Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734630 nr. 4

34 630 Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van de physician assistant in de lijst van registerberoepen, het toekennen van zelfstandige bevoegdheid voor bepaalde voorbehouden handelingen aan physician assistants en verpleegkundig specialisten en het opnemen van de mogelijkheid tot het instellen van een tijdelijk register voor experimenteerberoepen

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 5 september 2016 en het nader rapport d.d. 8 december 2016, aangeboden aan de Koning door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2016, no. 2016001300, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van de physician assistant in de lijst van registerberoepen, het toekennen van zelfstandige bevoegdheid voor bepaalde voorbehouden handelingen aan physician assistants en verpleegkundig specialisten en het opnemen van de mogelijkheid tot het instellen van een tijdelijk register voor experimenteerberoepen, met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel beoogt de zelfstandige bevoegdheid van de Physician Assistant (PA) en de Verpleegkundig Specialist (VS) tot het verrichten van bepaalde voorbehouden handelingen definitief in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) te regelen en voorts te voorzien in een tijdelijk register voor zogenoemde experimenteerberoepen.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel aan de Tweede Kamer te zenden, maar acht een nadere motivering van de uitvoerbaarheid van het tijdelijke register aangewezen. Verder adviseert zij de mogelijkheid van tuchtrechtspraak na het vervallen van het register te regelen.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 14 juli 2016, no. 2016001300, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 5 september 2016, no. W13.16.0199/III, bied ik U hierbij aan.

1. Uitvoerbaarheid

Om het beroepsmatig handelen van de beoefenaar van een experimenteerberoep volledig onder het tuchtrecht te laten vallen wordt voorgesteld een tijdelijk register in te stellen. Op deze wijze kunnen alle mogelijke tuchtmaatregelen worden opgelegd en openbaar gemaakt. Indien na afloop van het experiment als gevolg van de evaluatie van een definitieve regeling wordt afgezien zal het tijdelijk register ophouden te bestaan. Indien de evaluatie ertoe leidt dat tot een definitieve regeling kan worden overgegaan, gaat het tijdelijk register over in een definitief register en wordt het experimenteerberoep opgenomen in artikel 3 van de Wet BIG.

Artikel 36b van het wetsvoorstel regelt de instelling van het tijdelijke register, het regiem dat daarop van toepassing is en de overgang naar het definitieve register dan wel de beëindiging van het tijdelijke register. De toelichting op dit onderdeel is summier. Zo wordt bijvoorbeeld niet uiteengezet of het CIBG2 het tijdelijke register tijdig en adequaat kan opzetten, welke kosten daarmee zijn gemoeid, op welke wijze voor betrokkenen duidelijk is dat een beroepsbeoefenaar is opgenomen in een tijdelijk register en hoe een tijdelijk register omgezet wordt in een definitief register.

De Afdeling adviseert de toelichting op dit onderdeel aan te vullen door in te gaan op de uitvoerbaarheid van de regeling.

1. Uitvoerbaarheid

De Afdeling adviseert om in de toelichting nader uiteen te zetten of het CIBG het tijdelijk register tijdig en adequaat kan opzetten en welke kosten daarmee gemoeid zijn, op welke wijze voor betrokkenen duidelijk is dat een beroepsbeoefenaar is opgenomen in het tijdelijk register en hoe een tijdelijk register wordt omgezet in een definitief register.

Het CIBG beheert het BIG-register ten aanzien van beroepen waarvoor een registratieplicht geldt op grond van artikel 3 van de Wet BIG. Voor het uitvoeren van het tijdelijk register voor experimenteerberoepen kan eenvoudig aangesloten worden bij bestaande infrastructuur en expertise binnen het CIBG. De kosten hiervoor worden gefinancierd uit de begroting van VWS. Betrokkenen kunnen op de website van het BIG-register zoeken op naam en nummer van een beroepsbeoefenaar van een experimenteerberoep. Zichtbaar wordt dat de betreffende beroepsbeoefenaar is geregistreerd in een tijdelijk register. Na inwerkingtreding van een wetswijziging waarin het experimenteerberoep wordt opgenomen in artikel 3 van de Wet BIG en derhalve het tijdelijke register overgaat in een definitief register, vervalt de aanduiding »tijdelijk».

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is de toelichting aangevuld.

