Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734628 nr. 8

34 628 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet)

Nr. 8 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 14 februari 2017

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In artikel I, onderdeel C, komt in het voorgestelde artikel 475ab de definitie van coördinerende deurwaarder te luiden:

coördinerende deurwaarder: deurwaarder die op grond van artikel 478 bevoegd is tot inning;.

2

In artikel I, onderdeel E, wordt in het voorgestelde artikel 475c, zesde lid, «opvolgend beslaglegger» vervangen door: andere beslaglegger.

3

In artikel I, onderdeel F, wordt het voorgestelde artikel 475d als volgt gewijzigd:

a. Het derde lid komt te luiden:

3. De deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder, stelt de beslagvrije voet opnieuw vast, indien:

a. de termijn, bedoeld in het tweede lid, verstrijkt;

b. hij met redenen omkleed wordt geïnformeerd over een structurele wijziging van omstandigheden die van belang is voor de vaststelling van de beslagvrije voet.

b. In het vierde en vijfde lid wordt «coördinerende deurwaarder» vervangen door: deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder,.

4

In artikel I, onderdeel G, wordt in het voorgestelde artikel 475da, eerste lid, onderdeel c, na «€ 1.956,90» een puntkomma toegevoegd.

5

In artikel I, onderdeel K, wordt het voorgestelde artikel 475g, derde lid, als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel c wordt na «beslagen» ingevoegd: alsmede vorderingen als bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990, met vermelding van de deurwaarder die beslag heeft gelegd of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder.

b. Onderdeel d vervalt onder verlettering van de onderdelen e tot en met g tot d tot en met f.

6

Artikel I, onderdeel N, komt te luiden:

N

Artikel 478 komt te luiden:

Artikel 478

1. Indien onder de derde-beslagene ten laste van de schuldenaar ook andere beslagen zijn gelegd en niet bij voorbaat vaststaat dat alle beslagleggers uit de door de derde-beslagene verschuldigde geldsommen zullen kunnen worden voldaan, int de deurwaarder die het oudste executoriale beslag heeft gelegd voor de gezamenlijke beslagleggers hetgeen de derde-beslagene heeft te betalen of af te geven.

2. Indien beslag is gelegd op een vordering als bedoeld in artikel 475c, eerste lid, en het oudste executoriale beslag is gelegd door een beslaglegger die bevoegd is zonder tussenkomst van een deurwaarder beslag te leggen voor een hoger bevoorrechte vordering dan de daaropvolgende executoriale beslagen, int in afwijking van het eerste lid deze beslaglegger. Deze beslaglegger treedt dan op als coördinerende deurwaarder.

3. Indien de inningsbevoegde deurwaarder of beslaglegger de executie niet voortzet, wordt onder kennisgeving aan de derde-beslagene en de schuldenaar de inning overgenomen door de deurwaarder die op grond van het eerste lid of de beslaglegger die op grond van het tweede lid als volgende tot inning bevoegd is.

4. De inningsbevoegde deurwaarder of beslaglegger kan in onderlinge overeenstemming met een andere deurwaarder die gerechtigd is ten laste van de schuldenaar executoriaal beslag te leggen, de inning, onder kennisgeving aan de derde-beslagene en de schuldenaar, aan deze andere deurwaarder overdragen.

5. Een derde-beslagene die een betaling of afgifte heeft gedaan aan een deurwaarder die een van de andere executoriale beslagen heeft gelegd, is niettemin bevrijd. De deurwaarder die de gelden of goederen heeft ontvangen, draagt deze onverwijld af aan de coördinerende deurwaarder.

6. Ieder van de deurwaarders die beslag heeft gelegd en de beslaglegger als bedoeld in het tweede lid, is verplicht de anderen zodra mogelijk van het door hem gelegde beslag op de hoogte te brengen. De derde-beslagene is verplicht ieder van hen desgevraagd in te lichten omtrent andere beslagen, de namen en gekozen woonplaatsen van de andere beslagleggers en het beloop van hun vorderingen. Deze verplichtingen gelden ook voor en jegens degene op wiens last beslag is gelegd op de grondslag van het Wetboek van Strafvordering.

