34 584 Wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding

Nr. 11 AMENDEMENT VAN HET LID KARABULUT C.S.

Ontvangen 16 februari 2017

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

Artikel I, onderdeel F komt te luiden:

F

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt « kunnen regels worden gesteld» vervangen door: worden regels gesteld.

2. In het tweede lid wordt «Onze Minister dan wel een door Onze Minister op grond van artikel 10 aangewezen instelling» vervangen door: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

3. In het vierde lid wordt in de aanhef «kunnen tevens regels worden gesteld» vervangen door: worden tevens regels gesteld.

4. Aan het vierde lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • d. de kwaliteit van de aangeboden werkzaamheden en de kwaliteit van het personeel.

II

In artikel I worden na onderdeel F de volgende onderdelen ingevoegd, luidende:

Fa

Artikel 10 komt te luiden:

Artikel 10

  • 1. De inspectie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht, houdt toezicht op de gecertificeerde rechtspersonen dan wel natuurlijke personen.

  • 2. Het toezicht omvat het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van de aangeboden werkzaamheden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, daaronder begrepen de kwaliteit van het personeel.

  • 3. De inspectie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht, kan een gecertificeerde rechtspersoon of natuurlijke persoon aanwijzingen geven.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de inspectie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht, het toezicht uitoefent.

Fb

Artikel 11 en 12 vervallen.

III

Artikel I, onderdeel G, komt te luiden:

G

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a» vervangen door «het inburgeringsexamen».

2. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Indien de lening is aangegaan in verband met de redelijke vergoeding voor een vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 22, tweede lid, wordt het bedrag van de lening overgemaakt aan het college dat de inburgeringsvoorziening voor de inburgeringsplichtige heeft vastgesteld.

IV

Artikel I, onderdeel I, wordt als volgt gewijzigd:

1. De titel van hoofdstuk 5a komt te luiden: GEMEENTELIJKE INBURGERINGSVOORZIENING

2. Na artikel 18 worden vijf artikelen ingevoegd:

Artikel 19

  • 1. Het college stelt voor de inburgeringsplichtige een inburgeringsvoorziening vast.

  • 2. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen. De gemeente neemt de inburgeringsvoorziening af van een gecertificeerde rechtspersoon of natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 9.

  • 3. De inburgeringsvoorziening voor de inburgeringsplichtige die algemene bijstand of een uitkering op grond van een van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen ontvangt, wordt afgestemd op diens mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het college stemt de inburgeringsvoorziening voor de inburgeringsplichtige af op de aard van de arbeid die de inburgeringsplichtige verricht of past de inburgeringsvoorziening zo nodig aan aan de aard van de arbeid die de inburgeringsplichtige gaat verrichten.

  • 4. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de procedure die door het college wordt gevolgd voor het vaststelling van een inburgeringsvoorziening als bedoeld in het eerste lid, de criteria die daarbij worden gehanteerd, met inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening.

Artikel 20

  • 1. Een inburgeringsvoorziening voor de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 19, derde lid, die tevens verplicht is om arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, wordt uitsluitend gedaan in combinatie met een op grond van de Wet werk en bijstand, dan wel een van de bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19, derde lid, aan te wijzen socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen, aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Binnen een gecombineerde voorziening kunnen onderdelen volgtijdelijk worden ingezet.

  • 2. Het college is verantwoordelijk voor het vaststellen van een gecombineerde voorziening als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 21

  • 1. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem aangewezen deskundige, de desbetreffende eigenrisicodrager en de desbetreffende overheidswerkgever werken samen bij de uitvoering van artikel 19, derde lid, en artikel 20.

  • 2. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de desbetreffende eigenrisicodrager en de desbetreffende overheidswerkgever maken in ieder geval afspraken met betrekking tot de inkoop van een gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel 20, eerste lid, de wijze waarop die voorziening feitelijk wordt aangeboden en de onderlinge gegevensuitwisseling.

Artikel 22

  • 1. De inburgeringsplichtige verleent medewerking aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening.

  • 2. De inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, is daarvoor een redelijke vergoeding verschuldigd.

  • 3. De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de hoogte en de inning van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen.

  • 4. Indien de inburgeringsplichtige, voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, op grond van artikel 27 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt ingeschreven in een andere gemeente, wordt die voorziening voortgezet, tenzij het college van de andere gemeente binnen zes weken na die inschrijving te kennen heeft gegeven dat zij vervalt. In dat geval stelt hij voor de inburgeringsplichtige een gelijkwaardig inburgeringsalternatief vast.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het inburgeringsalternatief, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 23

  • 1. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de eigenrisicodrager kunnen de vergoeding, bedoeld in artikel 22, tweede lid, verrekenen met algemene bijstand of verrekenen met dan wel inhouden op een uitkering op grond van een van de bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19, derde lid, aan te wijzen socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen.

  • 2. Indien degene die de vergoeding verschuldigd is een uitkering ontvangt op grond van een van de socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen, bedoeld in het eerste lid, die wordt uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager desgevraagd aan het college het bedrag van die bijdrage.

  • 3. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de eigenrisicodrager zijn niet bevoegd tot verrekening dan wel inhouding voor zover beslag op hun vordering nietig zou zijn.

  • 4. Het college kan de vergoeding bij dwangbevel invorderen.

Toelichting

Dit amendement regelt dat de gemeente de regie krijgt over de inburgering. De gemeente koopt inburgeringsvoorzieningen in bij een gecertificeerde persoon, waaraan de inburgeringsplichtige mee dient te werken. De inburgeringsplichtige is aan de gemeente een redelijke vergoeding verschuldigd voor de inburgeringsvoorziening. Het staat de gemeente vrij om de hoogte van die vergoeding te bepalen. De inburgeringsplichtige kan dit bedrag lenen conform de reeds in de wet opgenomen leenmogelijkheden.

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van de aangeboden cursus en op de kwaliteit van het personeel. Indien de inspectie constateert dat de kwaliteit te laag is, kan de inspectie een aanwijzing geven. De Minister van OCW kan bovendien het certificaat intrekken indien dit noodzakelijk blijkt. De indieners wijzen erop dat deze bevoegdheid ook gemandateerd kan worden aan de inspectie.

Karabulut Van Meenen Voortman

Naar boven