Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734628 nr. 9

34 628 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet)

Nr. 9 DERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 15 februari 2017

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Artikel I, onderdeel G, wordt als volgt gewijzigd:

a. in het voorgestelde artikel 475da wordt onder vernummering van het zesde tot zevende lid na het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

6. Op verzoek van de schuldenaar kan de op grond van het vijfde lid verhoogde beslagvrije voet nogmaals voor ten hoogste zes maanden worden verlengd, indien binnen die termijn de vordering waarvoor het beslag is gelegd volledig kan worden voldaan.

b. Na het voorgestelde artikel 475db wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 475dc

In afwijking van de artikelen 475da en 475db bedraagt de beslagvrije voet 95% van het maandelijkse inkomen dat de schuldenaar op basis van zijn vorderingen tot periodieke betaling, genoemd in artikel 475c, eerste lid, onderdelen a tot en met i, ontvangt, indien toepassing van de artikelen 475da en 475db leidt tot een beslagvrije voet die hoger is dan 95% van het maandelijkse inkomen.

Toelichting

Onder a

Op grond van artikel 475da, vijfde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het mogelijk rekening te houden met hogere dan normale woonlasten, zodat de schuldenaar gedurende maximaal zes maanden zijn huur of hypotheek kan blijven betalen. Na zes maanden wordt de schuldenaar geacht in beginsel de tering naar de nering te hebben gezet en bijvoorbeeld zijn huis te hebben verkocht.

Met het invoegen van een nieuw zesde lid in artikel 475da wordt bepaald dat de termijn van zes maanden nogmaals met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd, indien de vordering waarvoor beslag is gelegd, binnen de verlengde termijn volledig kan worden voldaan. Uit het onderzoek Profielschets Beslagenen komt in dit kader naar voren dat in circa 37% van alle beslagen de looptijd van het beslag korter is dan een half jaar en in meer dan 50% van alle gevallen het beslag korter duurt dan één jaar.1 Dit duidt erop dat een verlenging in een significant aantal situaties soelaas zou kunnen bieden.

Gedacht zou kunnen worden aan de situatie dat met een hogere beslagvrije voet de schuld bijvoorbeeld in negen maanden volledig kan worden afbetaald, waarbij de schuldenaar in staat blijft zijn vaste lasten te betalen. Onder die omstandigheden kan niet worden verwacht dat de schuldenaar tussentijds zijn woonlasten alsnog aanpast dan wel gedeeltelijk onbetaald laat.

Het nieuwe zesde lid is bedoeld voor vorderingen waarbij de verwachting is dat die binnen afzienbare tijd kunnen worden voldaan. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat deze regeling niet voorziet in de omstandigheid dat de schuldenaar ondanks passende inspanningen niet in staat is zijn woonlasten aan te passen. Met deze omstandigheid is bij de vaststelling van de beslagvrije voet geen rekening te houden. Aangezien de kantonrechter beter dan de deurwaarder in staat is om de omstandigheden van het geval te beoordelen op kennelijke onevenredige hardheid, ligt het daarbij in de rede dat de schuldenaar zich dan tot de kantonrechter wendt om zich te beroepen op de hardheidsclausule van artikel 475fa.

Onder b

Mensen moeten aan hun financiële verplichtingen voldoen, maar niet ten koste van alles. Daarvoor dient de beslagvrije voet. Voorkomen dient echter te worden dat iemand door de hoogte van de beslagvrije voet in het geheel niet aflost. Er dient altijd, hoe beperkt soms ook, een prikkel te zijn om aan de financiële verplichtingen te voldoen. In dat kader introduceert het wetsvoorstel ook de zogenaamde 5%-regel, welke bepaalt dat indien iemand een inkomen gelijk aan of lager dan de voor hem geldende bijstandsnorm heeft, hij in ieder geval 5% van zijn netto-inkomen dient in te zetten voor de aflossing van zijn schulden.

Als sprake is van gehuwden als bedoeld in artikel 475ab Rv bepaalt het wetsvoorstel dat het inkomen van de partner voor ten hoogste de helft van de op basis van artikel 475da Rv geldende beslagvrije voet op deze beslagvrije voet in mindering dient te worden gebracht. Dit principe geldt ook binnen de huidige regeling. In een situatie waarbij sprake is van relatief grote inkomensverschillen tussen de beide partners kan dit tot gevolg hebben dat de uiteindelijke beslagvrije voet voor de minst verdienende partner hoger ligt dan zijn daadwerkelijke inkomen.

Een voorbeeld moge dit verduidelijken. A en B zijn aan te merken als gehuwd met kinderen. A heeft een inkomen van € 2.200,– per maand en B een inkomen van € 800,– per maand. De beslagvrije voet voor A en B is gezien hun gezamenlijk inkomen gelijk aan het in artikel 475da, eerste lid, opgenomen vaste bedrag (€ 2.093,48). Indien sprake is van een privéschuld van B kan de schuldeiser zijn vordering enkel op het inkomen van B verhalen. Om te komen tot de specifiek voor B geldende beslagvrije voet, kan het inkomen van A voor maximaal de helft van de gezamenlijke beslagvrije voet (€ 2.093,48) in mindering worden gebracht op deze beslagvrije voet. Dit houdt in dat de schuldeiser te maken krijgt met een beslagvrije voet voor B van € 1.046,74 (€ 2.093,48/2), een beslagvrije voet die hoger ligt dan het inkomen van B. Het inkomen van B biedt met andere woorden in deze situatie voor zijn privéschuld geen verhaal. Dit staat haaks op het eerder geformuleerde uitgangspunt, dat er voor een ieder hoe beperkt soms ook een prikkel dient te zijn om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.

Door toevoeging van het voorgestelde artikel 475dc wordt geregeld dat indien de toepassing van de artikelen 475da en 475db tot gevolg heeft dat de beslagvrije voet hoger is dan 95% van het beslagen inkomen, in afwijking van deze bepalingen de beslagvrije voet op 95% van het netto-inkomen van de schuldenaar zelf kan worden vastgesteld. Op deze wijze wordt geregeld dat het principe dat een ieder zonder meer 5% van zijn netto-inkomen dient in te zetten voor de aflossing van zijn schulden, in alle gevallen geldt.

Deze nota van wijziging wordt mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie ingediend.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

I&O Research, «Profielschets beslagenen», maart 2016, blz. 29.