullen doen op de algemene regeling van artikel 15.21 van de Wet milieubeheer. De Afdeling ziet hierin aanleiding om in overweging te geven om voor het asbestdakenverbod in een specifieke regeling van vergoeding van kosten en schade te voorzien. Een dergelijke regeling, waartoe in het wetsvoorstel een delegatiegrondslag zou moeten worden opgenomen, biedt als voordeel dat aan de hand van voor categorieën van gevallen eenduidig vastgestelde criteria op de aanvragen kan worden beslist. Daarmee is ook de rechtszekerheid van belanghebbenden gediend.

De Afdeling adviseert om te bezien of er voldoende aanleiding is om voor het asbestdakenverbod te voorzien in een specifieke regeling voor vergoeding van kosten en schade, en zo ja, om daartoe in het wetsvoorstel een delegatiegrondslag op te nemen.

1. De Afdeling advisering wijst er op dat het voorkomen van gezondheidsrisico’s in verband met de asbestproblematiek van groot maatschappelijk belang kan worden geacht. Daar staat tegenover dat de gevolgen van het voorgenomen asbestdakenverbod en andere op grond van artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (hierna afgekort als: Wm) juncto artikel 9.2.2.1a Wm bij algemene maatregel van bestuur (hierna afgekort als: amvb) vast te stellen regels voor belanghebbenden financieel ingrijpend kunnen zijn als zij verplicht worden om asbest of asbesthoudende producten (hierna kortheidshalve ook aangeduid als asbestproducten) te (laten) verwijderen. In dit verband heeft de Afdeling advisering twee opmerkingen gemaakt, waarop vervolgens zal worden ingegaan.

Onder a

Overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ingegaan op de betekenis van de algemene regeling van vergoeding van kosten en schade in artikel 15.21 van de Wet milieubeheer (hierna ook afgekort als: Wm) voor amvb’s die op grond van artikel 9.2.2.1 Wm juncto artikel 9.2.2.1a Wm zullen worden vastgesteld.

Uitgangspunten van de regeling van vergoeding van kosten en schade

Uitgangspunt bij de toepassing van de regeling in artikel 15.21 Wm juncto artikel 15.20 Wm is, zoals de Afdeling advisering terecht opmerkt, dat de nadelige gevolgen die regelgeving voor een of meer belanghebbenden kan hebben, niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de regeling worden gediend. Deze regeling is de uitwerking in de milieuregelgeving van het stelsel van bestuurscompensatie waarvoor het door de Afdeling advisering eveneens aangehaalde artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht de algemene grondslag vormt. Het beleid voor de toepassing van de regeling is vastgelegd in de Circulaire schadevergoedingen.6

Een vergelijkbaar uitgangspunt wordt gehanteerd in de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. In die wet is onder meer voorzien in een algemene regeling voor nadeelcompensatie, die is opgenomen in een nieuwe titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna ook afgekort als: Awb). Titel 4.5 is nog niet in werking getreden.7 De algemene regeling geeft net als specifieke regelingen van nadeelcompensatie, zoals vervat in artikel 15.21 Wm juncto artikel 15.20 Wm, uitdrukking aan het beginsel «égalité devant les charges publiques» (het zogenaamde égalitébeginsel, te vertalen als het beginsel van de gelijke verdeling van de publieke lasten). In verband met die wet zal de regeling van de nadeelcompensatie in de Wet milieubeheer worden aangepast of vervangen.8

In artikel 4:126 Awb, dat in titel 4.5 Awb is opgenomen, is bepaald dat een bestuursorgaan dat in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, de benadeelde desgevraagd een vergoeding toekent.

Bij de inwerkingtreding van titel 4.5 Awb zal een handleiding worden opgesteld hoe met verzoeken om nadeelcompensatie zal worden omgegaan.9 Deze zal uitwerking geven aan de criteria die hiervoor tijdens de totstandkoming van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten zijn aangegeven.10

Titel 4.5 Awb zal van belang zijn voor de beslissing op aanvragen om nadeelcompensatie in verband met de vaststelling van regelgeving, zoals een algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb).

