Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734559 nr. 6

34 559 Voorstel van wet van de leden Agnes Mulder en Mei Li Vos tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het tegengaan van onredelijk lange betaaltermijnen (Wet uiterste betaaltermijn van zestig dagen voor grote ondernemingen)

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 14 december 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

1.

Inleiding

1

2.

Voorgeschiedenis

2

3.

Aanleiding en achtergrond

3

4.

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

5

5.

Verhouding tot bestaand en komend Europees en internationaal recht

6

6.

Uitvoerings- en handhavingsaspecten

7

7.

Gevolgen van het wetsvoorstel

8

8.

Advisering en consultatie

8

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende voorstel van wet van de leden Agnes Mulder en Mei Li Vos tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het tegengaan van onredelijk lange betaaltermijn (Wet uiterste betaaltermijn van zestig dagen voor grote ondernemingen). Naar de mening van deze leden is duidelijkheid over betaaltermijnen tussen overheid en ondernemers zeer gewenst. Hoewel het voorliggende wetsvoorstel een aantal waardevolle maatregelen op onderdelen bevat, geeft het voorstel naar de mening van de leden onvoldoende visie weer met betrekking tot het wederzijds voordeel van langere betaaltermijnen voor sommige ondernemers. Zij hebben daarom nog een aantal vragen en opmerkingen.

Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat grote ondernemingen geen langere betaaltermijn dan 60 dagen kunnen overeenkomen met het midden- en kleinbedrijf (mkb) en zelfstandig ondernemers als leveranciers of dienstverlener. Richtlijn 2011/7/EU vereist dat facturen die bedrijven naar elkaar sturen binnen 60 dagen worden betaald, tenzij ondernemers op redelijke grond een langere termijn overeenkomen.

Is contractueel niets vastgelegd, dan moet de factuur binnen 30 dagen worden betaald. De schuldeiser heeft recht op rente als hij na het verstrijken van de betalingstermijn het verschuldigde bedrag niet heeft ontvangen. De schuldeiser kan van de schuldenaar ook een schadeloosstelling verkrijgen voor de invorderingskosten. Overheden zijn verplicht om ontvangen facturen binnen 30 dagen te betalen. Heeft een overheid betalingsachterstand, dan mag een schuldeiser rente in rekening brengen. De leden van de VVD-fractie trekken de aanscherping van dit wetsvoorstel in twijfel.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende onderliggende initiatiefwetsvoorstel. Ook zij zijn bekend met de problematiek die veel mkb’ers ondervinden met lange betaaltermijnen die zij vaak ook nog eens onder druk hebben moeten afsluiten. Deze leden verwelkomen dit wetsvoorstel dan ook, maar hebben nog wel enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben het voorliggende initiatiefwetsvoorstel met veel belangstelling gelezen. Zij hebben hierbij enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig initiatiefwetsvoorstel. Deze leden zien het probleem en kunnen zich vinden in het wetsvoorstel van de initiatiefnemers. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel over de uiterste betaaltermijn van 60 dagen voor grote ondernemingen. Zij spreken hun waardering uit voor het werk dat de indieners hebben verzet. Deze leden herkennen de signalen van zelfstandig ondernemers dat betaaltermijnen van meer dan 60 dagen geen uitzondering vormen en dat betaaltermijnen zelfs oplopen tot 90 of 120 dagen. Zij stellen enkele vragen bij het wetsvoorstel.

2. Voorgeschiedenis

De leden van de VVD-fractie merken op dat het wetsvoorstel zich uitsluitend richt op de mogelijkheid betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te spreken. Een betaaltermijn langer dan 60 dagen mag alleen worden overeengekomen tussen contractpartijen indien uitdrukkelijk een langere termijn van betaling in de overeenkomst is opgenomen en deze niet onbillijk is jegens de schuldeiser, mede gelet op: a) de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de zestig dagen termijn; b) de aard van de prestatie; en c) elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken. De initiatiefnemers zien in dit onderdeel een probleem die zij door middel van dit wetsvoorstel willen oplossen. Deze vragen of deze motivatie voldoende is om aanvullende wetgeving te verlangen.