7. Ieder van de beslagleggers kan tussen komen in een procedure als bedoeld in artikel 477a.

7

Artikel II, subonderdeel 3, komt te luiden:

3. Het zevende lid wordt als volgt gewijzigd:

a. «beslag is gelegd» wordt vervangen door «beslag is of wordt gelegd» en «verzet is gedaan» wordt vervangen door «verzet is of wordt gedaan».

b. «waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend» wordt vervangen door: waaraan een gelijke of hogere voorrang is toegekend.

8

In artikel XXII, eerste lid, wordt «de coördinerende deurwaarder» vervangen door «de deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in artikel 478 de coördinerende deurwaarder.

Toelichting

Deze nota van wijziging bevat een beperkt aantal wijzigingen van technische en redactionele aard. Daarbij is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om het coördinerende deurwaarderschap, zoals het wetsvoorstel dit regelt, duidelijker te koppelen aan degene die inningsbevoegd is.

Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1 (artikel I, onderdeel C)

Indien sprake is van verschillende beslagen bij dezelfde derde-beslagene is het noodzakelijk voor een goede afstemming dat de partij aan wie de inning toevalt ook de rol van coördinerende deurwaarder voor haar rekening neemt. Deze partij treedt op als inner, verdeler en contactpersoon inzake de hoogte van de beslagvrije voet voor zowel de schuldenaar, de derde-beslagene als de andere beslagleggers en heeft zo een totaalbeeld. Er is daarom voor gekozen om in de definitie van coördinerende deurwaarder aan te sluiten bij de bepaling die in samenloopsituaties beschrijft aan wie de inningsbevoegdheid toekomt (artikel 478, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).

Onderdeel 2 (artikel I, onderdeel E)

Deze wijziging is technisch van aard. In het zesde lid wordt het begrip «opvolgende beslaglegger» vervangen door «een andere beslaglegger». Door de aanpassing in de volgorderegeling uit de eerste nota van wijziging kan bijvoorbeeld in de in artikel 475c, vijfde lid, bedoelde situatie ook een beslaglegger die een eerder beslag heeft gelegd er belang bij hebben de nietigheid van een later gelegd beslag in te roepen.

Onderdelen 3 en 8 (artikel I, onderdeel F, en XXII)

Het oorspronkelijke voorstel verplichtte alleen de coördinerende deurwaarder tot het opnieuw vaststellen van de beslagvrije voet. Nu alleen van een coördinerende deurwaarder sprake is in samenloopsituaties als bedoeld in artikel 478 Rv en evenzo de deurwaarder die als enige beslag heeft gelegd in bepaalde situaties gehouden dient te zijn de beslagvrije voet opnieuw vast te stellen zijn het derde tot en met vijfde lid van artikel 475d in gelijke zin aangepast.

In verband met het voorgaande is voorts de formulering van het overgangsrecht in artikel XXII technisch aangepast.

Onderdeel 4 (artikel I, onderdeel G)

Dit betreft een technische wijziging.

Onderdeel 5 (artikel I, onderdeel K)

Dit betreft een technische wijziging. Een vordering op basis van artikel 19 Invorderingswet 1990 (IW 1990) is een vorm van vereenvoudigd derdenbeslag. Deze categorieën zijn derhalve samengevoegd.

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om te expliciteren dat de derde, informatie dient te verstrekken over de deurwaarder die beslag heeft gelegd en indien sprake is van samenloop van beslagen op het door hem verstrekte inkomen, de identiteit van de coördinerende deurwaarder. Het gaat dan om de partij waaraan hij afdrachtplichtig is. Dit kan zowel een deurwaarder zijn als bedoeld in artikel 478, eerste lid, als een beslaglegger die optreedt als coördinerende deurwaarder als bedoeld in artikel 478, tweede lid.