Toetsing van het asbestdakenverbod aan de uitgangspunten

Bij de opstelling van een amvb op grond van artikel 9.2.2.1 Wm juncto artikel 9.2.2.1a Wm zullen de regels die daarin worden gesteld, telkens aan de uitgangspunten voor de verlening van nadeelcompensatie moeten worden getoetst. Dit kan, afhankelijk van de omstandigheden, tot verschillende uitkomsten leiden. Dit zal vervolgens worden toegelicht aan de hand van enkele voorbeelden, waarbij allereerst uitgebreider zal worden ingegaan op de toepassing van bedoeld uitgangspunt bij de invoering van de verplichting voor eigenaren van asbestdaken om deze uiterlijk op 1 januari 2024 te hebben verwijderd. Op dit moment heeft het enige concrete voornemen om op grond van genoemde artikelen een verplichting tot asbestsanering in te voeren namelijk betrekking op asbestdaken. Voor andere verplichtingen tot asbestsanering voorziet het wetsvoorstel alleen in een wettelijke grondslag om deze bij amvb te kunnen invoeren.

In het geval van de verplichting tot verwijdering van asbestdaken is om de hierna te noemen redenen geen sprake van onevenredigheid tussen het publieke belang en particuliere belangen die daarmee kunnen zijn gemoeid, die een beletsel zou kunnen vormen voor de voorgenomen invoering van het verbod van het voorhanden hebben van een asbestdak met ingang van 1 januari 2024.

Om dezelfde redenen wordt verwacht dat het in algemene zin niet onevenredig is te achten dat de kosten die met de verwijdering van een asbestdak zijn gemoeid, voor rekening komen van de eigenaar van het bouwwerk waarop zich het dak bevindt. Alleen bij hoge uitzondering zal naar verwachting sprake kunnen zijn van «kosten dan wel schade welke redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste behoren te blijven van degene op wie bepalingen van een amvb van toepassing worden» in de zin van artikel 15.21 Wm juncto artikel 15.20 Wm, onderscheidenlijk «schade die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft» in de zin van artikel 4:126 Awb.

De aanwezigheid van een asbestdak kan risico’s voor de gezondheid van de mens en nadelige gevolgen voor het milieu meebrengen. Deze risico’s en nadelige gevolgen gaan zich sterker manifesteren wanneer de daken beginnen te verweren, wat het geval is na gemiddeld 20 jaar waarin het asbestproduct aan de weersomstandigheden blootgesteld is geweest. Dit proces van verwering is momenteel volop aan de gang en zal zich de komende jaren versterken. Omdat de toepassing van asbestproducten sinds 1993 is verboden, zijn de daken immers al minstens 20 jaar oud. Daarom is het in toenemende mate van belang dat de daken binnen afzienbare termijn worden verwijderd, teneinde de toenemende risico’s voor de gezondheid van de mens en nadelige gevolgen voor het milieu, zoals bodemverontreiniging, te voorkomen of beperken. Bovendien kunnen zich door brand of beschadiging van daken bij werkzaamheden extra risico’s voor de gezondheid van de mens en nadelige gevolgen voor het milieu manifesteren. Hoewel de asbestdaken destijds rechtmatig zijn aangebracht, is dat geen reden om de verantwoordelijkheid om de nodige maatregelen te nemen om gevolgen voor het milieu en risico’s voor de gezondheid van de mens te voorkomen niet bij de eigenaar van het bouwwerk met een asbestdak te leggen. Het uitgangspunt dat de eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein verantwoordelijk is ervoor zorg te dragen dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt, is vastgelegd in onder meer artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is in dit verband gewezen op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die dit bevestigt, zelfs in gevallen waarin asbestdeeltjes op het terrein zijn terecht gekomen als gevolg van brand elders waarbij de eigenaar geen enkele betrokkenheid heeft.

Wat betreft de financiële gevolgen voor eigenaren van asbestdaken, zijn de volgende aspecten in de overwegingen bij het invoeren van een verplichting tot verwijdering van asbestdaken meegenomen.

De kosten van de aanleg van het dak waren destijds (relatief) zeer laag. De kosten van het aanbrengen van vervangende dakbedekking kunnen relatief hoger zijn, alhoewel nog steeds diverse goedkope vervangende materialen beschikbaar zijn. Wellicht hebben niet al die materialen dezelfde gunstige technische eigenschappen als asbestproducten, maar deze kunnen al sinds 1993 niet meer worden benut als gevolg van de invoering van het verbod om dergelijke producten nog langer toe te passen.

De verwijdering van een asbestdak kan in sommige gevallen leiden tot andere kosten dan directe vervangingskosten, bijvoorbeeld als gevolg van aanpassing van het bouwwerk om de nieuwe dakbedekking te kunnen aanbrengen. Dit zijn echter kosten die redelijkerwijs voor het risico van de eigenaar horen te komen, omdat geen enkel dak het eeuwige leven heeft. Bovendien zullen de bijkomende kosten doorgaans niet rechtstreeks het gevolg zijn van het vervangen van een asbestproduct door een ander product, omdat voor de toepassing daarvan geen andere bouwkundige voorzieningen nodig zijn.

Hoewel veel daken in bouwtechnische zin nog steeds hun functie naar behoren kunnen vervullen, afgezien van het optreden van risico’s voor de gezondheid van de mens en nadelige gevolgen voor het milieu, moet worden geconstateerd dat de afschrijvingstermijn voor de investeringen die ten behoeve van het asbestdak zijn gedaan, reeds lang is verstreken en dat er rekening mee moet worden gehouden dat binnen afzienbare termijn tot vervanging zou moeten worden overgegaan, zoals ook bij andere vormen van dakbedekking het geval is. Op 1 januari 2024, de uiterste datum voor verwijdering, zijn de asbestdaken al meer dan 30 jaar oud en vaak zijn ze nog 10 tot 20 jaar ouder.

De kosten van sanering van een asbestdak zijn voorzienbaar. De verplichting om asbestdaken te verwijderen is al geruime tijd bekend en heeft ook veel publiciteit gekregen. Bovendien wordt de eigenaren tot 1 januari 2024 de tijd gegund om een asbestdak te verwijderen. Hierdoor hebben zij gelegenheid om maatregelen te nemen om de financiële gevolgen daarvan op te vangen of om de verwijdering te combineren met andere werkzaamheden aan het gebouw die eventueel noodzakelijk of wenselijk zijn.

Ook zal naar verwachting de maatschappelijke waardering van asbestdaken kunnen leiden tot waardevermindering van gebouwen die van een dergelijk dak zijn voorzien, alleen al omdat potentiële kopers willen vermijden dat hun gezondheid als gevolg hiervan risico’s loopt en zij zich bovendien als gevolg van de aanwezigheid van het dak voor de kosten van verwijdering gesteld zullen zien. Met het oog op de verkoopbaarheid van het gebouw zal verwijdering van het asbestdak daarom wenselijk zijn. De saneringskosten worden dan «terugverdiend» met een waardestijging of betere verkoopbaarheid van het gebouw.

In het geval van particulieren gaat het doorgaans om daken op kleinere bouwwerken met een geringe oppervlakte, zodat de kosten van verwijdering en vervanging doorgaans beperkt zijn. Volgens artikel 4, derde lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 mogen particulieren in bepaalde gevallen asbestdaken met een oppervlakte van ten hoogste 35 m2 zelf verwijderen, waardoor de kosten nog kunnen worden beperkt.