2. Vervallen van het tijdelijke register

Als gevolg van een evaluatie van het experiment met een beroep kan van een definitieve regeling worden afgezien. Het tijdelijke register zal dan ophouden te bestaan en de hierin opgenomen tuchtmaatregelen vervallen, aldus de toelichting.3

Tuchtrechtspraak kan ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet BIG alleen worden uitgeoefend jegens degene die in een register ingeschreven staat.4 Dit leidt ertoe dat een beoefenaar van een experimenteerberoep niet meer aan tuchtrechtspraak kan worden onderworpen voor een handelen of nalaten als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet BIG dat ten tijde van het bestaan van het tijdelijke register heeft plaatsgevonden. Dit is een onwenselijk neveneffect van het vervallen van het tijdelijke register.

De Afdeling adviseert in het wetsvoorstel te voorzien in een mogelijkheid dat tuchtrechtspraak kan worden toegepast op een handelen of nalaten van een beoefenaar van een experimenteel beroep in strijd met de te betrachten zorg, ook nadat het tijdelijke register is vervallen.

2. Vervallen van het tijdelijke register

Het wetsvoorstel hanteerde als uitgangspunt dat indien het tijdelijk register ophoudt te bestaan, een beroepsbeoefenaar niet meer aan tuchtrechtspraak is onderworpen. De Afdeling is van mening dat dit een ongewenst neveneffect is van het vervallen van het tijdelijk register en adviseert om in het wetsvoorstel te voorzien in een mogelijkheid dat tuchtrechtspraak kan worden toegepast op een handelen of nalaten van een beoefenaar van een experimenteerberoep in strijd met de tuchtnormen, ook nadat het tijdelijke register is vervallen. Dit advies is overgenomen. In artikel 36b is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat na het vervallen van het tijdelijke register de tuchtrechtspraak van toepassing blijft op handelen of nalaten ten tijde van de inschrijving in het tijdelijke register. De tuchtcolleges blijven bevoegd tot het afhandelen van tuchtklachten die tot zes maanden na het eindigen van het tijdelijk register zijn ingediend. Hiertoe is tevens opgenomen dat leden-beroepsgenoten van de tuchtcolleges ook na het vervallen van het tijdelijk register benoemd kunnen worden om procedures af te kunnen handelen.

Aangezien het register op het moment dat uitspraak wordt gedaan feitelijk niet meer bestaat, heeft in het bijzonder het opleggen van de zwaarste maatregelen (schorsing en doorhaling) geen effect. Om die reden is bepaald dat geen maatregelen meer opgelegd kunnen worden. Echter, in haar beslissing kan het tuchtcollege wel haar oordeel geven over de juistheid van het handelen of nalaten en de gegrondheid van de klacht. Het lerend effect blijft dus wel bestaan. De toelichting is op deze punten eveneens aangepast.

3. Redactionele bijlage

De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

3. Redactionele bijlage

De redactionele opmerkingen zijn verwerkt.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

J.P.H. Donner

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schipppers

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no. W13.16.0199/III

  • In artikel 36b, derde en vierde lid, de verwijzing naar artikel 36a, zevende lid, wijzigen in: artikel 36a, achtste lid. Voorts het vierde en vijfde lid van artikel 36b van een toelichting voorzien.

  • Artikel I, onderdeel G, afstemmen met het bij de Raad van State aanhangig gemaakte voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de verbeteringen die worden doorgevoerd in het tuchtrecht alsmede verbeteringen ten aanzien van het functioneren van de wet (W13.16.0130/III) en met het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende wijziging van het Registratiebesluit BIG en enkele andere besluiten in verband met wijziging van Europese regelgeving betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (W13.16.0197/III).

  • In artikel 2, vierde lid, van de Wet BIG ook een verwijzing naar artikel 36b van het voorstel opnemen.


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Het CIBG, een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van VWS voert het BIG-register, dat duidelijkheid geeft over de bevoegdheid van de zorgverlener.

X Noot
3

Toelichting op artikel I, onderdelen D en E, juncto het algemeen deel.

X Noot
4

Weliswaar is artikel 47, vierde lid, van de Wet BIG van overeenkomstige toepassing op het tijdelijke register (zie het voorgestelde artikel 36a, zesde lid), maar dit artikellid ziet niet op de situatie dat er geen register meer is, maar op de situatie dat er een schorsing of doorhaling heeft plaatsgevonden.