Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202134641 nr. L

34 641 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het opnemen van een specifieke strafuitsluitingsgrond voor opsporingsambtenaren die geweld hebben gebruikt in de rechtmatige uitoefening van hun taak en een strafbaarstelling van schending van de geweldsinstructie en wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het opnemen van een grondslag voor het doen van strafrechtelijk onderzoek naar geweldgebruik door opsporingsambtenaren (geweldsaanwending opsporingsambtenaar)

L MOTIE VAN HET LID DITTRICH C.S.

Voorgesteld 20 april 2021

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat in de gewijzigde Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren de inzet van de politiehond wordt geregeld;

constaterende, dat de inzet van de politiehond in het geweldsspectrum als het een na zwaarste geweldmiddel wordt gezien;

overwegende, dat de beet van een politiehond ernstig lichamelijk letsel kan veroorzaken;

overwegende, dat de voorgestelde regeling in artikel 15 a het onder omstandigheden mogelijk maakt de politiehond in te zetten in gevallen van verdenking van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer staat;

overwegende, dat het in de rede ligt de lat hoger te leggen;

Verzoekt de regering een stringentere clausulering van de inzet van de politiehond te bewerkstelligen en de Eerste Kamer daarover te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

Dittrich

Veldhoen

Vos

Backer

Janssen

Nicolaï