Het merendeel van de asbestdaken is toegepast in de agrarische sector. De oppervlakte van die daken kan omvangrijk zijn, maar het behoort tot de normale ondernemerskosten dat bedrijfsgebouwen van tijd tot tijd moeten worden aangepast aan de nieuwe eisen die daaraan worden gesteld, niet alleen door de overheid maar ook door verandering van bedrijfsprocessen en de eisen die aan bedrijfsgebouwen worden gesteld. Voor een deel van de agrarische bedrijven zullen de kosten van sanering van asbestdaken ongelegen komen, omdat zij in een slechte financiële situatie verkeren, maar dat is volgens gangbaar beleid geen reden voor de toekenning van een vergoeding. De kosten zijn dan namelijk op zichzelf niet onevenredig in vergelijking met de kosten die andere bedrijven moeten dragen, zodat de toekenning van een vergoeding tot een willekeurige verstoring van concurrentieverhoudingen kan leiden. Er kunnen ook andere aanleidingen zijn die dergelijke financieel kwetsbare bedrijven in financiële problemen brengen, zoals de ontwikkeling op de markt van de prijzen van producten of van de kosten van de afzet van mestoverschotten. De slechte financiële situatie is dus in algemene zin niet het gevolg van de saneringsmaatregelen die moeten worden genomen, maar wordt hierdoor alleen verder verslechterd.

Gelet op het voorgaande zijn de financiële gevolgen van de invoering van het asbestdakenverbod in algemene zin niet onevenredig in verhouding tot de doelen die met dat verbod worden gediend, en wordt verwacht dat de invoering van het asbestdakenverbod alleen bij hoge uitzondering aanleiding kan geven om aan individuele belanghebbenden een vergoeding toe te kennen op grond van artikel 15.21 Wm juncto artikel 15.20 Wm.

Toetsing van andere verplichtingen tot asbestsanering aan de uitgangspunten

In andere gevallen dan de verplichting tot verwijdering van asbestdaken, waarin op grond van artikel 9.2.2.1 Wm juncto artikel 9.2.2.1a Wm een verplichting tot asbestsanering wordt overwogen, kan de uitkomst van de afweging tussen betrokken belangen verschillend zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de eigenaar van een terrein bij amvb een verplichting zou worden opgelegd om asbestafval op te ruimen, dat zonder zijn betrokkenheid en medeweten op zijn terrein is gedumpt. Het algemeen belang vergt dat het asbestafval daar niet blijft liggen. De eigenaar heeft de meest directe betrokkenheid bij de toestand waarin zijn terrein zich bevindt en heeft het in zijn macht om de risico’s die daaraan zijn verbonden te beëindigen door het opruimen van het afval. Daarom ligt het voor de hand dat de eigenaar degene is die daarmee wordt belast. Deze verplichting is niet onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel.

Indien enige betrokkenheid van de eigenaar bij het ontstaan van de risicovolle situatie op zijn terrein ontbreekt, kan echter wel sprake zijn van onevenredigheid tussen de financiële gevolgen die het opruimen voor een individuele eigenaar kan hebben, en het algemeen belang dat met het wegnemen van de risicovolle situatie is gemoeid. Dit zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld, waarvoor artikel 15.21 Wm de ruimte biedt.

Bij de opstelling van een amvb op grond van artikel 9.2.2.1 juncto artikel 9.2.2.1a zal dus telkens opnieuw moeten worden bezien hoe de afweging tussen publieke en particuliere belangen uitvalt en zal moeten worden gemotiveerd tot welke conclusies deze afweging aanleiding geeft, zowel materieel als financieel.

Onder b

Overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering is bezien of er aanleiding is om voor het asbestdakenverbod een specifieke regeling te treffen voor de vergoeding van kosten en schade, en zo ja, om daartoe in het wetsvoorstel een delegatiegrondslag op te nemen.

De conclusie is dat hiervoor geen aanleiding bestaat.

Zoals onder a al is toegelicht, bestaat er de mogelijkheid om op grond van artikel 15.21 Wm een verzoek om tegemoetkoming in te dienen.11