De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat volgens de initiatiefnemers het de norm is om binnen dertig dagen een rekening te betalen en dat om deze reden betaaltermijnen langer dan 60 dagen van rechtswege krachtens artikel 3:41 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden gewijzigd in betaaltermijnen van 30 dagen. Deze leden verzoeken de initiatiefnemers toe te lichten waarom in het wetsvoorstel gekozen is om niet de norm maar een tweemaal zo lange maximale betaaltermijn te hanteren.

3. Aanleiding en achtergrond

3.1 Aanleiding

De leden van de VVD-fractie merken op dat de aanleiding om dit wetsvoorstel in te dienen de aanhoudende signalen uit het veld zijn. Deze leden vragen naar specifieke cijfers over betaalachterstanden. Tevens vragen zij of er niet ook positieve geluiden zijn. Er zijn signalen dat dit aanvullende wetsvoorstel tot verdere druk op een sector, die het al moeilijk heeft, zorgt. De Raad Nederlandse Detailhandel heeft bezwaren tegen het voorstel. Ten onrechte gaat het voorstel uit van «one-size-fits-all» en de veronderstelling dat nooit sprake is van wederzijds voordeel bij betaaltermijnen langer dan 60 dagen.

De aan het woord zijnde leden merken op dat GroentenFruit Huis stelt dat lange betaaltermijnen een negatief effect op de financiële slagkracht van de bedrijven in de groente- en fruitsector heeft. De leden zijn het hier mee eens. Echter vragen zij zich af waarom GroentenFruit Huis zich niet beroept op de bestaande wet, aangezien er niet aan de drie gestelde voorwaarden voor een langere termijn van betaling voldaan wordt.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat er onderscheid gemaakt wordt tussen het mkb en het groot bedrijf. Zij hebben hier begrip voor maar vragen de initiatiefnemers wel waarom er geen onderscheid gemaakt is tussen bijvoorbeeld micro- en kleinbedrijven. Zij vermoeden namelijk dat de negatieve effecten van lange betaaltermijnen groter zullen zijn bij de kleinere bedrijven.

3.2 Probleemschets

De leden van de VVD-fractie merken op dat de initiatiefnemers stellen dat de achterliggende reden om betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te spreken te maken heeft met een financiële prikkel. Lange betaaltermijnen leiden tot een cashflowvoordeel voor de afnemer. Volgens de Raad Nederlandse Detailhandel wordt de non-food detailhandel gekenmerkt door een lage omloopsnelheid van producten. Zo is de omloopsnelheid van een product in een elektronicawinkel gemiddeld 3,6. Dit houdt in dat een gemiddeld product meer dan drie maanden in de winkels ligt alvorens het wordt verkocht. Voor bijvoorbeeld schoenenzaken, maar ook kampeer- en sportzaken en vele andere winkels, geldt ongeveer hetzelfde. Bij juweliers ligt de snelheid nog veel lager. De leden vragen of hier dan niet een langere betaaltermijn, in overeenstemming, gewenst is.

De aan het woord zijnde leden merken op dat de initiatiefnemers stellen dat de probleemschets tot drie grote nadelen leidt. Kleine leveranciers krijgen problemen, de economie in zijn geheel wordt geschaad en het is niet bevorderlijk voor de betaaltermijnen die verder in de keten worden gehanteerd. Is het waar dat niet alle leveranciers hier onder vallen? Is het waar dat er ook voordelen aan een langere betaaltermijn kunnen zitten?

Deze leden merken op dat op dit moment ondernemers de mogelijkheid hebben om in gevallen van lagere doorloopsnelheid van een product onderling een betaaltermijn langer dan zestig dagen af te spreken, zolang deze termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser en in een bilaterale onderhandeling is afgesproken. Dit geeft de detailhandel en haar partners de mogelijkheid om, waar nodig, langere betaaltermijnen af te spreken. Hiertegenover staat bijvoorbeeld een minimale afname van producten over langere periode, of een langere contractzekerheid. Dit geeft de ondernemer vrijheid bij het onderhandelen van een contract, waarmee een leverancier een bedrijfseconomisch voordeel kan opdoen, door zijn productie efficiënter in te richten en zelf minimale voorraadkosten hoeft te maken. Op basis van deze onderhandelingsruimte worden de voordelen en risico’s verdeeld over de afnemer en de leverancier. Binnen de huidige wet is het mogelijk om met een kortere of langere betaaltermijn dit wederzijdse voordeel en evenwicht te vinden. Door betaaltermijnen langer dan zestig dagen, ongeacht de situatie en context, bij wet nietig te verklaren, verstoort de wetgever het huidige evenwicht in de markt. Klopt het dat ondernemers door dit initiatiefwetsvoorstel beperkt worden in hun keuzevrijheid wat betreft betaaltermijnen? De leden van de VVD-fractie vragen of daardoor dan ook niet huidige relaties verstoort kunnen worden, wat mogelijk leidt tot meer kosten voor leveranciers en afnemers en meer uitverkoop van producten, wat leidt tot lagere prijzen.

De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemers in hoeveel gevallen de wettelijke handelsrente die nu kan worden toegepast daadwerkelijk wordt geïnd door degenen die deze rente tegoed hebben van late betalers en in hoeveel gevallen de rente betaald wordt door degenen die de rente verschuldigd zijn. Deze leden zijn benieuwd welke middelen een middelgroot of kleinbedrijf heeft om de wettelijke handelsrente te innen bij een groot bedrijf en of er naar de mening van de indieners een belemmering bestaat in de scheve machtsverhouding tussen bedrijven uit deze verschillende categorieën. Zij merken tevens op dat het wetsvoorstel geen flankerende maatregelen bevat die het betalen van de wettelijke handelsrente bevorderen of afdwingbaar maken zonder daarbij de relatie tussen beide bedrijven te verstoren. Deze leden zijn daarom benieuwd in hoeverre de wettelijke handelsrente die geldt op betalingen later dan dertig dagen, tenzij een betaaltermijn korter of gelijk aan 60 dagen is afgesproken, naar de verwachting van de indieners effect zal hebben op het betaalgedrag van grote bedrijven ten opzichte van kleinere leveranciers.

De leden van de CDA-fractie lezen dat grootbedrijven hun mkb-leveranciers gebruiken als bank. Kunnen de initiatiefnemers nader toelichten wat zij hiermee bedoelen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre het opnemen van een langere betaaltermijn dan 60 dagen ook voorkomt tussen mkb’ers onderling. Zo wordt in de memorie van toelichting gesproken van een sneeuwbaleffect in de gehele handelsketen, waarbij ook de leverancier van de leverancier met een langere betaaltermijn te maken krijgt. Speelt «defection» (de angst om de handelsrelatie te verstoren) ook tussen mkb’ers onderling? Welke oplossing zien de indieners hiervoor?

3.3 Doelstelling wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vragen waarom een financieel voordeel voor beide partijen wordt ontmoedigd.

3.4 Nut en noodzaak overheidsinterventie

De leden van de VVD-fractie merken op dat de initiatiefnemers stellen dat de positie van mkb-leveranciers wordt versterkt door op voorhand in de wet op te nemen dat een betaaltermijn van meer dan 60 dagen niet is toegestaan. De huidige wetgeving staat dit ook niet toe, enkel onder eerdergenoemde voorwaarden. Deze leden vragen of dit wetsvoorstel niet een nieuwe norm in de hand werkt: waar nu nog vaak binnen 30 dagen wordt betaald, zal dit naar 60 dagen gaan.

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft niet de bevoegdheid om in te grijpen in een individuele relatie tussen leverancier en afnemer. De aan het woord zijnde leden vragen waarom er geen duidelijke rol voor de ACM wordt vastgelegd in het wetsvoorstel en er enkel over een rechtsgang wordt gesproken bij sprake van een geschil.

