Hierbij treft u een brief van de leden Taverne (VVD) en Van der Staaij (SGP) waarin
wordt voorgesteld bij aanvang van de nieuwe Kamerperiode een Algemene Commissie voor
Constitutionele Zaken in te stellen.
Het presidium stelt u voor deze brief ter verdere besluitvorming voor te leggen aan
de Kamer in nieuwe samenstelling.
Bijlage
Brief van de leden Taverne (VVD) en Van der Staaij (SGP) d.d. 1 december 2016
Geachte leden van de Commissie voor de Werkwijze,
In Nederland tot stand gekomen wetten mogen niet strijdig met onze Grondwet zijn.
Bij de vaststelling of hiervan sprake is, is een bijzondere rol toebedeeld aan de
Tweede Kamer. Immers, de Tweede Kamer toetst als eerste van de twee Kamers der Staten-Generaal
of wetsvoorstellen in overeenstemming met de Grondwet zijn. Door diverse personen
en instanties is gesteld dat de taak van het toetsen van wetsvoorstellen aan de Grondwet
door de Tweede Kamer onderbelicht is geraakt en meer aandacht verdient.
Op 2 juni 2016 organiseerde de Tweede Kamer een symposium over parlementaire constitutionele
toetsing, dat werd bijgewoond door onder anderen (oud) Tweede en Eerste Kamerleden,
oud bewindslieden, staatsrechtjuristen, hoogleraren en rechters. Een belangrijke conclusie
was dat met het oog op de scheiding der machten en het effectief vervullen van de
verschillende taken en verantwoordelijkheden hierbinnen, extra aandacht voor de toetsende rol van de Tweede Kamer in het wetgevingsproces
op zijn plaats is.
Mede naar aanleiding van bovenstaande conclusie is de vraag gerechtvaardigd hoe de
Tweede Kamer haar taak wetsvoorstellen te beoordelen op eventuele strijdigheid met
de Grondwet zichtbaarder en inzichtelijker kan maken. Zodat ook vaker dan nu expliciet
de vraag aan de orde kan komen of en zo ja, welke grondrechten in het geding zijn
en hoe wordt omgegaan met botsende grondrechten. Dit vergroot de legitimiteit van
wetgeving.
In enkele ons omringende landen is het voortouw bij het beantwoorden van de vraag
naar de grondwettelijkheid van wetsvoorstellen belegd bij een parlementaire commissie.
In het Verenigd Koninkrijk is deze taak toebedeeld aan een gezamenlijke commissie
uit het Lagerhuis en het Hogerhuis (Joint Committee on Human Rights). In de Zweedse
Rijksdag – Zweden kent sinds 1970 een éénkamerstelsel – is genoemde taak toebedeeld
aan de Commissie voor Constitutionele Zaken (Konstitutionsutskottet). Deze commissie
maakt sinds 1809 deel uit van het Zweedse parlement en bestond dus al toen het land
nog een tweekamerstelsel kende. In het Zweedse voorbeeld kan op initiatief van de
Rijksdag de vraag naar de grondwettelijkheid van een wetsvoorstel of Europese Richtlijn
worden voorgelegd aan de Commissie voor Constitutionele Zaken. De commissie kan zich
ook op eigen initiatief als volgcommissie voegen bij de behandeling van een wetsvoorstel
door een andere commissie. Indien een wetsvoorstel evidente grondrechtelijke aspecten
heeft, kan deze commissie een advies uitbrengen dat doorgaans wordt overgenomen door
de Zweedse Rijksdag. De commissie hanteert een toetsingskader om te beoordelen in
hoeverre wetsvoorstellen in overeenstemming zijn met de Zweedse constitutie.
De commissie wordt in haar werkzaamheden ondersteund door een kleine staf van gespecialiseerde
juristen.
Naar analogie van het Zweedse parlement, zou in Nederland artikel 17 van het Reglement
van Orde een grondslag kunnen bieden voor het inrichten van een algemene Kamercommissie
voor constitutionele zaken. Een commissie bedoeld in artikel 17 van het Reglement
van Orde kan worden ingesteld voor onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor
de uitoefening van de taken van de Kamer, dan wel vrijwel alle ministeries aangaan.
Een algemene commissie wordt ingesteld voor de duur van één zitting. Ons voorstel
is de Kamer in overweging te geven bij aanvang van de nieuwe Kamerperiode een Algemene
Commissie voor Constitutionele Zaken in te stellen. Het is vervolgens aan de nieuw
aangetreden Kamer om deze commissie in te stellen, alsmede aan te geven wat de taken
en bevoegdheden van deze algemene commissie zijn.
Door een algemene commissie met bovengenoemde taak te belasten kan ervaring worden
opgedaan met het inzichtelijker en zichtbaarder maken van de toetsende taak van de
Tweede Kamer. Na een evaluatie kan een definitief besluit worden genomen hoe de Kamer
haar constitutionele taak vormgeeft en kan eventueel worden overgegaan tot een wijziging
van het Reglement van Orde om een nieuwe grondslag te creëren voor deze commissie.
Gelet op het voorgaande, stellen wij voor het presidium te verzoeken deze brief door
te geleiden naar de Tweede Kamer, opdat de Kamer in nieuwe samenstelling hierover
een besluit kan nemen.
Hoogachtend,
Joost Taverne Kees van der Staaij