In het geval van de invoering van een verplichting tot verwijdering van asbestdaken doen zich, gelet op hetgeen onder a is overwogen, geen omstandigheden voor, waardoor de circulaire minder goed toepasbaar zou zijn. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor de vaststelling van een specifieke regeling, bijvoorbeeld de verbreding van de doelstelling van de Subsidieregeling verwijderen asbestdaken12. Die regeling beoogt spoedige verwijdering van asbestdaken te stimuleren, om te voorkomen dat kort voor het verstrijken van de periode voor verwijdering een zo groot beroep op asbestsaneringsbedrijven wordt gedaan dat daaraan niet kan worden voldaan. Daarom wordt de mogelijkheid van een «aanjaagsubsidie» tot 1 januari 2020 beperkt. Deze regeling is dus niet bedoeld om bij te springen in de saneringskosten als zodanig, maar is een premie op spoedige verwijdering.13 De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft op 14 december 2016 tijdens een Algemeen Overleg met de Tweede Kamer bevestigd dat deze aanjaagsubsidie niet in de buurt komt van de reële saneringskosten. Voorts heeft de Staatssecretaris aangegeven dat het totale subsidiebedrag van 75 miljoen euro niet zal worden verhoogd.14 Tot slot heeft de Staatssecretaris tijdens dit overleg gewezen op de programmatische aanpak.15 Dit is een integrale aanpak van de problematiek die samen met decentrale overheden wordt opgezet met het doel de sanering van asbestdaken te versnellen en te faciliteren, onder meer door financiële arrangementen te ontwikkelen om de financiering van de sanering voor eigenaren te vergemakkelijken.16

2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

2. De redactionele opmerkingen zijn overeenkomstig het advies in het voorstel van wet overgenomen.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vicepresident van de Raad van State,

J.P.H. Donner

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no. W14.16.0313/IV

  • In artikel I, onderdeel A, in de voorgestelde begripsomschrijving van asbest consequent «CAS-nummer» hanteren (CAS in hoofdletters).

  • In artikel I, onderdeel A, omwille van de duidelijkheid ook een begripsomschrijving opnemen van het begrip «asbesthoudend product» (zoals ook in het Arbeidsomstandighedenbesluit).

  • In artikel I, onderdeel C, in het voorgestelde artikel 9.2.2.1a, eerste lid, onder d, «asbestproduct» vervangen door: asbesthoudend product.

  • In artikel I, onderdeel C, in het voorgestelde artikel 9.2.2.1a, tweede lid, «onder c» vervangen door: onder d.


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Het kabinet is voornemens om een amvb vast te stellen die het voorhanden hebben van een asbestdak met ingang van 1 januari 2024 verbiedt. Het ontwerp van dit besluit – dat strekt tot wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 – is op 3 maart 2015 toegezonden aan de Voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer van de Staten-Generaal (bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 25 834, nr. 93). Het ontwerpbesluit is ook voor inspraak gepubliceerd (Stcrt. 2015, nr. 6208).

X Noot
3

Zie ook de toelichting, paragraaf 3.2.7.

X Noot
4

Aanwijzing 15 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze aanwijzing correspondeert met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
5

Artikel 15.21, in samenhang met artikel 15.20, bepaalt dat degene op wie bepalingen van een amvb op die grondslag van toepassing worden en die zich daardoor voor kosten ziet gesteld dan wel schade leidt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven, voor zover op andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan worden voorzien, op zijn verzoek dan wel uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen vergoeding wordt toegekend.

X Noot
7

Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten) (Stb. 2013, 50). Blijkens het inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2013, 162) is deze wet op dit moment slechts ten dele in werking getreden. De bepalingen met betrekking tot nadeelcompensatie, die onder meer voorzien in een nieuwe titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht, zullen pas in werking treden nadat de nodige aanpassingswetgeving tot stand is gekomen.

X Noot
8

Kamerstukken II 2010/2011, 32 621, nr. 3, p. 7 en p. 17/18.

X Noot
9

Stb. 2013, 162, p. 3.

X Noot
10

Kamerstukken II 2010/2011, 32 621, nr. 23.

X Noot
11

Kamerstukken II 2010/2011, 32 621, nr. 23.

X Noot
12

Stcrt. 2015, 42 366.

X Noot
13

Zie hierover de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 6 december 2016 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2016/17, 25 834 nr. 116).

X Noot
16

Het concept Actieprogramma Programmatische Aanpak Asbestdaken is als bijlage gevoegd bij de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 6 december 2016 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2016/17, 25 834 nr. 116).