Deze leden vragen of er niet bij de huidige wetgeving al sprake is van een gelijk speelveld.

De leden van de CDA-fractie lezen dat in maand juni van het jaar 2016 26 grootbedrijven zich hebben aangesloten bij het initiatief Betaalme.nu. Heeft Betaalme.nu na juni 2016 nog een nieuwe tussenstand gepubliceerd? Zo ja, hoeveel grootbedrijven worden hierin genoemd die zich hebben aangesloten bij het initiatief? Hebben de initiatiefnemers voor ogen het initiatief van Betaalme.nu te vervangen door dit wetsvoorstel?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen een nadere toelichting op de opmerking dat de ACM de beschreven problematiek niet kan oplossen. Wanneer een grote afnemer stelselmatig misbruik maakt van zijn economische machtspositie kan de ACM toch een boete opleggen? Vinden de indieners het wenselijk dat de ACM hier actiever in optreedt?

4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

4.1 Inhoud wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel regelt dat geen betaaltermijn langer dan 60 dagen kan worden overeengekomen tussen een grote onderneming en een mkb onderneming of zelfstandig ondernemer. Deze leden hebben kennisgenomen van de Richtlijn 2011/7/EU, waarin duidelijk de redelijke grond voor een langere termijn is opgenomen. Klopt het dat met dit wetsvoorstel wordt beoogd de uitzonderingsmaatregel volledig te schrappen?

De aan het woord zijnde leden merken op dat de initiatiefnemers stellen dat het volstrekt helder blijft dat het de norm is binnen 30 dagen een rekening te betalen. Zij vragen naar de achterliggende argumentatie.

Deze leden merken op dat de vordering op de afnemer om de wettelijke handelsrente te vergoeden volgens reeds geldend recht vijf jaar in rechte afdwingbaar blijft. Klopt het dat leveranciers hierdoor vaak met een rechtsgang te maken zullen krijgen?

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen de maximale betaaltermijn vast te stellen op 30 dagen. Zij merken op dat deze termijn immers is vastgesteld als norm. Deze leden stellen dat door dit initiatiefwetsvoorstel bovendien de nadruk wordt gelegd op de maximale betaaltermijn van 60 dagen. In lijn daarmee hebben grote brancheorganisaties reeds aangegeven dat hierdoor 60 dagen waarschijnlijk de norm zal worden bij nieuwe afspraken tussen afnemers en toeleveranciers. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat dit uiterst onwenselijk is en vragen hoe de initiatiefnemers hier tegenaan kijken.

Voorts merken deze leden op dat in de context van faillissementen vaak sprake is van schade bij bijvoorbeeld toeleveranciers omdat betaaltermijnen voor het faillissement zo lang mogelijk zijn opgerekt. Zij vragen hoe dit wetsvoorstel zich hiertoe verhoudt. Zij vragen of onderhavig wetsvoorstel er toe zal leiden dat de bescherming van leveranciers bij faillissementen verbetert.

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar de schommelingen in de hoogte van de wettelijke handelsrente voor handelstransacties. Deze leden hebben begrepen dat de wettelijk handelsrente ieder half jaar wordt vastgesteld. Zouden de initiatiefnemers een overzicht kunnen geven van de hoogte van de wettelijke handelsrente voor handelstransacties in de afgelopen vijf jaar? Wat is in de afgelopen tien jaar de hoogste en de laagste stand van het rentepercentage van de wettelijke handelsrente voor handelstransacties geweest?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de effectieve naleving van het wetsvoorstel, aangezien de gedupeerde leverancier nog steeds actief naar de rechter moet stappen, terwijl de initiatiefnemers juist de angst om de handelsrelatie te verstoren noemen als blokkade voor ondernemers om naar de rechter te stappen.

4.2 Definities grootbedrijf en midden- en kleinbedrijf

De leden van de VVD-fractie leze in de memorie van toelichting dat bij handelsverhoudingen die gelijk of redelijk gelijk liggen, bijvoorbeeld tussen grootbedrijven onderling of mkb-bedrijven onderling, het niet voor de hand ligt dat betaaltermijnen langer dan 60 dagen door één partij kunnen worden opgelegd. Deze leden vragen dan ook naar de motivatie om deze handelsrelatie te beperken door betaalstermijnen wettelijk te verplichten binnen 60 dagen te betalen. De eerdergenoemde voordelen kunnen namelijk wederzijds werken.

De initiatiefnemers hebben er voor gekozen om het wetsvoorstel niet te laten gelden in situaties waar wetgeving niet noodzakelijk is. Klopt het dat er uitzonderingen op de 60-dagen termijn zullen blijven bestaan?

4.3 Overgangsrecht

De leden van de VVD-fractie merken op dat voor nieuwe overeenkomsten geen overgangsrecht geldt. Voor bestaande overeenkomsten is een overgangsregeling van een jaar opgenomen. Deze leden vragen of dit realistisch is. Is het waar dat dit gebaseerd is op de veronderstelling dat er nooit sprake is van wederzijds voordeel bij betaaltermijnen langer dan 60 dagen. Door bij wet lopende contracten te wijzigen die op dit moment voldoend aan alle wet- en regelgeving en goede handelspraktijk, grijpt de wetgever onevenredig hard in. Is het niet aan contractpartijen om een lopend contract al dan niet te wijzigen? Het bij wet wijzigen van de inhoud van een contract, betekent in feite dat alle lopende contracten moeten worden opengebroken, wat leidt tot onzekerheid, risico’s en verstoring van de markt.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de overgangstermijn van een jaar realistisch is voor de contracten die in de afgelopen jaren zijn opgesteld. Ook vragen zij hoe gewaarborgd kan worden dat mkb’ers bij huidige contracten wel op tijd betaald worden.

5. Verhouding tot bestaand en komend Europees en internationaal recht

Hoewel de leden van de PvdA-fractie dit wetsvoorstel onderschrijven, vragen zij waarom er niet voor is gekozen om een dergelijk initiatief te organiseren binnen Europees verband. Deze leden merken op dat toeleveranciers of afnemers zich vaak buiten Nederland bevinden. Ook vragen zij of is overwogen de betaaltermijnen op Europees niveau verder te harmoniseren.

Daarnaast geven de initiatiefnemers aan dat er gebruik wordt gemaakt van de ruimte die de Europese richtlijn late betalingen aan individuele lidstaten geeft om striktere wetgeving op te stellen indien zij dat wensen. In die context vragen deze leden welke opties er nog meer zijn om eventueel nog strengere eisen te stellen.

5.1 Maatregelen andere Europese landen

De leden van de SP-fractie lezen dat in Frankrijk de overheid zelf toeziet op naleving, maar dat de uitvoeringslasten daar zeer groot zijn. Deze leden zijn benieuwd naar de effectiviteit van dit overheidstoezicht en in welke mate dit in verhouding staat tot de kosten die het met zich meebrengt. Tevens zijn zij benieuwd of in andere landen initiatieven vergelijkbaar met het voorstel van de indieners zijn genomen en of de effectiviteit hiervan is aan te geven. Deze leden zijn ook benieuwd of het convenant, zoals dat in het Verenigd Koninkrijk is getekend, vergelijkbaar is met het Nederlandse Betaalme.nu en of de initiatiefnemers verwachten dat deze initiatieven een vergelijkbaar resultaat kennen of zullen kennen.

De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen op het internationale karakter van veel Nederlandse bedrijven en het belang van een gelijk speelveld. De initiatiefnemers wijzen op de verschillen in maatregelen in de verschillende lidstaten. Met dit wetsvoorstel worden extra regels bovenop de Europese richtlijn geïntroduceerd. Creëren de initiatiefnemers daarmee niet een ongunstige situatie voor Nederlandse bedrijven ten opzichte van buitenlandse concurrenten? Op welke manier wordt in de naleving omgegaan met grensoverschrijdende transacties, zowel binnen als buiten de EU?

6. Uitvoerings- en handhavingsaspecten

De leden van de PvdA-fractie nog enkele vragen met betrekking tot handhaving. Deze leden merken op dat voor de handhaving van dit wetsvoorstel de sleutel bij het mkb zelf ligt. Daarom achten zij het van belang dat de wetswijziging onder de aandacht wordt gebracht bij het mkb. Deze leden vragen de initiatiefnemers of en hoe dit georganiseerd gaat worden. Daarnaast vragen zij op welke ondersteuning mkb’ers kunnen rekenen wanneer sprake is van te lange betaaltermijnen of wanneer zij bijvoorbeeld kortere betaaltermijnen willen afdwingen.

6.1 Mechanismen om de leverancier de wettelijke handelsrente te kunnen laten vorderen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat hier opnieuw wordt gesproken van een stap naar de civiele rechter. Klopt het dat dit een potentieel gevaar is voor bestaande handelsrelaties en een verslechtering van het ondernemersklimaat wat gebaseerd is op wederzijds vertrouwen?

De verwachting is dat de rechter leveranciers in het gelijk zal stellen. Klopt het dat de initiatiefnemer de middelen van een mkb-ondernemer op gelijke voet zet als grootbedrijven? Is het niet zo dat er een grote kans bestaat dat grote bedrijven een arsenaal van juridische procedures zullen starten, die het betalen enkel vertragen en de kleine ondernemer in een zeer lastig pakket kunnen brengen? Initiatiefnemers tillen zwaar aan de oneerlijke afhankelijkheidsrelatie tussen groot bedrijf en kleine ondernemer. Hoe wordt dit verschil in civiele procedures voorkomen?

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre initiatiefnemers verwachten dat leveranciers na beëindiging van de handelsrelatie alsnog de wettelijke handelsrente vorderen en of hierbij risico’s op bijvoorbeeld imagoschade bestaan, waardoor een bedrijf bij andere bedrijven geweerd zal worden. Deze leden zijn tevens benieuwd in welke gevallen het vorderen van wettelijke handelsrente in de huidige praktijk reeds mogelijk is en in hoeverre dit recht door kleine bedrijven ten opzichte van grote bedrijven wordt uitgeoefend.

De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemers verwachten dat een mkb’er of een zzp’er naar de rechter zal stappen om de wettelijke handelsrente op te eisen indien een grootbedrijf een betaaltermijn langer dan 60 dagen oplegt en daarnaast besluit na 30 dagen de wettelijke handelsrente niet te betalen.

7. Gevolgen van het wetsvoorstel

7.1 Financiële gevolgen

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de wettelijke handelsrente wordt vastgesteld.

7.2 Administratieve lasten

De leden van de VVD-fractie vragen of het gevaar bestaat dat bij het opnieuw optekenen van contracten grootbedrijven niet meer kiezen voor kleine leveranciers, maar op zoek gaan naar partners die voldoen aan de definitie grootbedrijven.

7.3 mogelijke neveneffecten

De leden van de ChristenUnie-fractie zien een risico dat een betaaltermijn van 60 dagen de norm wordt, terwijl in de praktijk veel bedrijven wel binnen 30 dagen betalen. De initiatiefnemers wijzen op de huidige norm van 30 dagen in het BW, maar tegelijkertijd introduceren zij een harde consequentie met dit wetsvoorstel als de termijn van 60 dagen wordt overtreden. Zorgt het wetsvoorstel niet voor een averechts effect, waarbij de norm in het BW in de praktijk wordt verschoven van 30 naar 60 dagen?

8. Advisering en consultatie

De leden van de VVD-fractie merken op dat een partij heeft aangegeven dat zij zich goed kan voorstellen dat kleine leveranciers soms behoefte hebben aan langere betaalstermijnen. Is het waar dat dit Raad Nederlandse detailhandel is? Zo nee, is deze partij dan benaderd voor consultatie?

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemers of zij de ACM hebben gevraagd om te reageren op het wetsvoorstel.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

De griffier van de commissie, Nava