De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
Aan artikel IV wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
D
Aan artikel 30 wordt een lid toegevoegd, luidende:
II
Na artikel XIV wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XIVA
Bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 4 wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet vermindering afdracht
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen «tenzij toepassing of mede toepassing
is gegeven aan artikel 26» vervangen door: tenzij het besluit is genomen op grond
van hoofdstuk VIII.
B
In artikel 7 vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet vermindering afdracht loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen.
C
In artikel 8, tweede lid, wordt «artikel 8:7, tweede lid,» vervangen door: artikel
8.7, tweede lid, tegen een besluit op grond van hoofdstuk VIII van de Wet vermindering
afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
D
In artikel 11 vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet vermindering afdracht
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
E
In artikel 12 wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen: hoofdstuk
VIII.
Toelichting
Op grond van de huidige wet kan een belastingplichtige die geen S&O-verklaring krijgt,
tegen deze beslissing in bezwaar en vervolgens in beroep bij het College van Beroep
voor het bedrijfsleven. Deze bestuursrechter toetst de rechtmatigheid van het besluit
van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Hierbij wordt gekeken of het bestuursorgaan
in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen, maar wordt niet inhoudelijk beoordeeld
of het besluit juist is. Bij deze toets wordt geoordeeld naar het moment waarop het
bestuursorgaan de beslissing genomen heeft. Bezwaren die in een latere fase naar voren
komen, maar al in een eerdere fase naar voren hadden kunnen komen, worden door de
bestuursrechter niet meer meegenomen.
Indiener acht het voor de rechtsbescherming van groot belang dat belastingplichtigen
ook op inhoudelijke gronden, in plaats van slechts procedurele gronden, tegen een
afwijzing van een S&O-verklaring in bezwaar en beroep kunnen.
In dit amendement wordt geregeld dat de fiscale rechtsgang van toepassing is indien
een belanghebbende in beroep gaat tegen (een weigering tot afgifte van) een S&O-verklaring.
Dit heeft als voordeel dat de fiscale rechter integraal toetst of de beslissing die
door het bestuursorgaan genomen is, juist is. Hierbij geldt ook een volledige herkansingsfunctie,
omdat ook latere bezwaren of argumenten bij de afweging worden meegenomen.
Ingevolge onderdeel I van het amendement wordt aan artikel 30 van de Wet vermindering
afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) een vijfde lid toegevoegd.
In dat lid wordt geregeld dat hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
(AWR) van overeenkomstige toepassing is op besluiten die zijn genomen op grond van
hoofdstuk VIII van de WVA. In laatstgenoemd hoofdstuk is de aanvraag en verstrekking
van de S&O verklaring geregeld. In hoofdstuk V van de AWR zijn bepalingen opgenomen
over het in beroep en hoger beroep gaan tegen een besluit en over het instellen van
beroep in cassatie.
Ingevolge onderdeel II van het amendement wordt in bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht
geregeld welke rechters bevoegd zijn om het beroep in eerste aanleg, respectievelijk
hoger beroep, in behandeling te nemen. Voorgesteld wordt om bij het aanwijzen van
rechters die bevoegd zijn om te beslissen in zaken die gaan over besluiten die betrekking
hebben op (de afgifte van) een S&O-verklaring, aansluiting te zoeken bij de regeling
zoals deze van toepassing is in belastingzaken. Dit houdt in dat in eerste aanleg
op grond van artikel 8, tweede lid, van de genoemde bijlage de rechtbanken Noord-Nederland,
Gelderland, Noord-Holland, Den Haag en Zeeland-West-Brabant bevoegd zijn om kennis
te nemen van de beroepszaken. In hoger beroep zijn op grond van artikel 12 van genoemde
bijlage alle gerechtshoven bevoegd.
Omtzigt