Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201934588 nr. 82

34 588 Regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 20.)

Nr. 82 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 maart 2019

Op 14 november 2018 heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) een verklaring aan uw Kamer gezonden inzake de versterking van toezicht op de internationale gegevensuitwisseling tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het betreft een verklaring die is opgesteld in samenwerking tussen de Nederlandse, Belgische, Deense, Noorse en Zwitserse toezichthouders op inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Uw Kamer heeft mij om een reactie op deze verklaring verzocht. In het onderstaande ga ik daar, mede namens de Minister van Defensie, op in.

Kern verklaring

In de gezamenlijke verklaring wijzen de betrokken toezichthouders erop dat de samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zowel bilateraal als multilateraal, in de afgelopen jaren is geïntensiveerd. Het internationale karakter van de terrorismedreiging vereist immers dergelijke samenwerking. De toezichthouders spreken van een risico op een toezichtshiaat, omdat het toezicht strikt nationaal is en – anders dan de samenwerking tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten – stopt bij de grens. De toezichthouders menen dat de nationale wetgeving aan het uitoefenen van effectief toezicht in de weg kan staan om de ontwikkelingen van samenwerking tussen de diensten bij te kunnen benen. Tegen deze achtergrond hebben de vijf toezichthouders een project gestart, waarbij ze hun ervaringen en methoden hebben uitgewisseld zonder daarbij geclassificeerde informatie te hebben gedeeld.

Een noodzakelijke stap om de samenwerking tussen de toezichthouders meer invulling te kunnen geven zou – aldus de verklaring en de begeleidende brief van de CTIVD – moeten zijn, dat de nationale toezichthouders zou moeten worden toegestaan om met elkaar over staatsgeheime zaken te spreken. Opgemerkt wordt dat indien inlichtingen- en veiligheidsdiensten eenmaal gegevens hebben uitgewisseld, er geen reden zou zijn voor de nationale toezichthouders om daarbij achter te blijven. Het openen van deze mogelijkheid vergt echter dat de wet wordt gewijzigd, aangezien de wettelijke geheimhoudingsplicht aan een dergelijke handelwijze in de weg staat. Overigens heeft de CTIVD mij, ter toelichting op haar standpunt, geïnformeerd dat de beoogde gegevensuitwisseling in absolute zin begrensd zou moeten zijn en in elk geval beperkt zou moeten zijn tot gegevens waarvan vaststaat dat de betrokken toezichthouders hier allen reeds over beschikken vanuit hun toezichthoudende taken.

Overwegingen

Ik deel het door de toezichthouders gestelde belang, namelijk dat de gegevensuitwisseling tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten in internationaal verband voldoet aan een adequaat niveau van gegevensbescherming, en dat hierop kan worden toegezien. Ik heb hier in diverse bilaterale gesprekken met buitenlandse collega’s aandacht voor gevraagd. Samenwerking in dit kader tussen toezichthouders juich ik dan ook toe. Het wijzigen van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017), teneinde het uitwisselen van staatsgeheime informatie tussen toezichthouders mogelijk te maken, stuit echter op bezwaren.

Het door de CTIVD gepercipieerde risico van een toezichtshiaat houdt primair verband met de inrichting van het toezicht op nationaal niveau van de verschillende toezichthouders. Hierin bestaan significante verschillen. Zo voorziet het Nederlandse toezicht systeem erin dat de CTIVD ook de internationale samenwerking van de diensten kan onderzoeken, hetgeen niet voor elke toezichthouder het geval is. Het wijzigen van de Wiv 2017 ligt dan ook niet in de rede, omdat de wetswijziging alleen voor de Nederlandse toezichthouder effect zou hebben en niet betekent dat een buitenlandse toezichthouder ook de wettelijke bevoegdheid heeft om staatsgeheime informatie uit te wisselen met de Nederlandse toezichthouder. Daarnaast raakt de uitwisseling van staatsgeheime informatie tussen toezichthouders aan de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid. Voor de samenwerking van de AIVD of de MIVD met buitenlandse diensten en het feit dat er in dat kader staatsgeheime gegevens met die diensten worden gedeeld, zijn respectievelijk de Minister van Defensie en ik volledig verantwoordelijk en kunnen daarvoor ook door het parlement ter verantwoording worden geroepen. Ook als er bijvoorbeeld sprake is van compromitteren van dergelijke gegevens. De CTIVD is in de Wiv 2017 als een onafhankelijke instantie gepositioneerd, waarvoor de Minister van Defensie en ik slechts in beperkte mate verantwoordelijkheid dragen, nl. slechts voor het stelsel als zodanig. Dit standpunt wordt ook door de CTIVD onderschreven.

Het voorgaande neemt niet weg dat ik het door de toezichthouders nagestreefde belang deel. Ik verwacht echter meer soelaas indien in het kader van het aangaan van bilaterale of multilaterale samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten, nog meer dan nu reeds het geval is, aandacht wordt geschonken aan het onderwerp toezicht, en daarover afspraken worden gemaakt. Ik wil me daarvoor graag inzetten.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren