Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734559 nr. 8

34 559 Voorstel van wet van de leden Agnes Mulder en Mei Li Vos tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het tegengaan van onredelijk lange betaaltermijnen

Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 december 2016

De initiatiefnemers danken de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP, het CDA en de ChristenUnie voor hun inbreng.

De initiatiefnemers zijn de vaste commissie voor Economische Zaken erkentelijk voor de aandacht die zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken en hebben met interesse kennis genomen van de vragen die er nog leven. Zij zullen deze vragen beantwoorden.

Deze nota naar aanleiding van het verslag gaat vergezeld van een nota van wijziging. Het gaat hierbij om een technische verduidelijking en het laten vervallen van de citeertitel van het wetsvoorstel.

1. Inleiding

Alvorens de initiatiefnemers overgaan tot de beantwoording van de gestelde vragen, brengen zij graag eerst kort in herinnering wat voor hen aanleiding was om dit wetsvoorstel in te dienen en welk resultaat zij daarmee beogen te bereiken.

Het doel van het wetsvoorstel komt er in de kern op neer dat grote afnemers (hierna ook: grootbedrijven) niet langer in staat zouden moeten kunnen zijn om kleinere leveranciers en/of dienstverleners te dwingen akkoord te gaan met een onredelijk lange betaaltermijn. Op dit moment geldt op basis van artikel 119a lid 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – kort gezegd – dat de betaaltermijn in principe 30 dagen is. Partijen hebben de contractsvrijheid om betaaltermijn tot 60 dagen overeen te komen. Eventueel kunnen partijen hier nog van afwijken door een nog langere betaaltermijn af te spreken, mits die termijn uitdrukkelijk in de overeenkomst wordt opgenomen èn niet «kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser». Op grond van die bepaling zou bij een overeenkomst tussen een grote afnemer en een kleine leverancier een betaaltermijn die langer is dan 60 dagen doorgaans onredelijk zijn. Nu de wet dat echter niet met zoveel woorden zegt, kan hierover toch discussie ontstaan. Komen partijen daar niet uit, dan zal de kleine afnemer genoodzaakt zijn om de rechter te vragen hierover een oordeel te geven. Gelet op de omstandigheid dat de grote afnemer binnen de contractuele relatie veelal een aanzienlijk sterkere positie heeft dan de kleine afnemer, is het nog maar de vraag of de kleine afnemer een dergelijke stap daadwerkelijk zal durven zetten. Het wetsvoorstel leidt ertoe dat de wet zelf duidelijkheid biedt over de maximale lengte van betaaltermijnen en dat een gang naar de rechter niet langer nodig zal zijn om hierover uitsluitsel te krijgen. Bij een overeenkomst tussen een grote afnemer en een kleine leverancier geldt in beginsel de standaard betaaltermijn van 30 dagen. Partijen kunnen nog steeds een langere betaaltermijn overeenkomen, maar die mag niet langer zijn dan 60 dagen. Mochten grote bedrijven alsnog besluiten betaaltermijnen langer dan 60 dagen in de overeenkomst op te nemen, dan is de betaaltermijn in een dergelijke overeenkomst van rechtswege nietig. In dat geval wordt de betaaltermijn van rechtswege omgezet in de norm voor betaaltermijnen, namelijk een betaaltermijn van 30 dagen. Mocht de afnemer de factuur pas na 30 dagen betalen, dan is van rechtswege wettelijke handelsrente verschuldigd over de termijn die de 30 dagen overschrijdt.

Het voorliggende wetsvoorstel is opgesteld naar aanleiding van aanhoudende signalen uit het veld dat verschillende grootbedrijven betaaltermijnen van meer dan 60 dagen opleggen aan mkb-leveranciers en zelfstandige ondernemers en dat dit een probleem vormt. Er zijn ook verschillende onderzoeken uitgevoerd waaruit blijkt dat lange betaaltermijnen een probleem vormen voor kleine leveranciers en de economie1 2 3 4 5.

De achterliggende reden om betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te spreken heeft te maken met een financiële prikkel. Lange betaaltermijnen leiden tot een cashflowvoordeel voor de afnemer; de afnemer houdt langer de beschikking over liquide middelen die hij eigenlijk zou moeten gebruiken om de leverancier te betalen. Voor de leverancier heeft, naast het feit dat tijdige betaling van afgenomen goederen en/of diensten normaal zou moeten zijn, het afsluiten van lange betaaltermijnen nadelige effecten. De afnemer krijgt juist niet de beschikking over de liquide middelen die hij nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering, doordat de betaling van de grote afnemer op zich laat wachten. In feite gebruiken grote bedrijven hun mkb-leveranciers als bank/kredietverschaffer; de afnemer wentelt zijn financieringslasten af op zijn leveranciers. Hierdoor komen kleine leveranciers in de problemen. Zij moeten namelijk de door hun geleverde producten voorfinancieren. Dit is extra lastig als je nagaat dat mkb’ers toch al moeilijker aan financiering kunnen komen.

De initiatiefnemers willen nogmaals benadrukken dat het wetsvoorstel slechts geldt voor één specifieke handelsrelatie. Het wetsvoorstel geldt alleen in een handelsrelatie tussen een grootbedrijf in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener. Voor alle andere handelsrelaties verandert er niets. Ook voor grootbedrijven die met kleine leveranciers al betaaltermijnen tussen 1 en 60 dagen afspreken en dit blijven doen verandert dit wetsvoorstel niets. Tevens geldt het wetsvoorstel alleen voor betaaltermijnen. Alle andere mogelijkheden in het onderhandelingsproces blijven gehandhaafd. Dat het voorliggende wetsvoorstel alleen betrekking heeft op deze ene handelsrelatie heeft te maken met de ongelijke positie van de daarbij betrokken partijen; doorgaans hebben de grootbedrijven een veel sterkere onderhandelingspositie en zijn de kleine afnemers in grote mate afhankelijk van de grootbedrijven. Door de ongelijke positie vindt in feite geen echte onderhandeling plaats over de betaaltermijn. Grootbedrijven kunnen hierdoor onredelijke betaaltermijnen opleggen aan kleine leveranciers. Dit komt doordat grootbedrijven misbruik kunnen maken van een uitzonderingsclausule in de wet. De initiatiefnemers willen benadrukken dat het nooit de bedoeling is geweest van de huidige wet om grootbedrijven de mogelijkheid te geven om betaaltermijnen langer dan 60 dagen op te leggen aan kleine leveranciers. Dat dit toch gebeurt heeft naast de ongelijke onderhandelingspositie te maken met het feit dat kleine leveranciers in de huidige situatie de gang naar de rechter niet durven te maken in verband met de afhankelijkheidsrelatie. Aanvullende wetgeving is in deze handelsrelatie daarom nodig om de positie van de kleine leverancier te beschermen.

Op 2 november 2016 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State advies uitgebracht over het voorstel van wet. Zij hebben een blanco advies uitgebracht. Gelet op het bepaalde in artikel 27, vierde lid van de Wet op de Raad van State (zgn. blanco advies) blijft openbaarmaking van dit advies achterwege.

De initiatiefnemers zullen nu ingaan op de verschillende vragen gesteld door de verschillende fracties.

2. Voorgeschiedenis

De leden van de VVD-fractie vragen of er voldoende aanleiding is om aanvullende wetgeving te verlangen.

De huidige wetgeving is te vinden in artikel 119a in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op basis van dit artikel geldt in principe een betaaltermijn van 30 dagen. In lid 5 van dit artikel is echter een uitzonderingsclausule opgenomen; partijen kunnen een afwijkende termijn afspreken, zolang deze maar niet «kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser». Op basis van deze clausule kunnen betaaltermijnen worden overeengekomen die langer zijn dan 60 dagen. In handelsrelaties tussen een grootbedrijf in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener wordt de uitzonderingsclausule door bepaalde grootbedrijven oneigenlijk gebruikt om betaaltermijnen zoveel mogelijk op te rekken. Doordat kleine leveranciers onvoldoende onderhandelingsmacht hebben, kunnen zij dit moeilijk voorkomen. Zij kunnen eventueel naar de rechter stappen, maar omdat kleine leveranciers vaak erg afhankelijk zijn van de grote afnemer durven zij de gang naar de rechter vaak niet te maken. Doen zij dit wel, dan is een juridische procedure veelal tijdrovend en kostbaar voor de kleine leverancier. Bovendien zal de leverancier dan aannemelijk moeten maken – dat wil zeggen; moeten stellen en bewijzen – dat de betaaltermijn onbillijk is jegens hem. Kortom, op dit moment wordt in deze specifieke handelsrelatie misbruik gemaakt van de wet, waarbij de gedupeerde kleine leverancier onvoldoende in staat is om zijn recht te halen bij de rechter. Bij deze specifieke handelsrelatie is daarom aanvullende wetgeving nodig om dit probleem op te lossen.

De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat volgens de initiatiefnemers het de norm is om binnen dertig dagen een rekening te betalen en dat om deze reden betaaltermijnen langer dan zestig dagen van rechtswege krachtens artikel 3:41 van het Burgerlijk Wetboek worden gewijzigd in betaaltermijnen van dertig dagen. Deze leden verzoeken de initiatiefnemers toe te lichten waarom in het initiatiefvoorstel gekozen is om niet de norm maar een tweemaal zo lange maximale betaaltermijn te hanteren.

De initiatiefnemers hebben het wetsvoorstel geïnitieerd om excessen in betaaltermijnen tegen te gaan. Hierbij willen de initiatiefnemers de contractvrijheid tussen private partijen niet te rigoureus inperken. Door een betaaltermijn van maximaal 60 dagen toe te blijven staan sluiten de initiatiefnemers zoveel mogelijk aan bij de huidige Nederlandse wetgeving en de Europese Richtlijn. De initiatiefnemers willen de verschillen tussen de Nederlandse wetgeving en die van andere Europese landen niet onnodig groot maken om een gelijk speelveld te behouden. Mede naar aanleiding van lopende initiatieven op het gebied van zelfregulering, zoals Betaalme.nu, die onderdeel zijn van het streven naar behoud van een gezonde handelsketen, houden bepaalde grootbedrijven zich wel aan redelijke betaaltermijnen. Uiteraard willen de initiatiefnemers deze initiatieven niet doorkruisen en menen mede daarom dat op dit moment scherpere wetgeving dan voorgesteld in voorliggend wetsvoorstel niet gewenst en bovendien ook niet noodzakelijk is.

3. Aanleiding en achtergrond

3.1 Aanleiding

De leden van de VVD-fractie vragen naar specifieke cijfers over betaalachterstanden. Daarnaast geven deze leden aan dat de Raad Nederlandse Detailhandel bezwaren heeft tegen het voorstel betreffende een «one-size-fits-all» methode en een veronderstelling dat er nooit sprake is van wederzijds voordeel van betaaltermijnen langer dan 60 dagen.

Conservatieve schattingen ramen de jaarlijkse kosten van achterstallige betalingen op 2,5 miljard euro6. Hogere schattingen ramen de kosten op 7 miljard euro7. De initiatiefnemers wijzen erop dat het wetsvoorstel alleen ziet op betaaltermijnen die worden overeengekomen in handelsrelaties tussen grootbedrijven in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener. In die specifieke handelsrelatie is sprake van een ongelijke uitgangspositie: doorgaans heeft de grote afnemer een veel sterkere onderhandelingspositie dan de kleine leverancier en is de kleine leverancier in grote mate afhankelijkheid van de grote afnemer. Deze ongelijke uitgangspositie maakt dat de grote afnemer in staat is de kleine leverancier te dwingen akkoord te gaan met een onredelijk lange betaaltermijn. Een dergelijke ongelijke uitgangspositie is er niet bij overeenkomsten tussen een kleine afnemer en een kleine leverancier of een grote afnemer en een grote leverancier. Het probleem van afgedwongen lange betaaltermijn is daarom geen issue in deze handelsrelaties. Het wetsvoorstel ziet daarom ook niet op deze handelsrelaties en hierdoor is er geen sprake van «one-size-fits-all». De positieve wijze waarop leveranciers en afnemers hun relatie kunnen vormgeven blijft ook met dit wetsvoorstel mogelijk. Het enige is dat in deze specifieke handelsrelatie geen betaaltermijn langer dan 60 dagen kan worden overeengekomen. Al het andere is en blijft onderhandelbaar in het onderhandelingsproces, ook of een betaaltermijn van bijvoorbeeld 8, 14 en 35 of 60 dagen zal worden overeengekomen. Verder zal er in deze specifieke handelsrelatie doorgaans geen sprake zijn van een wederzijds voordeel om betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te spreken. Voor een leverancier is een lange betaaltermijn altijd nadelig. Theoretisch kan een extreem lange betaaltermijn worden gecompenseerd door de afnemer door op een ander onderhandelpunt iets toe te geven. Echter, het is vanwege de ongelijke onderhandelingspositie en de afhankelijkheidsrelatie nog maar zeer de vraag of deze compensatie werkelijk door de afnemer wordt aangeboden. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat de kleine leverancier vanwege de ongelijke onderhandelingspositie en de afhankelijkheidsrelatie bij contractonderhandelingen wordt beschermd tegen te lange betaaltermijnen.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarom GroentenFruit Huis zich niet beroept op de bestaande wet, aangezien er niet aan de drie gestelde voorwaarden voor een langere termijn van betaling voldaan wordt.

De initiatiefnemers kunnen niet voor een individueel geval spreken. Het is aan de rechter om daarover te oordelen, mocht deze daarom worden gevraagd. In zijn algemeenheid is het probleem dat de huidige wet niet wordt nageleefd en dat de wet ruimte laat voor discussie. Dit komt door de term «kennelijke onbillijkheid» in artikel 6:119a lid 5 BW. Alhoewel hier duidelijk lijkt te zijn beschreven in de wet wat hiermee wordt bedoeld, wordt dit artikel in de praktijk soms verschillend geïnterpreteerd. Het bestaande artikel is niet bedoeld voor grootbedrijven om betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te dwingen bij een mkb’er of zzp’er in de rol van leverancier. Om dit volstrekt helder te maken wordt de wet verduidelijkt. Hierdoor kan geen enkele discussie meer ontstaan of het wel of niet mag. Mocht het grootbedrijf alsnog betaaltermijnen langer dan 60 dagen opleggen, dan wordt het makkelijker voor de kleine leverancier om bij de rechter alsnog zijn gelijk te halen. Hij zal dan alleen maar hoeven aan te tonen dat er sprake is van een handelsrelatie tussen een grootbedrijf (afnemer) en mkb of zzp (leverancier) waarvoor geldt dat de betaaltermijn niet langer mag zijn dan 60 dagen. Dit versterkt de juridische positie van de leverancier. In paragraaf 6.1 van hoofdstuk 6 van de memorie van toelichting staat uitgebreider beschreven waarom de verwachting is dat de kleinere leverancier eerder de stap naar de rechter durft te zetten indien dat nodig is.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat er onderscheid gemaakt wordt tussen het MKB en het grootbedrijf. Zij hebben hier begrip voor maar vragen de initiatiefnemers wel waarom er geen onderscheid gemaakt is tussen bijvoorbeeld micro- en kleinbedrijven. Zij vermoeden namelijk dat de negatieve effecten van lange betaaltermijnen groter zullen zijn bij de kleinere bedrijven.

Vanzelfsprekend hebben micro- en kleinbedrijven evenveel voordeel bij het voorliggende wetsvoorstel, zij vallen ook onder de definitie mkb. Onder de definitie «mkb» vallen in dit wetsvoorstel middelgrote, kleine en micro-ondernemingen. Bij het onderscheid tussen grote ondernemingen, middelgrote, kleine en micro-ondernemingen wordt aangesloten bij de criteria uit het jaarrekeningrecht zoals beschreven in het BW. Het gaat in het voorliggende wetsvoorstel om het verschil in de onderhandelingspositie en de afhankelijkheidsrelatie. Zowel bij microbedrijven als bij kleinbedrijven zijn die groot in een handelsrelatie met het grootbedrijf als afnemer. Daarom vallen zij beide onder dit voorliggende wetsvoorstel.

3.2 Probleemschets

De leden van de VVD-fractie geven aan dat bepaalde producten met een lage omloopsnelheid lang in de winkels liggen voordat de producten wordt verkocht. Zij vragen of een lange betaaltermijn gewenst is indien sprake is van een lage omloopsnelheid van producten.

Het is de verantwoordelijkheid van een bedrijf om te zorgen voor een goed businessmodel, zodat na de levering van de producten deze zo snel mogelijk worden verkocht. Indien dit lang duurt ligt dit aan het grootbedrijf zelf en niet aan de leverancier. Het zou daarom oneerlijk zijn om de daarmee samenhangende kosten af te wentelen op de kleine leverancier of dienstverlener. Door lange betaaltermijnen komt de liquiditeitspositie van de kleine leverancier of dienstverlener namelijk onder druk te staan, wordt de kasstroom onvoorspelbaarder en wordt de ruimte voor bedrijven om slechtere maanden op te vangen of om juist snel investeringen te doen kleiner.

De leden van de VVD-fractie vragen of het waar is dat er ook voordelen aan een langere betaaltermijn zitten.

Voor een leverancier is het altijd nadelig indien hij te maken krijgt met een langere betaaltermijn. In handelsovereenkomsten waarbij partijen een gelijke onderhandelingspositie hebben, kan een leverancier onderhandelen over voordelen op andere onderdelen van het contract. In handelsrelaties tussen een grootbedrijf in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener is geen sprake van een gelijke onderhandelingspositie. Daarom is er voor een leverancier in deze situatie normaliter geen voordeel te behalen bij een lange betaaltermijn.

De leden van de VVD-fractie vragen of ondernemers door dit initiatiefwetsvoorstel beperkt worden in hun keuzevrijheid wat betreft betaaltermijnen. Verder vragen deze leden of huidige relaties daardoor verstoord kunnen worden.

In het voorliggende wetsvoorstel houden afnemers en leveranciers in deze specifieke handelsrelatie de vrijheid om te onderhandelen over een betaaltermijn tussen 1 en 60 dagen. Daarnaast blijven zij volstrekt vrij om over alle andere onderdelen van de overeenkomst te onderhandelen. In de handelsrelaties waar dit wetsvoorstel geen betrekking op heeft houden ondernemers ook de mogelijkheid om betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te spreken, mits zij zich natuurlijk houden aan de regels die hierbij nu al gelden op basis van artikel 6:119a BW. Tevens verandert er niets voor grootbedrijven die op dit moment al geen betaaltermijnen langer dan 60 dagen afsluiten met kleine leveranciers. De initiatiefnemers verwachten daarom niet dat door dit wetsvoorstel huidige relaties tussen leveranciers en afnemers verstoord worden.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in hoeverre het opnemen van een langere betaaltermijn dan 60 dagen ook voorkomt tussen mkb-bedrijven onderling. Zo wordt in de memorie van toelichting gesproken van een sneeuwbaleffect in de gehele handelsketen, waarbij ook de leverancier van de leverancier met een langere betaaltermijn te maken krijgt. Speelt «defection» (de angst om de handelsrelatie te verstoren) ook tussen mkb-bedrijven onderling? Welke oplossing zien de initiatiefnemers hiervoor?

Een grootbedrijf opereert in de regel in de top van de handelsketen. Er zijn slechts enkele andere bedrijven die met hen concurreren. Hun leverancier heeft dus amper de mogelijkheid om na een concurrerend bedrijf te stappen die betere voorwaarden biedt. Zeker als andere grootbedrijven ook extreem lange betaaltermijnen hanteren. Bij handelsrelaties tussen mkb-bedrijven onderling speelt de afhankelijkheidsrelatie een minder grote rol. Dit komt doordat er meerdere afnemers zijn die met elkaar concurreren in dezelfde markt. Een leverancier heeft hierdoor meer mogelijkheden om zijn producten of diensten aan te bieden. Hierdoor zijn de verschillen in onderhandelingsmacht tussen mkb-bedrijven veel minder groot en verloopt de onderhandeling op een meer gelijkwaardige manier tussen de afnemer en de leverancier. Als een mkb-afnemer onredelijke betaaltermijnen voorstelt heeft de leverancier de mogelijkheid om aan een andere mkb-afnemer zijn product of dienst te leveren. Ook in de consultatie zijn geen signalen afgegeven dat wetgeving op het gebied van betaaltermijnen in deze handelsrelatie aangescherpt zouden moeten worden. In elke handelsrelatie bestaat in bepaalde mate de angst om een afnemer te verliezen. «Defection» speelt echter met name in handelsrelaties met een grote afhankelijkheidsrelatie.

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemers of zij kunnen toelichten wat zij bedoelen dat grootbedrijven hun mkb-leveranciers als bank gebruiken.

De initiatiefnemers verwijzen voor dit antwoord naar de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag waar op deze vraag wordt ingegaan.

De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemers in hoeveel gevallen de wettelijke handelsrente die nu kan worden toegepast daadwerkelijk wordt geïnd door degenen die deze rente tegoed hebben van late betalers en in hoeveel gevallen de rente betaald wordt door degenen die de rente verschuldigd zijn.

De initiatiefnemers hebben begrepen dat hier geen cijfers over beschikbaar zijn omdat het een handeling betreft tussen twee bedrijven onderling waar geen melding van wordt gemaakt. Zelfs al zouden er cijfers beschikbaar zijn, dan zijn hier moeilijk conclusies uit te trekken. Dit soort cijfers nemen namelijk niet mee in hoeveel van de gevallen leveranciers de wettelijke handelsrente niet durven op te eisen. Verdergaand op dit antwoord is het ook niet te bepalen in hoeveel gevallen de rente betaald wordt door degene die de rente verschuldigd is. Uit de hoorzitting in de Tweede Kamer en de consultatie bleek dat weinig kleine leveranciers op dit moment de wettelijke handelsrente waar zij recht op hebben durven op te eisen.

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd welke middelen een middelgroot- of kleinbedrijf heeft om de wettelijke handelsrente te innen bij een grootbedrijf en of er naar de mening van de initiatiefnemers een belemmering bestaat in de scheve machtsverhouding tussen bedrijven uit deze verschillende categorieën.

Om late betalingen tegen te gaan is in de wet geregeld dat incassokosten en een wettelijke handelsrente in rekening mogen worden gebracht indien een afgesproken betaaltermijn tussen de afnemer en de leverancier niet wordt nagekomen. In het geval dat een schuldenaar na een vordering alsnog niet betaalt moet een leverancier de zaak aanhangig maken bij de civiele rechter. Er bestaan hierbij belemmeringen door de scheve machtsverhoudingen. Uit angst de relatie met de afnemer te verstoren, stappen kleine leveranciers in een handelsrelatie met het grootbedrijf niet snel naar de rechter, zelfs al staan zij in hun recht. Dit is een belangrijke reden voor de initiatiefnemers om met dit voorliggende wetsvoorstel te komen.

Deze leden van de SP-fractie merken tevens op dat het wetsvoorstel geen flankerende maatregelen bevat die het betalen van de wettelijke handelsrente bevorderen of afdwingbaar maken zonder daarbij de relatie tussen beide bedrijven te verstoren. Deze leden zijn daarom benieuwd in hoeverre de wettelijke handelsrente die geldt op betalingen later dan dertig dagen, tenzij een betaaltermijn korter of gelijk aan zestig dagen is afgesproken, naar de verwachting van de initiatiefnemers effect zal hebben op het betaalgedrag van grote bedrijven ten opzichte van kleinere leveranciers.

In de nieuwe situatie is de verwachting dat grootbedrijven vanwege het voorliggende wetsvoorstel geen betaaltermijnen langer dan 60 dagen meer zullen opleggen in deze handelsrelatie omdat zij dan expliciet de wet overtreden. Dat de wet wordt overtreden wanneer in deze handelsrelatie een betaaltermijn langer dan 60 dagen is bedongen, wordt door dit wetsvoorstel volstrekt helder. Op dit punt kan geen enkele discussie meer zijn. Bestuurders van grootbedrijven overtreden niet graag expliciet de wet. Indien zij dit wel blijven doen dan kan dat zorgen voor onrust bij aandeelhouders, klanten en werknemers. Indien zij betaaltermijnen langer dan 60 dagen blijven bedingen in deze handelsrelatie nemen zij daarnaast het risico dat een toekomstig financieel risico zich opstapelt. De kans neemt namelijk toe dat zij te verwachten rechtszaken gaan verliezen doordat de leveranciers wel de gang naar de rechter durven te zetten. Hierdoor wordt het probleem opgelost zonder de relatie tussen beide bedrijven te verstoren. Wordt er toch een betaaltermijn bedongen die langer is dan 60 dagen, dan is het desbetreffende beding nietig en zal de standaard betaaltermijn van 30 dagen gelden. Mochten grootbedrijven de wettelijke rente na 30 dagen niet betalen wordt door dit voorliggende wetsvoorstel het opeisen van de wettelijke handelsrente beter afdwingbaar. Doordat een vordering onder het huidige Nederlands recht tot vijf jaar in rechte afdwingbaar is kan de wettelijke handelsrente in bepaalde situaties worden opgeëist zonder de handelsrelatie te verstoren. De wettelijke handelsrente kan namelijk worden opgeëist nadat de handelsrelatie op een natuurlijke wijze ten einde is gekomen. Zie voor een volledig overzicht van de afdwingmechanismen paragraaf 6.1 van de memorie van toelichting.

3.3 Doelstellingen wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vragen waarom een financieel voordeel voor beide partijen wordt ontmoedigd.

De initiatiefnemers verwijzen voor dit antwoord naar een soortgelijke vraag gesteld door de leden van de VVD-fractie onder punt 3.1.

3.4 Nut en noodzaak overheidsinterventie

De leden van de VVD-fractie vragen of dit wetsvoorstel niet een nieuwe norm van 60 dagen in de hand werkt.

Dit is niet het geval. In Boek 6 van het BW blijft geregeld dat 30 dagen de standaard betaaltermijn is om een factuur te betalen, indien geen andere betaaltermijn is afgesproken. De norm van 30 dagen blijft onaangetast en daardoor expliciet gehandhaafd in Boek 6 van het BW. Artikel 6:119a lid 2 BW stelt deze norm namelijk vast op 30 dagen. De initiatiefnemers stellen vast dat bij de behandeling van voorliggend wetsvoorstel voornamelijk wordt ingezoomd op artikel 6:119a lid 5 BW. Dit is logisch doordat het voorliggende wetsvoorstel beoogt een specifiek probleem op te lossen dat is geconstateerd bij dit specifieke artikel. Het probleem is dat bepaalde grootbedrijven misbruik van dit specifieke artikel maken om langere betaaltermijnen op te leggen aan kleine leveranciers. Daarom geldt artikel 6:119a lid 5 BW niet meer in een handelsrelatie tussen een grootbedrijf (afnemer) en het mkb of zzp (leverancier). Het gehele artikel bekeken blijft het echter volstrekt duidelijk dat het de norm is om facturen binnen 30 dagen te betalen. Het wetsvoorstel geeft extra bevestiging van de norm van 30 dagen omdat er bij overtreding van het voorliggende wetsvoorstel teruggegrepen wordt op de algemene norm die gesteld is in lid 2. Daarnaast zullen initiatieven op het gebied van zelfregulering ervoor zorgen dat betaaltermijnen eerder korter dan langer zullen worden.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er geen duidelijke rol voor de Autoriteit Consument en Markt (ACM) wordt vastgelegd in het initiatiefwetsvoorstel en er enkel over een rechtsgang wordt gesproken bij sprake van een geschil. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen nadere toelichting op de opmerking dat de ACM de beschreven problematiek niet kan oplossen. Wanneer een grote afnemer stelselmatig misbruik maakt van zijn economische machtspositie kan de ACM toch een boete opleggen? Vinden de initiatiefnemers het wenselijk dat de ACM hier actiever in optreedt?

Zoals in de memorie van toelichting is beschreven, kan de ACM de beschreven problematiek niet oplossen omdat de ACM op basis van de Mededingingswet alleen boetes kan opleggen bij kartelafspraken of wanneer een afnemer misbruik maakt van zijn economische machtspositie. De ACM heeft niet de bevoegdheid om in te grijpen in een individuele relatie tussen leverancier en afnemer. De huidige Wet oneerlijke handelspraktijken, waar ACM tevens toezicht op houdt, ziet alleen op de relatie tussen ondernemingen en consumenten.

De leden van de VVD-fractie vragen of er bij de huidige wetgeving al sprake is van een gelijk speelveld.

Nee. Dit komt door de ongelijke onderhandelingspositie en de afhankelijkheidsrelatie, waarbij de zwakkere partij zich bevindt in de rol van leverancier of dienstverlener.

De leden van de CDA-fractie lazen dat in maand juni van het jaar 2016 zich 26 grootbedrijven hebben aangesloten bij het initiatief Betaalme.nu. Zij vroegen zich af of Betaalme.nu na juni 2016 nog een nieuwe tussenstand gepubliceerd. Zo ja, hoeveel grootbedrijven hierin werden genoemd die zich hebben aangesloten bij het initiatief? Daarnaast vroegen zij of de initiatiefnemers voor ogen hebben om het wetsvoorstel het initiatief van Betaalme.nu te vervangen.

Op 12-12-2016 heeft Betaalme.nu een nieuwe tussenstand op de website gepubliceerd. Hierin wordt aangeven dat Betaalme.nu inmiddels 34 deelnemers kent.8 Nederland kent 2840 grootbedrijven.9 Ongeveer 1,2% van de grootbedrijven heeft zich dus pas aangesloten bij het initiatief. Dit terwijl de pers meerdere malen over Betaalme.nu heeft geschreven en MKB Nederland grootbedrijven heeft aangeschreven om zich hierbij aan te sluiten. Zelfs indien alle grootbedrijven vrijwillig zouden besluiten geen betaaltermijnen langer dan 60 dagen meer aan het mkb op te zullen leggen, blijft het mkb afhankelijk van de vrije wil van het grootbedrijf om dit ook in de toekomst te blijven doen. Zelfregulering biedt hiervoor helaas geen enkele garantie. Grootbedrijven die nu uit vrije wil hebben gekozen om kortere betaaltermijnen af te spreken, kunnen er altijd weer voor kunnen kiezen om langere betaaltermijnen af te spreken, bijvoorbeeld door mogelijke financiële tegenvallers, een nieuwe economische crisis of situaties waarin er geld nodig is voor investeringen. De initiatiefnemers beogen met het wetsvoorstel een noodzakelijke ondersteuning te doen aan lopende initiatieven rondom zelfregulering; het wetsvoorstel dient niet als vervanging hiervan.

4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

4.1 Inhoud wetsvoorstel

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de effectieve naleving van het wetsvoorstel, aangezien de gedupeerde leverancier nog steeds actief naar de rechter moet stappen. Eerder noemden de initiatiefnemers juist de angst om de handelsrelatie te verstoren als blokkade voor ondernemers om naar de rechter te stappen.

Door voorliggend wetsvoorstel is er geen discussie meer mogelijk; in een handelsrelatie tussen het grootbedrijf (afnemer) en een mkb’er of zzp’er (leverancier) is 60 dagen de limiet op het gebied van betaaltermijnen. Houdt de grote afnemer zich niet aan de wet (de 60 dagen termijn) dan is het voor de leverancier veel makkelijker om bij de rechter zijn gelijk te halen. Gelet hierop valt niet te verwachten dat grote afnemers de wet naast zich neer zullen leggen en is de verwachting dat partijen helemaal niet meer bij de rechter terecht komen. Mochten grootbedrijven zich alsnog niet aan de wet houden verwachten de initiatiefnemers dat mkb’ers of zzp’ers naar de rechter zullen stappen om de wettelijke handelsrente op te eisen. Ten eerste omdat het wetsvoorstel tot een sterkere juridische positie van de leverancier leidt. Ten tweede omdat door het wetsvoorstel het voor leveranciers gemakkelijker wordt zich te verenigen om gezamenlijk een gang naar de rechter maken. Ten derde omdat een vordering onder het huidige Nederlands recht tot vijf jaar in rechte afdwingbaar is. En ten vierde omdat een groot aantal mogelijke vorderingen ertoe leidt dat het grootbedrijf een voorziening op haar balans moet plaatsen voor te betalen wettelijke handelsrente. Indien dit niet gebeurt kan dit tot gevolg hebben dat een accountantsverklaring niet wordt verleend. Meer informatie hierover is te lezen in hoofdstuk 6 van de memorie van toelichting, specifiek in paragraaf 6.1.

De leden van de VVD-fractie geven aan kennis te hebben genomen van de Richtlijn 2011/7/EU, waarin zij aangeven dat er een grond voor een langere termijn is opgenomen. Zij vragen of het waar is dat het wetsvoorstel de uitzonderingsmaatregel volledig wil schrappen?

Nee. De uitzonderingspositie wordt alleen geschrapt in handelsrelaties tussen een grootbedrijf in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener. De Richtlijn biedt via artikel 12 lid 3 ruimte aan individuele landen om striktere wetgeving op te stellen indien zij dat wensen. Het wetsvoorstel maakt dus gebruik van de ruimte die de EU-Richtlijn biedt.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich voorts af waarom er niet voor is gekozen om de maximale betaaltermijn vast te stellen op 30 dagen. Deze leden merken op dat deze termijn immers is vastgesteld als norm.

De initiatiefnemers verwijzen naar beantwoording van een zelfde soort vraag van de leden van de SP-fractie onder punt 2.

De leden van de PvdA-fractie aan dat zij een mogelijke nieuwe norm van 60 dagen zeer onwenselijk zouden vinden en vragen hoe de initiatiefnemers hier tegenaan kijken.

De initiatiefnemers verwijzen naar een zelfde soort vraag van de leden van de VVD-fractie onder punt 3.4.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de achterliggen beargumentering dat het volstrekt helder blijft dat het de norm is om binnen 30 dagen een rekening te betalen.

In paragraaf 4.1 wordt ingegaan op de systematiek van het BW. Als partijen zich niet houden aan de voorgestelde verbodsbepaling om een betaaltermijn langer dan 60 dagen op te nemen in de overeenkomst, is die betaaltermijn nietig op grond van artikel 3:41 van het BW. In dat geval komt van rechtswege een betaaltermijn van 30 dagen te gelden, zoals is bepaald in artikel 6:119a, tweede lid, van het BW. De initiatiefnemers hebben bewust gekozen om aan te sluiten bij de systematiek van het BW, omdat zo volstrekt helder blijft dat 30 dagen de norm is om een rekening te betalen. Indien de gekozen systematiek zo zou zijn dat als partijen zich niet houden aan de voorgestelde verbodsbepaling van rechtswege een betaaltermijn van 60 dagen zou gaan gelden zou verwarring kunnen ontstaan. Doordat wordt aangesloten bij de systematiek van BW ontstaat deze verwarring niet en blijft helder dat 30 dagen de norm is om een rekening te betalen. Zie verder de beantwoording van dezelfde soort vraag van de leden van de VVD-fractie onder punt 3.4.

De leden van de VVD-fractie geven aan dat het wetsvoorstel zich richt op in rechte afdwingbaar van de gestelde termijnen. Zij vragen hierdoor of leveranciers hierdoor vaak met een rechtsgang te maken zullen krijgen.

Een vordering is onder het huidige Nederlands recht al tot vijf jaar in rechte afdwingbaar. Een leverancier hoeft dus niet direct de wettelijke handelsrente op te eisen. Een leverancier kan ervoor kiezen om vanwege de afhankelijkheidsrelatie zijn vordering op de wettelijke handelsrente niet uit te oefenen zolang de leverancier en de afnemer zaken doen. Dat de wettelijke handelsrente vijf jaar in rechte afdwingbaar is, vormt voor de afnemer een goede prikkel om tijdig te betalen. Voor de afnemer betekent het immers dat wanneer hij de keuze maakt om de wettelijke handelsrente structureel niet te betalen, een toekomstig financieel risico zich opstapelt. Dit is juist een reden voor de afnemer om geen betaaltermijn langer dan 60 dagen af te spreken of de wettelijke handelsrente te betalen, waardoor geen rechtsgang hoeft plaats te vinden. Daarnaast wordt door het wetsvoorstel volstrekt helder dat een betaaltermijn langer dan 60 dagen niet mag worden overeengekomen in een handelsrelatie tussen het grootbedrijf in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener. Indien een grootbedrijf dit toch doet zal de afnemer een rechtszaak hiervoor in principe altijd verliezen. Dit is nog een reden waarom de verwachting is dat in de praktijk geen rechtsgang hoeft plaats te vinden: het grootbedrijf heeft er geen baat bij om het tot een rechtszaak te laten komen. De afnemer zal daarom besluiten om geen betaaltermijnen langer dan 60 dagen meer af te spreken of de wettelijke handelsrente te betalen.

De leden van de CDA-fractie hebben vragen gesteld over schommelingen in de hoogte van de wettelijke handelsrente voor handelstransacties. Deze leden waren benieuwd naar de wettelijke handelsrente voor handelstransacties in de afgelopen 5 jaar en wat in de afgelopen 10 jaar de hoogste en de laagste stand van het rentepercentage is geweest.

Hieronder is een overzicht te vinden van de wettelijke handelsrente is de afgelopen 5 jaar.

01-07-2016

8%

01-01-2016

8,05%

01-07-2015

8,05%

01-01-2015

8,05%

01-07-2014

8,15%

01-01-2014

8,25%

01-07-2013

8,5%

16-03-2013

8,75%

01-01-2013

7,75%

01-07-2012

8%

01-01-2012

8%

De afgelopen 10 jaar is het hoogste rentepercentage van de wettelijke handelsrente 11,2% geweest. Dit rentepercentage was van toepassing in de periode 01-01-2008 tot 01-07-2008. Het laagste rentepercentage van de wettelijke handelsrente is 7,75% geweest. Dit rentepercentage van toepassen in de periode 01-01-2013 tot 16-03-2013.10

4.2 Definities grootbedrijf en midden- en kleinbedrijf

De leden van de VVD-fractie geven aan het bij handelsverhoudingen die gelijk of redelijk gelijk liggen, bijvoorbeeld tussen grootbedrijven onderling of mkb-bedrijven onderling, dat het niet voor de hand ligt om betaaltermijnen langer dan 60 dagen door één partij kunnen worden opgelegd. Deze leden vragen dan ook naar de motivatie om deze handelsrelatie te beperken.

De initiatiefnemers zijn dit volledig met de leden van de VVD-fractie eens. Daarom geldt het wetsvoorstel alleen bij handelsrelaties tussen een grootbedrijf in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener. Het wetsvoorstel geldt dus niet voor alle andere handelsrelaties. Dit wetsvoorstel ziet dus niet op handelsovereenkomsten tussen grootbedrijven onderling en mkb-bedrijven onderling

De leden van de VVD-fractie vragen of uitzonderingen op de 60-dagen termijn zullen blijven bestaan.

In artikel 6:119a lid 5 BW is de mogelijkheid opgenomen om onder bepaalde voorwaarden een betaaltermijn langer dan 60 dagen overeen te komen. Dit artikel wordt door dit wetsvoorstel alleen niet meer van toepassing bij handelsrelaties tussen een grootbedrijf in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener. Bij alle andere handelsrelaties verandert er niets en blijft het dus mogelijk om van dit artikel gebruik te maken. Meer informatie hierover is ook te lezen in de inleiding van de nota naar aanleiding van het verslag en in antwoord op eerdere vragen van de leden van de VVD-fractie beschreven in paragraaf. 3.2

4.3 Overgangsrecht

De leden van de VVD-fractie en de leden de PvdA-fractie geven aan dat voor bestaande overeenkomsten een overgangsregeling van een jaar is opgenomen en vragen of dit een realistische termijn is. Verder vragen de leden van de VVD-fractie of het waar dat dit gebaseerd is op de veronderstelling dat er nooit sprake is van wederzijds voordeel bij betaaltermijnen langer dan 60 dagen en vragen de leden van de PvdA-fractie hoe gewaarborgd kan worden dat mkb»»ers bij huidige contracten wel op tijd betaald worden.

De termijn van één jaar zal lang genoeg zijn om bestaande overeenkomsten aan te passen. Het enige dat in de bestaande contracten moet worden aangepast is de betaaltermijn. Ook hoeven alleen contracten te worden aangepast bij handelsrelaties tussen een grootbedrijf in de rol van afnemer en het mkb of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener, waarbij een betaaltermijn langer dan 60 dagen is afgesproken. Verschillende grootbedrijven hebben nu al het beleid om met mkb’ers en zzp’ers als leverancier geen betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te spreken. Deze grootbedrijven hoeven dus niets te doen. Deze termijn is gekozen omdat het een gebruikelijke termijn is. In dit verband verwijzen de initiatiefnemers naar het overgangsrecht bij de invoering van de nieuwe regels betreffende algemene voorwaarden in 1992. Een overgangstermijn van een jaar voor reeds bestaande algemene voorwaarden werd redelijk geacht, terwijl het toen ging om een omvangrijke wijziging die gold voor alle algemene voorwaarden. In het onderhavige geval gaat het slechts om één wijziging, namelijk de betaaltermijn. Bovendien zullen de vaste verandermomenten in aanmerking worden genomen bij het tijdstip van inwerkingtreding van het voorstel. Dit betekent dat het voorstel op 1 januari of 1 juli in werking treedt. Dat geeft in de praktijk nog wat extra tijd doordat er enige tijd zal zitten tussen publicatie en inwerkingtreding, zodat de praktijk voldoende tijd heeft om zich voor te bereiden op de voorgestelde wijziging. De initiatiefnemers vinden het daarnaast van groot belang dat voor bestaande overeenkomsten één jaar na inwerktreding deze wet ook gaat gelden. Anders blijven mkb’ers onnodig lang te maken krijgen met te lange betaaltermijnen. Hierdoor blijft de liquiditeitspositie van mkb'ers nog langer onder druk staan, houden zij een onvoorspelbare kasstroom en hebben zij minder ruimte om snel investeringen te doen of slechte maanden op te vangen. Dit leidt niet alleen tot problemen bij deze leveranciers maar ook tot schade aan de economie en langere betaaltermijnen in de keten. Meer informatie hierover is te vinden in paragraaf 3.2 van de memorie van toelichting.

De leden van de VVD-fractie vragen of niet onevenredig hard wordt ingegrepen door bij wet lopende contracten te wijzigen die op dit moment voldoen aan alle wet- en regelgeving en een goede handelspraktijk. Tevens vragen deze leden of het niet aan de contractpartijen is om een lopend contract al dan niet te wijzigen.

De mogelijkheid om een langere betaaltermijn dan 60 dagen overeen te komen (de uitzonderingsmogelijkheid) wordt nu ook gebruikt in situaties die daarvoor niet bedoeld zijn. Bij de bestaande wet is het nooit de bedoeling geweest om grootbedrijven de mogelijkheid te geven om extreem lange betaaltermijnen op te leggen aan mkb’ers. Laat staan dat de bestaande wet de suggestie wekt dat dit een goede handelspraktijk zou zijn. Het is dus niet zo dat lopende contracten die door de voorgestelde wetswijziging zullen moeten worden aangepast op dit moment voldoen aan alle wet- en regelgeving en goede handelspraktijken. De initiatiefnemers verwijzen voor een uitgebreidere toelichting naar de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag. Daarnaast is het normaliter aan contractpartijen om bestaande contracten al dan niet te wijzigen, echter moeten deze contracten wel voldoen aan de geldende wetgeving. In het wetsvoorstel is voor bestaande overeenkomsten een overgangstermijn van één jaar opgenomen. Zie meer informatie hierover paragraaf 4.3 van de memorie van toelichting.

5. Verhouding tot bestaand en komend Europees en internationaal recht

5.2 Maatregelen andere Europese landen

De leden van de SP-fractie vragen hoe de overheid in Frankrijk toeziet op de naleving van wettelijke bepalingen omtrent betaaltermijnen in handelsovereenkomsten. De leden van de SP-fractie stellen vragen over de kosten en de effectiviteit van dit toezicht. Tevens stellen de leden van de SP-fractie vragen over initiatieven in andere landen en de effectiviteit hiervan. Als laatste stellen de leden van de SP-fractie vragen over het convenant om late betalingen in het Verenigd Koninkrijk tegen te gaan. Hierbij zijn zij benieuwd of dit convenant vergelijkbaar is met het Nederlandse initiatief Betaalme.nu en of de initiatiefnemers verwachten dat de initiatieven vergelijkbare resultaten kennen.

In Frankrijk is sinds 17 maart 2014 de Act Hamon van kracht. Deze wet ziet toe op handelsovereenkomsten tussen ondernemingen en tracht contractonderhandelingen beter in balans te brengen. Onderdelen hiervan zijn dat alleen de algemene voorwaarden van de verkopende partij van toepassing zijn, dat betaaltermijnen worden gemaximeerd op 45 dagen na het einde van de maand waarin een factuur gestuurd wordt of 60 dagen na de factuurdatum. Onder de Act Hamon kunnen boetes oplopen tot 375.000 euro. In het notaoverleg11 van 1 februari liet Minister Kamp optekenen dat er in Frankrijk een aparte overheidsdienst toeziet op zakelijke gedragingen tussen ondernemingen. In 2014 is er in 100 gevallen daadwerkelijk opgetreden in dergelijke zaken. Hiervoor is een aparte overheidsdienst beschikbaar met 3.000 formatieplaatsen. Minister Kamp gaf aan dat zo’n overheidsdienst er in Nederland niet is en dat het lastig is om van overheidswege op contractniveau toezicht te houden op hoe ondernemingen zich jegens elkaar gedragen. De initiatiefnemers kunnen niet inschatten wat de exacte kosten zijn die deze Franse overheidsdienst maakt.

Een overzicht van maatregelen van andere landen is beschikbaar via het eerste evaluatierapport12 van de Europese Commissie en een werkdocument van de Europese Commissie13 over de implementatie van de Richtlijn Late Betalingen in de EU lidstaten. De maatregel die het meest overeenkomt met de dit wetsvoorstel is ingevoerd in Spanje. In dit land is de betaaltermijn gemaximeerd op 60 dagen en is het verplicht om 30 dagen na levering de factuur te verzenden14. Er zijn bij de initiatiefnemers geen harde cijfers bekend van de effectiviteit van de maatregel in Spanje. In Duitsland mogen contractpartijen afwijken van de standaard termijn van 30 dagen, maar is wettelijk bepaald dat de toets van de rechter over de redelijkheid van deze afwijking strenger wordt naarmate de termijn toeneemt. Oostenrijk hanteert een vergelijkbaar systeem als Duitsland, hier is de strengere toets van de rechter echter pas vanaf 60 dagen van toepassing.

In het Verenigd Koninkrijk wordt al sinds 2008 gewerkt met een vrijwillig convenant – de «Prompt Payment Code» – waarin grote ondernemingen beloven om betaaltermijnen te hanteren van 30 dagen met uitloop tot 60 dagen. De doelgroep is de 350 grootste Britse bedrijven met een notering aan de Londense beurs (FTSE 350). Van deze groep hadden in 2016 in totaal 137 bedrijven zich gecommitteerd aan het convenant15. Echter, uit onderzoek van de Federation of Small Business, de belangenvereniging voor het Britse MKB, blijkt dat slechts 1 op de 5 bedrijven in het Verenigd Koninkrijk vertrouwen heeft in de effectiviteit van de code om de cultuur rondom de betalingsmoraal te verbeteren. In het Verenigd Koninkrijk is derhalve op 2 december 2016 nieuwe wetgeving aangekondigd16 om grote bedrijven te verplichten om vanaf april 2017 tweemaal per jaar te rapporteren over de gehanteerde betaaltermijnen. De initiatiefnemers verwachten vergelijkbare resultaten van het Nederlandse initiatief Betaalme.nu en de UK Prompt Payment Code. Het vrijwillige karakter en het feit dat beide convenanten uitgaan van publieke druk zijn zeer vergelijkbaar. Het feit dat in het Verenigd Koninkrijk extra wetgeving noodzakelijk wordt geacht geeft aan dat de Prompt Payment Code niet het gewenste effect heeft. Mkb-bedrijven bleven ongewenste betaaltermijnen melden, ook nadat circa 39% van de FTSE 350 bedrijven zich had gecommitteerd. De initiatiefnemers kunnen zich voorstellen dat de bedrijven die zeer lange termijnen hanteren of minder in de publieke schijnwerpers staan zich niet committeren aan vrijwillige codes. De convenanten verzamelen in dat geval vooral de groep bedrijven die juist wel de noodzaak inziet van gezonde betaaltermijnen richting leveranciers. Vanzelfsprekend waarderen de initiatiefnemers dat bedrijven zich committeren aan de code en prijzen hen hiervoor.

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op het internationale karakter van veel Nederlandse bedrijven en het belang van een gelijk speelveld. De initiatiefnemers wijzen op de verschillen in maatregelen in de verschillende lidstaten. Met dit wetsvoorstel worden extra regels bovenop de Europese richtlijn geïntroduceerd. Creëren de initiatiefnemers daarmee niet een ongunstige situatie voor Nederlandse bedrijven ten opzichte van buitenlandse concurrenten? Op welke manier wordt in de naleving omgegaan met grensoverschrijdende transacties, zowel binnen als buiten de EU?

Het wetsvoorstel is een vervolg op de Europese Richtlijn betreffende de bestrijding van late betalingen (Richtlijn 2011/7/EU). Hierdoor is wetgeving in Europa dusdanig geharmoniseerd dat het weinig interessant wordt voor een buitenlands grootbedrijf om de keuze van de leverancier af te laten hangen van wetgeving in een land op het gebied van betaaltermijnen. De Richtlijn biedt via artikel 12 lid 3 ruimte aan individuele landen om striktere wetgeving op te stellen indien zij dat wensen. Meerdere landen hebben hier gebruik van gemaakt of zijn aan het overwegen om dit te doen. De verwachting is niet dat buitenlandse grootbedrijven geen zaken meer willen doen met Nederlandse leveranciers vanwege dit wetsvoorstel. Een betaaltermijn is namelijk maar een klein onderdeel van de algemene overwegingen bij het aangaan van een koopovereenkomst. De keuze van welk recht van toepassing is hangt dan ook af van veel meer factoren dan alleen de betaaltermijn. Tevens zou een buitenlands grootbedrijf door het hanteren van een ander rechtssysteem het risico lopen om ook juist andere minder gunstige rechtsbepalingen te betrekken.

Zoals eerder gesteld onderschrijven de leden van de PvdA-fractie dit wetsvoorstel. Wel vragen zij zich af waarom er niet voor is gekozen om een dergelijk initiatief te organiseren binnen Europees verband. Deze leden merken op dat toeleveranciers of afnemers zich vaak buiten Nederland bevinden. Deze leden vragen of er is gekeken om de betaaltermijnen op Europees niveau verder te harmoniseren.

De Europese Richtlijn die is opgesteld hierover biedt basisbescherming aan bedrijven in de lidstaten maar laat de ruimte aan individuele lidstaten zelf, in hoeverre zij een maximale termijn willen instellen. Enkele lidstaten nemen dan ook hun eigen maatregelen. Zo heeft Frankrijk een overheidsdienst die toeziet op late betalingen, waar het Verenigd Koninkrijk een convenant heeft getekend ter handhaving van de Richtlijn en binnenkort verplichtingen kent waarbij grootbedrijven moeten aangeven welke betaaltermijnen zij hanteren jegens leveranciers. Deze gang van zaken duidt erop dat elk land gebruikt maakt van de mogelijkheid die de Richtlijn biedt om initiatieven te nemen om late betalingen te voorkomen. Bovendien laat de evaluatie en mogelijke voorstellen tot aanpassing van de Richtlijn nog tot medio 2018 op zich wachten. Implementatie van een mogelijke aanpassing van de Richtlijn zou, met het in acht nemen van de Europese procedures, hoogstwaarschijnlijk niet voor 2021 plaatsvinden. De initiatiefnemers zijn van mening dat de urgentie van het probleem zo groot is dat er eerder moet worden ingegrepen, net als dat in andere landen gebeurt.

De leden van de PvdA-fractie benoemen dat de initiatiefnemers aangeven dat er gebruik wordt gemaakt van een lidstaatoptie binnen de Europese richtlijn late betalingen. In die context vragen de leden van de PvdA-fractie welke opties er nog meer zijn om eventueel nog strengere eisen te stellen.

In de EU richtlijn wordt hierover het volgende gezegd17: «zij kunnen elk ander initiatief ontplooien om een oplossing te vinden voor het cruciale probleem van betalingsachterstand en om een cultuur van stipte betaling te helpen ontwikkelen ter ondersteuning van de doelstelling van deze richtlijn.» De initiatiefnemers hebben gekozen voor de volgende invulling hiervan, als weergegeven in het voorliggende wetsvoorstel. De initiatiefnemers beogen hiermee tegelijkertijd bescherming te bieden aan kleine leveranciers als ook zo min mogelijk in te grijpen in de onderhandelingsruimte voor bedrijven.

6. Uitvoerings- en handhavingsaspecten

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemers of zij verwachten dat een mkb’er of een zzp’er naar de rechter zal stappen om de wettelijke handelsrente op te eisen indien een grootbedrijf een betaaltermijn langer dan 60 dagen oplegt en daarnaast besluit na 30 dagen de wettelijke handelsrente niet te betalen.

De initiatiefnemers verwijzen naar de antwoorden van dezelfde soort vragen gesteld door leden van de VVD-fractie in paragraaf 3.1 en de leden van de ChristenUnie in paragraaf 4.1.

6.1 Mechanismen om de leverancier de wettelijke handelsrente te kunnen laten vorderen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat gesproken wordt over van een stap naar de civiele rechter. Deze leden vragen of het klopt dat hierdoor een potentieel gevaar ontstaat voor bestaande handelsrelaties en of dit zal zorgen voor een verslechtering van het ondernemersklimaat wat gebaseerd is op wederzijds vertrouwen?

De initiatiefnemers wijzen deze leden erop dat in de huidige wet ook al naar de civiele rechter kan worden gestapt indien een ondernemer van mening is dat hij een onredelijke lange betaaltermijn opgelegd heeft gekregen. Het is dus niet zo dat dit wetsvoorstel de mogelijkheid om naar de civiele rechter te stappen toevoegt, dat is in de huidige wetgeving al geregeld. De initiatiefnemers verwijzen naar onder andere de inleiding waarin wordt aangegeven dat de verwachting is dat door het voorliggende wetsvoorstel de stap naar de civiele rechter juist niet hoeft te worden gemaakt. Op vragen van de leden van de VVD-fractie (paragraaf 3.1), de leden van de SP-fractie (paragraaf 3.2) en de leden van de ChristenUnie-fractie (paragraaf 4.1) wordt nader toegelicht waarom de initiatiefnemers verwachten dat mkb’ers of zzp’ers naar de rechter zullen stappen om de wettelijke handelsrente op te eisen mochten grootbedrijven zich alsnog niet aan de wet houden. Tot slot is een vordering onder het huidige Nederlands recht tot vijf jaar in rechte afdwingbaar. Hierdoor bestaat ook de mogelijkheid om de wettelijke handelsrente op te eisen nadat de bestaande handelsrelatie ten einde is gekomen. Hierdoor hoeft een bestaande handelsrelatie niet in gevaar te komen. Zie meer informatie hierover paragraaf 6.1 van de memorie van toelichting.

De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemers in hoeverre zij verwachten dat leveranciers na beëindiging van de handelsrelatie alsnog de wettelijke handelsrente vorderen en of hierbij risico’s op bijvoorbeeld imagoschade bestaan, waardoor een bedrijf bij andere bedrijven geweerd zal worden. Deze leden zijn tevens benieuwd in welke gevallen het vorderen van wettelijke handelsrente in de huidige praktijk reeds mogelijk is en in hoeverre dit recht door kleine bedrijven ten opzichte van grote bedrijven wordt uitgeoefend.

De initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat er eventuele risico’s op imagoschade bestaan. Deze risico’s bestaan echter ook voor het grootbedrijven omdat duidelijk wordt dat zij zich niet aan de wet houden. Doordat in de situatie geschetst door de leden van de SP-fractie de handelsrelatie beëindigd is en er bovendien de mogelijkheid bestaat in het wetsvoorstel om 5 jaar na dato alsnog de handelsrente te innen achten de initiatiefnemers de te verwachten imagoschade minimaal, zeker ook omdat de mkb-ondernemer niets anders doet dan zich aan de wet te houden. Voor het tweede gedeelte van het antwoord op de vraag verwijzen de initiatiefnemers naar een eerder antwoord op vragen van de leden van de SP-fractie gesteld bij paragraaf 3.2.

De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat de initiatiefnemers de middelen van een mkb-ondernemers op gelijke voet zetten als grootbedrijven.

De initiatiefnemers van dit wetsvoorstel pogen niet te zeggen dat mkb-ondernemers dezelfde middelen tot hun beschikking hebben als grootbedrijven. Mkb-bedrijven hebben minder middelen tot hun beschikking om een rechtszaak aan te gaan. Door voorliggend wetsvoorstel wordt het eenvoudiger om een rechtszaak te beginnen, omdat het volstrekt helder wordt dat een grootbedrijf in een handelsrelatie met een kleine leverancier geen betaaltermijn langer dan 60 dagen mag afspreken. Het wetsvoorstel ondersteunt dus juist ondernemingen die minder middelen ter beschikking hebben. Het is echter de verwachting van de initiatiefnemers dat door het voorliggende wetsvoorstel het minder vaak zal komen tot een juridische procedure. De initiatiefnemers verwijzen naar de inleiding voor een nadere toelichting.

De leden van de VVD-fractie vragen of er een grote kans bestaat dat grote bedrijven een arsenaal van juridische procedures zullen gaan starten?

Zoals eerder aangegeven op vragen van leden van de VVD-fractie is het juist niet de verwachting dat grootbedrijven juridische procedures zullen gaan starten. Zij hebben hier geen enkel belang bij omdat de kans zeer klein is dat zij in het gelijk zullen worden gesteld. Door het wetsvoorstel wordt het namelijk volstrekt helder dat grootbedrijven in de rol van afnemer in een handelsrelatie met een mkb’er of een zelfstandig ondernemer in de rol van leverancier of dienstverlener geen betaaltermijnen langer dan 60 dagen mogen afspreken. Indien zij dit toch doen overtreden zij de wet, waardoor het onlogisch zou zijn voor een grootbedrijf om een juridische procedure te starten.

De leden van de VVD-fractie geven aan dat de initiatiefnemers zwaar tillen aan de oneerlijke afhankelijkheidsrelatie tussen het grootbedrijf en de kleine ondernemer. Zij vragen hoe dit verschil in civiele procedures wordt voorkomen?

De initiatiefnemers verwijzen voor het antwoord van deze vraag naar de antwoorden op eerder gestelde vragen van de leden van de VVD-fractie (paragraaf 3.1), de leden van de SP-fractie (paragraaf 3.2) en de leden van de ChristenUnie-fractie (paragraaf 4.1). Tevens verwijzen zij naar paragraaf 6.1 van de memorie van toelichting voor een uitgebreide toelichting.

Tenslotte hebben de leden van de PvdA-fractie nog enkele vragen met betrekking tot handhaving. Deze leden merken op dat voor de handhaving van dit wetsvoorstel de sleutel bij het mkb zelf ligt. Daarom achten de leden van de PvdA-fractie het van belang dat de wetswijziging onder de aandacht wordt gebracht bij het mkb. Zij vragen de initiatiefnemers of en hoe dit georganiseerd gaat worden? Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie op welke ondersteuning mkb»»ers kunnen rekenen wanneer sprake is van te lange betaaltermijnen of wanneer zij bijvoorbeeld kortere betaaltermijnen willen afdwingen?

De initiatiefnemers zijn het eens met de leden van de PvdA-fractie over de aandacht die de wetswijziging verdient. Zij stellen dan ook een nog nader in te plannen promotiecampagne voor na invoering van het wetsvoorstel. Bij ondersteuning zou gedacht kunnen worden aan de rechtsbijstand. Ook zou er informatievoorziening kunnen komen vanuit de Kamer van Koophandel of vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De initiatiefnemers wijzen erop dat de wetswijziging relatief duidelijk en eenvoudig is, en dat mkb-ondernemers relatief gezien weinig ondersteuning nodig zullen hebben. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.2.

7. Gevolgen van het wetsvoorstel

7.1 Financiële gevolgen

Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie nog hoe de wettelijke handelsrente wordt vastgesteld.

De wettelijke handelsrente voor transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties volgt telkens voor een half jaar uit de marginale toewijzigingsrente die de Europese Centrale Bank (ECB) heeft toegepast op de meest recente basisherfinancieringstransactiedie heeft plaatsgevonden vóór 1 januari respectievelijk vóór 1 juli van elk jaar.

7.2 Administratieve lasten

De leden van de VVD-fractie vragen of het gevaar bestaat dat bij het opnieuw optekenen van contracten grootbedrijven niet meer kiezen voor kleine leveranciers, maar op zoek gaan naar partners die voldoen aan de definitie grootbedrijven.

Dit initiatiefnemers achten deze kans niet groot. Een grootbedrijf zal vooral zoeken naar een ondernemer die een kwalitatief goede dienst of product kan leveren en bepaalt niet wie zijn leverancier wordt alleen aan de hand van wetgeving op het gebied van betaaltermijnen. Daarnaast gaat een onderhandeling over veel meer voorwaarden. Het is het nog maar zeer de vraag of het een grootbedrijf financieel voordeel zou opleveren indienen zij grootbedrijven gaan zoeken als leverancier in plaats van een kleine leverancier. Bij grootbedrijven onderling is er namelijk een gelijke onderhandelingspositie. Het grootbedrijf in de rol van leverancier zal daarom geen lange betaaltermijn accepteren mits daar niet andere voordelen in de rest van de onderhandeling tegenover staan. Het mogelijke financieel voordeel dat wordt behaald bij een langere betaaltermijn zal dan worden gecompenseerd door een financieel nadeel op een ander aspect in de onderhandeling.

7.3 Mogelijke neveneffecten

De leden van de ChristenUnie fractie zien een mogelijk risico in het wetsvoorstel dat een betaaltermijn van 60 dagen de norm wordt, terwijl in de praktijk veel bedrijven wel binnen 30 dagen betalen. De initiatiefnemers wijzen op de huidige norm van 30 dagen in het BW, maar tegelijkertijd introduceren zij een harde consequentie met dit wetsvoorstel als de termijn van 60 dagen wordt overtreden. Zorgt het wetsvoorstel niet voor een averechts effect, waarbij de norm in het BW in de praktijk wordt verschoven van 30 naar 60 dagen?

Zie voor beantwoording van deze vraag het antwoord op een dergelijk gelijke vraag van de leden van de VVD-fractie en de leden van de PvdA-fractie bij paragraaf 4.1.

8. Advisering en consultatie

De leden van de VVD-fractie merken op dat een partij in de consultatie heeft aangegeven dat zij zich goed kan voorstellen dat kleine leveranciers soms behoefte hebben aan langere betaaltermijnen. Zij vragen of dit de Raad Nederlandse Detailhandel is geweest? Indien dit niet het geval is geweest vragen deze leden of zij benaderd zijn voor de consultatie?

In hoofdstuk 8 van de memorie van toelichting wordt genoemd welke instanties mee hebben gedaan aan de consultatieronde. De Raad Nederlandse Detailhandel is niet benaderd voor de consultatieronde en heeft niet meegedaan. Zij zijn dus niet degene geweest die deze opmerking tijdens de consultatieronde hebben gemaakt. De initiatiefnemers hebben geprobeerd zoveel mogelijk partijen te betrekken bij het wetsvoorstel. In de Tweede Kamer heeft een hoorzitting plaatsgevonden over de initiatiefnota en er heeft een consultatieronde plaatsgevonden onder vertegenwoordigers van het grootbedrijf, mkb of zzp en een aantal andere partijen uit het veld die betrokken zijn bij het onderwerp. Degene die hierbij niet hebben meegedaan staat het uiteraard volledig vrij om alsnog input te leveren over het voorliggende wetsvoorstel. De Raad Nederlandse Detailhandel heeft dit gedaan en verschillende Tweede Kamerfracties hebben deze inbreng gebruikt ter voorbereiding van de inbreng voor het verslag. Deze inbreng kan indien gewenst door de Tweede Kamerfracties uiteraard worden gebruikt bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemers of zij de ACM hebben gevraagd om te reageren op het wetsvoorstel?

De initiatiefnemers hebben de ACM gevraagd om te reageren op het wetsvoorstel. De ACM heeft aangegeven geen gebruik te maken van de geboden gelegenheid om te reageren. De ACM heeft aangegeven het wetsvoorstel te zullen blijven volgen om te bezien of een inhoudelijke reactie op een later moment van toegevoegde waarde kan zijn.

Agnes Mulder Mei Li Vos


X Noot
1

EY (2014), «EU Late Payment Directive een papieren tijger.; Het Financieele Dagblad, «Late betalingen kwellen bedrijven», 6 november 2012.

X Noot
2

Intrum Justitia (2016), European Payment Report, 2016.

X Noot
3

Atradius (2014) Payment Practices Barometer Western Europe

X Noot
5

Dun and Bradstreet (2015) Onderzoek naar betalingstermijnen bij bedrijven onderling

X Noot
6

EY (2014), «EU Late Payment Directive een papieren tijger.; Het Financieele Dagblad, «Late betalingen kwellen bedrijven», 6 november 2012

X Noot
7

Intrum Justitia (2016), European Payment Report.

X Noot
9

CBS 2015

X Noot
11

«In Frankrijk proberen ze dit wel. In 2014 hebben ze daar in 100 gevallen daadwerkelijk opgetreden tegen dergelijke zaken. Daar hebben ze echter een aparte dienst die onder andere voor dit soort zaken is aangesteld en waar 3.000 formatieplaatsen aan gekoppeld zijn. Zo'n dienst heb ik in Nederland niet, afgezien van het feit dat ik ook niet weet hoe je zoiets zou moeten gaan doen. Je hebt immers het zicht op al die zaken niet en je treedt in een relatie tussen een leverancier en een klant. De leverancier kan er wel heel anders over denken dan wij op zo'n moment doen. Al met al ontraad ik het aannemen van deze motie. Kamerstuk: 34 172, nr. 8»

X Noot
12

EX-PostEVALUATION OF LATE PAYMENT DIRECTIVE, November 2015.

X Noot
14

In Nederland is facturering verplicht uiterlijk 15 dagen na afloop van de maand waarin geleverd is.