Onderdelen 6 en 7 (artikelen I, onderdeel N, en II)

Artikel 478 regelt in situaties waarbij sprake is van samenloop van twee of meer beslagen bij een en dezelfde derde-beslagene, aan wie deze derde-beslagene dient af te dragen. Hoofdregel daarbij is dat de inning toevalt aan de deurwaarder met het oudste executoriale beslag (artikel 478, eerste lid, Rv). Op deze hoofdregel bestaan echter twee uitzonderingen. De eerste uitzondering, beschreven in artikel 478, tweede lid, eerste volzin, ziet op de situatie dat bij het oudste executoriale beslag sprake is van een beslaglegger die zonder tussenkomst van een deurwaarder beslag heeft gelegd een hoger bevoorrechte vordering dan de vordering waarvoor door de deurwaarder executoriaal beslag is gelegd. Onverkorte toepassing van de hoofdregel van het eerste lid zou in deze situatie inhouden dat bij een opvolgend executoriaal beslag door een deurwaarder, de inning bij deze deurwaarder terecht komt (hij is de deurwaarder met het oudste executoriale beslag). Dit is – indien het eerdere zonder tussenkomst van een deurwaarder gelegde beslag in verband met een vordering met een hoger voorrecht is gelegd – onwenselijk. In het tweede lid van artikel 478 is daarom bepaald dat de inning in deze situatie overgaat naar de deurwaarder die het latere beslag legt indien deze beslag heeft gelegd voor een vordering met een gelijk of hoger voorrecht.

Daarnaast kent in afwijking van de regeling in artikel 478, tweede lid, Rv de Invorderingswet 1990 een eigen regeling voor inning die specifiek geldt voor de Belastingdienst en lokale overheden, de zogenoemde artikel 19-vorderingen. In de eerste nota van wijziging bij het huidige wetsvoorstel is artikel 19, zevende lid, IW 1990 al zo aangepast dat de inning in samenloopsituaties enkel bij de artikel 19-invorderaar terecht komt indien hij beslag heeft gelegd voor een vordering met een voorrecht dat hoger is dan alle andere vorderingen waarvoor beslag ligt. Is sprake van een concurrente vordering waarbij het beslag is gelegd via een artikel 19-vordering, dan is – gezien het ontbrekende voorrecht – gewoon de hoofdregel uit artikel 478, eerste lid, Rv van toepassing. De hoofdregel houdt in dat de deurwaarder met het oudste executoriale beslag de coördinerende deurwaarder is en int. Om te benadrukken dat de regeling in artikel 19, zevende lid, IW 1990 zowel speelt indien de artikel 19-invorderaar de oudste beslaglegger is, als ook wanneer hij opvolgend beslaglegger is, is de tekst op dit vlak verduidelijkt.

Zoals eerder in de toelichting bij onderdeel 1 is vermeld, is het essentieel dat de innende beslaglegger ook de taken van de coördinerende deurwaarder voor zijn rekening neemt. In artikel 478, tweede lid, tweede volzin is daarom expliciet opgenomen dat indien op basis van het bepaalde in artikel 478, tweede lid, eerste volzin, de inning aan een beslaglegger toevalt die zonder tussenkomst van een deurwaarder beslag heeft gelegd, hij tevens de taken van coördinerende deurwaarder voor zijn rekening neemt.

De twee situaties, beschreven in het derde en vierde lid van artikel 478 waren reeds in het wetsvoorstel opgenomen in de eerder voorgestelde definitie van coördinerende deurwaarder in artikel 475ab. Nu in de definitie ervoor is gekozen om de coördinerende deurwaarder te omschrijven als de deurwaarder die op basis van artikel 478 inningsbevoegd is, zijn deze situaties in artikel 478 opgenomen. Daarbij is van de gelegenheid gebruik gemaakt om te verduidelijken dat indien de inningsbevoegde deurwaarder of de ingevolge het tweede lid inningsbevoegde beslaglegger het beslag niet meer voortzet, opnieuw op basis van artikel 478, eerste en tweede, lid dient te worden bezien wie dan als daaropvolgende deurwaarder of beslaglegger inningsbevoegd wordt.

Deze nota van wijziging wordt mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie ingediend.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma